‘Ik gebruik nu al zes weken hetzelfde mesje,’ loog hij verder.
De rij ging weer met een schokje vooruit. Toen ze stilstonden draaide hij zich om en keek Syme weer aan. Beiden pakten ze een vettig metalen dienblad van een stapel op de hoek van het buffet.
‘Ben je gisteren nog gaan kijken naar het ophangen van de gevangenen?’ vroeg Syme.
‘Ik heb zitten werken,’ zei Winston onverschillig. ‘Ik zal het wel in de bios zien, neem ik aan.’
‘Een uiterst pover surrogaat,’ zei Syme.
Zijn spottende ogen gleden over Winstons gezicht. ‘Ik ken jou,’ leken die ogen te zeggen, ‘ik kijk dwars door je heen. Ik weet heel goed waarom je niet naar het ophangen van die gevangenen bent gaan kijken.’ Op een intellectuele manier was Syme venijnig recht in de leer. Hij had er altijd een hinderlijk genoegen in te praten over luchtaanvallen met helikopters op vijandelijke dorpen, over de processen en bekentenissen van misdenkers, de executies in de kelders van het Ministerie van Liefde. Als je met hem praatte, moest je proberen hem van zulke onderwerpen af te brengen en hem zo mogelijk aan de praat te krijgen over de technische problemen van Nieuwspraak, waarover hij met groot gezag en heel boeiend kon vertellen. Winston keerde zijn hoofd iets naar opzij om de onderzoekende blik van de grote donkere ogen te ontwijken.
‘Het was een goeie executie,’ zei Syme peinzend. ‘Volgens mij verpesten ze het als ze hun voeten aan elkaar binden. Ik zie ze graag trappelen. En vooral zoals ten slotte die tong eruit komt, zo blauw als die is, echt knalblauw. Dat is wat mij zo bijzonder aantrekt.’
‘Wie volgt!’ schreeuwde de prole met het witte schort en de opscheplepel.
Winston en Syme schoven hun dienbladen onder het hek door. In hoog tempo werd daarop de eenheidslunch neergesmakt — een metalen schaaltje met grijs-roze hutspot, een homp brood, een blokje kaas, een kroes zwarte Victorie-koffie en een saccharientje.
‘Daarginds is een tafeltje vrij, onder dat telescherm,’ zei Syme. ‘Laten we onderweg een borrel halen.’
De jenever werd geschonken in porseleinen mokken zonder oor. Ze baanden zich een weg door de volle zaal en zetten hun maal op het metalen tafeltje, waar iemand op een van de hoeken een kwak hutspot had achtergelaten, een vieze, nattige prut die veel weghad van braaksel. Winston pakte zijn mok jenever, wachtte even om moed te vergaren, en sloeg het vettig smakende spul achterover. Toen hij de tranen had weggeknipperd merkte hij plotseling dat hij honger had. Haastig begon hij de hutspot naar binnen te werken; tussen de blubber zaten stukjes van een sponzige roze substantie, vermoedelijk een vleesproduct. Geen van beiden zei nog iets tot de schaaltjes leeg waren. Aan het tafeltje links van Winston, vlak achter hem, zat iemand snel en onafgebroken te praten, een luid gekakel, een soort eendengesnater dat door het algemene lawaai in de zaal heen snerpte.
‘Hoe gaat het met het woordenboek?’ vroeg Winston met stemverheffing, om zich verstaanbaar te maken.
‘Het vordert langzaam,’ zei Syme. ‘Ik ben bezig met de bijvoeglijke naamwoorden. Fascinerend.’
Hij was meteen opgeleefd toen dit onderwerp werd aangesneden. Hij schoof zijn schaaltje opzij, pakte met een van zijn tengere handen zijn homp brood en met de andere de kaas, en leunde over de tafel om zonder geschreeuw te kunnen praten.
‘De elfde druk is de definitieve druk,’ zei hij. ‘Wij geven de taal nu haar uiteindelijke vorm — de vorm die ze zal hebben wanneer niemand meer iets anders spreekt. Als we klaar zijn zullen mensen als jij het weer helemaal van voren af aan moeten leren. Je denkt misschien dat ons voornaamste werk is het bedenken van nieuwe woorden. Maar dan vergis je je! Wij vernietigen woorden — tientallen, honderden, elke dag. We beperken de taal tot het uiterste. De elfde druk zal niet één woord bevatten dat vóór het jaar 2050 in onbruik zal raken.’
Hij hapte gulzig in zijn brood en slikte een paar keer; toen sprak hij verder met de hartstocht van een geleerde. Zijn magere, donkere gezicht stond levendig, zijn ogen hadden hun spottende uitdrukking verloren en keken bijna dromerig.
‘Dat is iets prachtigs, woorden vernietigen. De grootste verspilling vind je natuurlijk bij de werkwoorden en de bijvoeglijke naamwoorden, maar er zijn ook honderden zelfstandige naamwoorden die best weg kunnen. Het gaat niet alleen om de synoniemen; je hebt ook nog de antoniemen. Wat is per slot van rekening het bestaansrecht van een woord dat alleen het tegengestelde is van een ander woord? Elk woord bevat zijn eigen tegenstelling. Neem bijvoorbeeld “goed”. Als je een woord hebt als “goed”, waarvoor heb je dan een woord als “kwaad” nodig? “Ongoed” doet precies hetzelfde, het is zelfs beter, want dat is een precies tegendeel, en dat is het andere niet. En als je een sterkere vorm van “goed” nodig hebt, wat heeft het dan voor zin er een hele reeks vage, nutteloze woorden op na te houden als “uitstekend” en “prachtig” en al die andere? “Plusgoed” geeft de bedoeling weer; en “dubbelplusgoed” als je een nog sterkere term nodig hebt. Natuurlijk gebruiken we die vormen al, maar in de uiteindelijke versie van Nieuwspraak vind je niets anders. Ten slotte zal het hele terrein van goed en kwaad worden bestreken door slechts zes woorden — of eigenlijk maar één woord.
Zie je niet hoe mooi dat is, Winston? Het was natuurlijk oorspronkelijk een idee van G.B.,’ voegde hij eraan toe, als iets dat hij nu pas bedacht.
Een zekere lauwe geestdrift gleed over Winstons gezicht toen Grote Broer genoemd werd. Toch ontdekte Syme onmiddellijk zijn gebrek aan enthousiasme.
‘Jij hebt geen oprechte waardering voor Nieuwspraak, Winston,’ zei hij bijna treurig. ‘Zelfs als je het schrijft, denk je nog in Oudspraak. Ik heb een paar van die stukken gelezen die jij van tijd tot tijd in de Times schrijft. Ze zijn wel goed, maar het zijn vertalingen. In je hart zou je liever vasthouden aan Oudspraak, met al zijn vaagheid en zinloze betekenisnuances. Je snapt de schoonheid van de woordvernietiging niet. Weet je wel dat Nieuwspraak de enige taal ter wereld is waarvan de woordenschat elk jaar kleiner wordt?’
Winston wist dat natuurlijk. Hij glimlachte, meelevend, hoopte hij, omdat hij eigenlijk niets durfde te zeggen.
Syme hapte weer in het grauwe brood, kauwde even en vervolgde: ‘Begrijp je dan niet dat de hele bedoeling van Nieuwspraak is de denkruimte te beperken? Uiteindelijk zullen we misdenk letterlijk onmogelijk maken, omdat er geen woorden zullen zijn om die uit te drukken. Elk begrip dat je ooit nodig zou hebben zal door precies één woord worden uitgedrukt, waarvan de betekenis strak omlijnd is, terwijl alle bijbetekenissen zijn uitgewist en vergeten. Nu al, bij de elfde druk, zijn we daar niet ver van verwijderd. Maar het proces zal nog voortgaan, lang nadat jij en ik dood zijn. Elk jaar steeds minder woorden, en de bewustzijnsruimte telkens een beetje kleiner. Zelfs nu is er uiteraard geen reden of excuus voor het bedrijven van misdenk. Het is alleen een kwestie van zelfdiscipline, werkelijkheidscontrole. Maar ten slotte zal zelfs daaraan geen behoefte meer bestaan. De Revolutie zal volledig zijn zodra de taal volmaakt is. Nieuwspraak is Engsoc en Engsoc is Nieuwspraak,’ zei hij met een zekere mystieke voldoening. ‘Heb jij, Winston, wel eens bedacht dat er tegen het jaar 2050, op zijn allerlaatst, geen enkel menselijk wezen meer zal zijn dat een gesprek als wij nu voeren zou kunnen begrijpen?’
‘Behalve…’ begon Winston weifelend, toen zweeg hij.