Выбрать главу

4.

Met de diepe, onbewuste zucht die Winston bij het begin van zijn werkdag, ondanks de nabijheid van het telescherm, niet kon nalaten, haalde hij de spreekschrijver naar zich toe, hij blies het stof van de spreekbuis en zette zijn bril op. Toen maakte hij de vier rolletjes papier open die al uit de buizen­post rechts van zijn bureau waren geploft en maakte ze met een paperclip aan elkaar vast.

In de wanden van het hokje waren drie openingen. Rechts van de spreekschrijver een kleine buizenpost voor schrifte­lijke mededelingen; links een grotere voor kranten; en in de zijwand, binnen Winstons handbereik, een grote langwerpi­ge gleuf met een klep van ijzerdraad ervoor. Die diende als prullenbak. Dergelijke gleuven vond je bij duizenden of tien­duizenden overal in het gebouw, niet alleen in alle kamers, maar ook in elke gang, met kleine tussenruimten. Om de een of andere reden hadden ze de bijnaam van geheugengaten. Als je wist dat een document bestemd was voor vernietiging, of zelfs als iemand ergens een los papiertje zag liggen, was het een automatisch gebaar om de klep van het dichtstbijzijnde geheugengat op te lichten en het erin te laten vallen, waarop het dan werd weggezogen door een warme luchtstroom, naar de reusachtige ovens die ergens in de ingewanden van het ge­bouw verborgen waren.

Winston bestudeerde de vier strookjes papier die hij open- gerold had. Elk bevatte een opdracht van slechts een of twee regels, in het afkortingsjargon — niet echt Nieuwspraak, maar dat grotendeels bestaande uit Nieuwspraakwoorden — dat in het Ministerie diende voor intern gebruik. De inhoud was:

times 17.3.84 gb rede misverslag afrika rectif

times 19.12.83 voorsp 3j 4de kwart 83 drukfouten vgl nr heden

times 14.2.84 miniwel miseitaat chocolade rectif

times 3.12.83 verslag gb dagorder dubbelplusongoed verw on­personen herschrijf volwijs paraut antarch

Met een vaag gevoel van voldoening legde Winston de vierde opdracht terzijde. Dat was een ingewikkeld en verant­woordelijk karwei en kon het best het laatst worden gedaan. De andere drie waren routinewerk, hoewel de tweede hem waarschijnlijk op vervelend gezoek in tabellen zou komen te staan.

Winston draaide ‘archiefexemplaren’ op het telescherm en vroeg om de genoemde nummers van de Times, die al een paar minuten later uit de buizenpost kwamen gegleden. Zijn opdrachten hadden betrekking op artikelen of nieuwsberich­ten die men om de een of andere reden meende te moeten veranderen of, zoals de officiële term luidde, rectificeren. Uit de Times van 17 maart bijvoorbeeld bleek dat Grote Broer in zijn rede van de dag daarvoor had voorspeld dat het rustig zou blijven aan het front in Zuid-India, maar dat er binnen­kort een Euraziatisch offensief in Noord-Afrika zou begin­nen. In werkelijkheid was het Euraziatische opperbevel een offensief begonnen in Zuid-India en had men Noord-Afrika met rust gelaten. Daarom moest een passage uit de rede van Grote Broer herschreven worden, zodat men hem liet voor­spellen wat ook echt gebeurd was. En de Times van 19 decem­ber had de officiële cijfers gepubliceerd van de geraamde pro­ductie van diverse soorten consumptiegoederen in het vierde kwartaal van 1983, dat tevens het zesde kwartaal van het Ne­gende Driejarenplan was. Het nummer van vandaag bevatte de cijfers van de feitelijke productie, en daaruit bleek dat de ramingen voor elk onderdeel volslagen onjuist waren ge­weest. Het was nu Winstons taak de oorspronkelijke ramingscijfers te rectificeren door ze in overeenstemming te brengen met de latere. Wat de derde opdracht betrof, die sloeg op een dóódsimpele vergissing die in een paar minuten kon worden rechtgezet. Heel kort geleden nog, in februari, had het Ministerie van Welvaart toegezegd (’categorisch be­loofd’ heette dat officieel) dat het chocoladerantsoen in de loop van 1984 niet zou worden verlaagd. In werkelijkheid zou het chocoladerantsoen, naar Winston wist, aan het eind van die week van dertig naar twintig gram worden verlaagd. Het enige dat hij moest doen was de oorspronkelijke toezegging vervangen door een waarschuwing dat het rantsoen waar­schijnlijk in de loop van april verlaagd zou moeten worden.

Zodra Winston een van de opdrachten had afgehandeld, maakte hij zijn correcties in spreekschrift met een paperclip vast aan het desbetreffende nummer van de Times en stopte hij het geheel in de buizenpost. Daarna verfrommelde hij met een praktisch onbewust gebaar de opdracht en de eventuele aantekeningen die hij had gemaakt, en liet die vallen in het geheugengat, zodat ze door de vlammen konden worden ver­teerd.

Wat er gebeurde in de onzichtbare doolhof waar de bui­zenpost heen leidde, wist hij niet precies, maar wel in grote lijnen. Zodra alle correcties die op een bepaald moment no­dig waren voor een nummer van de Times, waren verzameld en vergeleken, werd zo’n nummer herdrukt, het oorspronke­lijke exemplaar werd vernietigd en het verbeterde in plaats daarvan opgeborgen in de leggers. Dit proces van voortdu­rende wijziging werd niet alleen op kranten toegepast, maar ook op boeken, tijdschriften, pamfletten, posters, strooibil­jetten, films, geluidsopnamen, karikaturen, foto’s — op elke vorm van literatuur of documentatie die ooit enige politieke of ideologische betekenis kon bevatten. Dag in dag uit en bij­na van minuut tot minuut werd het verleden up-to-date ge­bracht. Op die manier kon bij elke voorspelling die de Partij had gedaan aan de hand van de stukken worden bewezen dat zij juist was geweest; ook mocht geen enkel nieuwsbericht, geen enkele uitspraak die in strijd was met de behoeften van het ogenblik ooit in de archieven blijven zitten. De complete geschiedenis was een palimpsest, schoongekrabd en opnieuw beschreven, zo vaak als nodig was. Als de bewerking eenmaal was verricht zou het nooit mogelijk zijn te bewijzen dat er vervalst was. De grootste sectie van de Afdeling Archieven, veel groter dan die waar Winston werkte, bestond uit mensen wier enige taak was alle exemplaren van boeken, kranten en ander drukwerk op te sporen en in te zamelen als ze verou­derd waren en vernietigd moesten worden. Eén nummer van de Times dat wegens veranderingen in de politieke situatie of verkeerde voorspellingen door Grote Broer misschien wel twaalfmaal was herschreven, bleef achter in de legger, met zijn oorspronkelijke datum, en er was geen ander exemplaar om het tegen te spreken. Ook boeken werden ingetrokken en herschreven, telkens en telkens weer, en ze werden steevast heruitgegeven zonder enige indicatie dat er veranderingen waren aangebracht. Zelfs de schriftelijke instructies die Winston ontving en die hij altijd weggooide zodra hij ermee klaar was, zeiden nooit openlijk of verhuld dat er vervalsin­gen moesten worden aangebracht; altijd spraken ze van abui­zen, vergissingen, drukfouten of verkeerde citaten die moes­ten worden rechtgezet ter wille van de nauwkeurigheid.

Maar eigenlijk, zo dacht hij terwijl hij de cijfers van het Ministerie van Welvaart rechtzette, kon je het niet eens ver­valsing noemen. Het was alleen de vervanging van het ene stuk onzin door het andere. Het merendeel van het materiaal datje in handen kreeg hield geen enkel verband met iets in de werkelijke wereld, zelfs niet het soort van verband dat in een rechtstreekse leugen besloten ligt. Statistieken waren in hun oorspronkelijke versie even denkbeeldig als na correctie. Meestal werd er van je verwacht dat je ze zelf bedacht. De aankondiging van het Ministerie van Welvaart had bijvoor­beeld de productie van schoeisel voor het betreffende kwartaal geschat op honderdvijfenveertig miljoen paar. De werke­lijke productie werd opgegeven als tweeënzestig miljoen, maar bij het herschrijven van de aankondiging verlaagde Winston het cijfer tot zevenenvijftig miljoen, om ruimte te laten voor de gebruikelijke bewering dat het plan oververvuld was. In elk geval zaten die tweeënzestig miljoen niets dichter bij de waarheid dan die zevenenvijftig miljoen of die hon­derdvijfenveertig miljoen. Hoogstwaarschijnlijk had men helemaal geen schoeisel vervaardigd. Nog waarschijnlijker was dat niemand wist hoeveel er vervaardigd was, en ook dat het niemand iets kon schelen. Men wist alleen dat er elk kwartaal op papier astronomische hoeveelheden schoeisel werden vervaardigd, terwijl de helft van de bevolking van Oceanië misschien wel op blote voeten rondliep. En zo zat het met alle gegevens, belangrijk dan wel onbelangrijk. Alles, vervaagde tot een schimmige wereld, waarin je ten slotte niet eens meer precies wist welk jaar het was.