Winston keek naar de overkant van de zaal. In het hokje tegenover hem zat een kleine man met zware baardgroei, die een nauwgezette indruk maakte, Tillotson heette hij; hij zat gestadig door te werken met een dubbelgevouwen krant op zijn knieën zijn mond vlak bij het mondstuk van de spreekschrijver. Het was of hij probeerde alles wat hij zei een geheim tussen zichzelf en het telescherm te laten blijven. Hij keek even op en zijn brillenglazen flitsten vijandig naar Winston.
Winston kende Tillotson nauwelijks en had geen idee wat voor werk hij deed. De mensen van de Afdeling Archieven praatten niet zo makkelijk over hun werk. In de lange zaal zonder ramen, met zijn dubbele rij hokjes en zijn eindeloos geritsel van papieren en gemompel van stemmen bij de spreekschrijvers, waren er minstens twaalf mensen die Winston zelfs niet van naam kende, al zag hij hen dagelijks heen en weer draven door de gangen of gesticuleren tijdens de Twee Minuten Haat. Hij wist dat in het hokje naast hem het kleine vrouwtje met het rossige haar dag in dag uit bezig was met het opzoeken en schrappen van de namen van mensen die gevaporiseerd waren en daarom geacht werden nooit te hebben bestaan. Dat had een zekere toepasselijkheid, want haar eigen man was een paar jaar daarvoor gevaporiseerd. En een paar hokjes verderop zat een zachtzinnige, onpraktische, dromerige man, Ampleforth geheten, met harige oren en een verrassend talent voor goochelen met rijm en metrum, bijgewerkte lezingen — definitieve teksten heetten ze — te vervaardigen van gedichten die ideologisch aanstootgevend waren geworden, maar om de een of andere reden in de bloemlezingen moesten blijven. En de zaal, waar zo’n vijftig mensen werkten, was slechts een subsectie, één enkele cel als het ware, van het grote geheel van de Afdeling Archieven. Ernaast, erboven, eronder waren andere troepen werkers bezig aan allerlei karweien, in onvoorstelbare hoeveelheden. Je had de grote drukkerijen met afdelingsredacteuren, typografen en schitterend toegeruste ateliers voor het vervalsen van foto’s. Dan was er de teleprogramma-afdeling met technici, regisseurs en troepen toneelspelers die speciaal geselecteerd waren op hun vaardigheid in het nadoen van stemmen. Je had legerscharen van registratieklerken, wier werk uitsluitend bestond uit het opstellen van lijsten van boeken en tijdschriften die aan intrekking toe waren. Je had de enorme bergruimten waar het gecorrigeerde drukwerk werd opgeslagen, en de geheime ovens waar de oorspronkelijke exemplaren werden vernietigd. En ergens, volstrekt anoniem, zat het leidende brein dat al deze arbeid coördineerde en de strategie uitstippelde die bepaalde dat dit fragment van het verleden gehandhaafd, dat vervalst en een derde totaal weggevaagd moest worden.
En de Afdeling Archieven zelf was maar één enkele afdeling van het Ministerie van Waarheid, dat als voornaamste taak niet de reconstructie van het verleden had, maar de burgers van Oceanië moest voorzien van kranten, films, schoolboeken, teleschermprogramma’s, toneelstukken, romans — van elke denkbare vorm van voorlichting, onderwijs en amusement, van standbeeld tot leuze, van lyrisch gedicht tot biologische verhandeling en van abc-boek tot Nieuwspraakdictionaire. En het ministerie moest niet alleen zorgen voor al die behoeften van de Partij, maar diende de hele zaak nog eens op lager niveau te herhalen ten behoeve van het proletariaat. Er was een hele reeks speciale afdelingen, belast met proletarische literatuur, muziek, toneel en algemeen amusement. Hier werden prulkranten vervaardigd, waar bijna niets anders in stond dan sport, misdaad en horoscopen, sensationele stuiverromannetjes, films die dropen van seks en sentimentele liedjes die totaal mechanisch werden gecomponeerd op een speciaal soort caleidoscoop die de naam ‘versificator’ droeg. Er was zelfs een complete subsectie — Pornaf heette die in Nieuwspraak — die belast was met de vervaardiging van de minste soort pornografie, die in verzegelde pakjes werd verzonden en waar geen partijlid, behalve dan degenen die eraan werkten, naar mocht kijken.
Terwijl Winston zat te werken waren er nog drie opdrachten uit de buizenpost komen glijden, maar dat waren eenvoudige kwesties geweest en hij had ze af voordat hij werd onderbroken door de Twee Minuten Haat. Na de Haat ging hij terug naar zijn hokje, pakte het Nieuwspraakwoordenboek van de plank, duwde de spreekschrijver opzij, poetste zijn bril en ging zitten voor de belangrijkste taak van deze ochtend.
Het grootste plezier in Winstons leven was zijn werk. Voor het merendeel was het saai routinewerk, maar daartussendoor kwamen ook zulke moeilijke en ingewikkelde opdrachten dat je erin kon onderduiken als in een diepzinnig wiskun- devraagstuk — uitgelezen brokjes vervalsing waarbij je geen andere richtlijnen had dan je kennis van de beginselen van Engsoc en je vermoedens van wat de Partij zou willen dat je zei. Winston was goed in dat soort dingen. Een enkele keer hadden ze hem zelfs de rectificatie van hoofdartikelen in de Times toevertrouwd, en die waren helemaal in Nieuwspraak geschreven. Hij ontrolde de opdracht die hij eerst opzij had gelegd. Die luidde:
times 3.12.83 verslaggb dagorder dubbelplusongoed verw onpersonen herschrijfvolwijs paraut antarch
In Oudspraak (oftewel beschaafde taal) zou dat als volgt kunnen worden weergegeven:
Het verslag van de Dagorder van Grote Broer in de Times van 3 december 1983 is uitermate onbevredigend; daarin is sprake van niet-bestaande personen. Herschrijf het volledig en leg het ontwerp ter parafering voor aan hogere autoriteiten alvorens het te laten opbergen in het archief.
Winston las het aanstootgevende artikel door. De dagorder van Grote Broer bleek in hoofdzaak gewijd aan een lofzang op het werk van een organisatie die bekendstond als de dfcc en die de mariniers van de Drijvende Forten voorzag van sigaretten en andere plezierige zaken. Een zekere kameraad Withers, een vooraanstaand lid van de kernpartij, werd speciaal vermeld en had een onderscheiding gekregen, de Orde van Opvallende Verdienste, Tweede Klasse.
Drie maanden later was dedfcc plotseling ontbonden zonder opgaaf van redenen. Je mocht aannemen dat Withers en zijn bentgenoten nu in ongenade waren gevallen, maar er was geen melding van het geval gemaakt in de kranten of op het telescherm. Dat viel ook niet te verwachten omdat politieke zondaars meestal niet voor een rechtbank verschenen of zelfs publiekelijk aangeklaagd werden. De grote zuiveringen, waarbij duizenden mensen betrokken waren, met openbare rechtszittingen en verraders en misdenkers die jammerlijk hun misdrijven bekenden en na afloop werden geëxecuteerd, waren bijzondere vertoningen die niet vaker dan eens in de paar jaar werden gegeven. Vaker kwam het voor dat mensen die zich het misnoegen van de Partij op de hals hadden gehaald, eenvoudig verdwenen en datje nooit meer iets van hen hoorde. Je had nooit het geringste idee wat er met hen gebeurd was. In sommige gevallen waren ze misschien niet eens dood. Van de mensen die Winston persoonlijk kende waren er, zijn ouders niet meegerekend, wel zo’n dertig verdwenen.