Winston streek zachtjes over zijn neus met een paperclip. In het hokje aan de overkant zat kameraad Tillotson nog steeds geheimzinnig over zijn spreekschrijver gedoken. Even hief hij het hoofd: weer die vijandige flits van zijn brillenglazen. Winston vroeg zich af of kameraad Tillotson soms bezig was met hetzelfde karwei als hij. Dat was heel goed mogelijk. Zo’n hachelijk stuk werk zouden ze nooit toevertrouwen aan één enkel persoon; als men het echter in handen gaf van een commissie zou dat betekenen dat men openlijk toegaf dat er geknoeid werd. Hoogstwaarschijnlijk was op het moment wel een dozijn mensen bezig met het schrijven van diverse lezingen van wat Grote Broer in werkelijkheid had gezegd. En straks zou een of ander kopstuk uit de Kernpartij één bepaalde versie kiezen, die nog wat bijvijlen en het gecompliceerde proces van controleverwijzingen in werking stellen, en dan zou de uitverkoren leugen haar weg naar de archieven vinden en waarheid worden.
Winston wist niet waarom Withers in ongenade was gevallen. Misschien wegens corruptie of onbekwaamheid. Misschien had Grote Broer alleen een al te populaire ondergeschikte willen lozen. Misschien was Withers of iemand uit zijn naaste omgeving verdacht van ketterse neigingen. Of misschien — en dat was het allerwaarschijnlijkst — was het alleen maar gebeurd omdat zuiveringen en vaporisaties een noodzakelijk onderdeel vormden van het regeermechanisme. De enige feitelijke vingerwijzing school in de woorden ‘verw onpersonen’, waaruit bleek dat Withers al dood was. Je mocht dat niet zonder meer aannemen als mensen werden gearresteerd. Soms liet men hen los en mochten ze vrij rondlopen, wel één of twee jaar lang, voordat ze terechtgesteld werden. Een doodenkele keer kwam het voor dat iemand die je al lang had doodgewaand, als een spookverschijning opdook bij een openbaar proces, waar hij dan over honderden anderen bezwarende verklaringen aflegde alvorens te verdwijnen, ditmaal voorgoed. Withers was echter al een onpersoon. Hij bestond niet; hij had nooit bestaan. Winston kwam tot de conclusie dat het niet voldoende zou zijn de tendens van Grote Broers rede gewoon om te keren. Het was beter hem te laten spreken over iets dat totaal niets met het oorspronkelijke onderwerp te maken had.
Hij zou de rede kunnen veranderen in de gebruikelijke aanval op verraders en misdenkers, maar dat was wat al te voor de hand liggend; het verzinnen van een overwinning aan het front of een prachtige overproductie binnen het Negende Driejarenplan zou weer te veel complicaties voor het archief opleveren. Wat hij nodig had was zuivere fantasie. Plotseling verscheen voor zijn geestesoog, kant-en-klaar als het ware, het beeld van ene kameraad Ogilvy, die kort tevoren was gesneuveld, onder heldhaftige omstandigheden. Het kwam wel vaker voor dat Grote Broer zijn dagorder wijdde aan de nagedachtenis van een of ander gewoon, eenvoudig Partijlid wiens leven en sterven hij ten voorbeeld stelde als waardig ter navolging. Vandaag zou hij kameraad Ogilvy herdenken. Weliswaar bestond iemand als kameraad Ogilvy helemaal niet, maar een paar regels in de krant en wat nepfoto’s zouden hem snel tot leven wekken.
Winston dacht even na, haalde toen de spreekschrijver naar zich toe en begon te dicteren in de gebruikelijke stijl van Grote Broer: een stijl die zowel militaristisch was als pedant, en gemakkelijk te imiteren, dankzij zijn hebbelijkheid om vragen te stellen en daar meteen op te antwoorden. (’Welke lessen leert dit feit ons, kameraden? Deze les — en dat is tevens een van de grondbeginselen van Engsoc — dat’ enzovoort enzovoort.)
Op driejarige leeftijd had kameraad Ogilvy geen ander speelgoed willen hebben dan een trommel, een stengun en een speelgoedhelikopter. Op zijn zesde — een jaar voordat het mocht, met speciale toestemming — was hij bij de Spionnen gegaan; op zijn negende was hij troepleider geweest. Op zijn elfde had hij zijn oom aangegeven bij de Denkpolitie, nadat hij een gesprek had afgeluisterd dat volgens hem getuigde van misdadige neigingen. Op zijn zeventiende was hij districtsorganisator geweest van het Antiseks Jeugdverbond. Toen hij negentien was had hij een handgranaat ontworpen die het Ministerie van Vrede had geaccepteerd en die bij de eerste proefneming eenendertig Euraziatische krijgsgevangenen in één klap had gedood. Op drieëntwintigjarige leeftijd was hij gesneuveld. Vijandelijke straalvliegtuigen hadden hem achtervolgd toen hij met belangrijke berichten boven de Indische Oceaan vloog; hij had toen zijn lichaam verzwaard met zijn mitrailleur en was uit de helikopter gesprongen, met berichten en al, boven volle zee — een einde, zo zei Grote Broer, waaraan men niet kon denken zonder gevoelens van afgunst. Grote Broer voegde er nog het een en ander aan toe over de zuiverheid en rechtlijnigheid van het leven van kameraad Ogilvy. Hij was geheelonthouder, rookte niet, zocht geen andere ontspanning dan zijn dagelijks uurtje in de sportzaal en had de gelofte afgelegd niet te zullen trouwen, omdat hij het huwelijk en de zorg voor een gezin onverenigbaar achtte met plichtsbetrachting gedurende vierentwintig uur per dag. Hij had geen enkel ander onderwerp van gesprek gehad dan de beginselen van Engsoc en geen enkel ander levensdoel dan het verslaan van de Euraziatische vijand en de opsporing van spionnen, saboteurs, misdenkers en alle andere soorten verraders.
Winston moest eerst met zichzelf overleggen of hij kameraad Ogilvy de Orde van Opvallende Verdienste zou toekennen: ten slotte besloot hij dat niet te doen wegens al die nodeloze verwijzingen die dat met zich mee zou brengen.
Opnieuw wierp hij een blik op zijn concurrent in het hokje aan de overkant. Iets leek hem met zekerheid te vertellen dat Tillotson bezig was met hetzelfde karwei als hij. Niemand kon weten wiens stuk uiteindelijk zou worden aangenomen, maar hij was er vanbinnen van overtuigd dat het zijn stuk zou zijn. Kameraad Ogilvy, die een uur geleden nog niet eens in de verbeelding had bestaan, was nu een feit. Het trof hem als merkwaardig dat je wel dode mensen kon scheppen, maar geen levende. Kameraad Ogilvy, die nooit levende werkelijkheid was geweest, bestond nu als dood verleden, en wanneer de vervalsing later was vergeten, dan zou zijn bestaan even echt zijn en op dezelfde bewijzen berusten als dat van Karel de Grote of Julius Caesar.
5.
In de kantine diep onder de grond, waar de zoldering laag was, stond men in de rij voor de lunch, en die rij ging langzaam, met schokjes, vooruit. De zaal was al overvol en er heerste een oorverdovend lawaai. Door het hek bij het buffet dampte de wasem van hutspot, met een zure, metalige geur die er niet geheel in slaagde de stank van Victorie-jenever te verdrijven. Aan het andere uiteinde van de zaal was een kleine bar, niet meer dan een doorgeefluik, waar je jenever kon kopen voor tien cent per flinke borrel.
‘Precies de man die ik zoek,’ zei een stem achter Winston.
Hij draaide zich om. Het was zijn vriend Syme, die op de Wetenschappelijke Afdeling werkte. Misschien was ‘vriend’ niet helemaal het juiste woord. Je had geen vrienden tegenwoordig, je had kameraden; maar er waren kameraden wier gezelschap aangenamer was dan dat van anderen. Syme was filoloog, specialist in Nieuwspraak. Hij maakte zelfs deel uit van het enorme team van deskundigen dat op het moment bezig was met de samenstelling van de elfde druk van het Nieuwspraakwoordenboek. Hij was maar een iel mannetje, kleiner dan Winston, met donker haar en grote, bolle ogen die tegelijkertijd treurig en spottend keken en die je gezicht nauwkeurig leken te onderzoeken terwijl hij met je praatte. ‘Ik wilde vragen ofjij soms scheermesjes hebt,’ zei hij.
‘Niet één!’ zei Winston met een zekere schuldige haast. ‘Ik heb het overal in de stad geprobeerd. Ze bestaan gewoon niet meer.’
Iedereen vroeg voortdurend naar scheermesjes. Eerlijk gezegd bezat hij er nog twee, en daar was hij zuinig mee. Er was de afgelopen maanden groot gebrek aan geweest. Telkens weer was er een of ander onmisbaar artikel dat de partijwinkels niet konden leveren. Soms waren het knopen, soms was het stopwol, soms waren het schoenveters; op het ogenblik waren het scheermesjes. Je kon ze alleen bemachtigen, misschien, door min of meer stiekem te scharrelen op de ‘vrije’ markt.