Hij had haast gezegd: ‘Behalve de proles’, maar hij hield zich in omdat hij er niet helemaal zeker van was of zo’n opmerking niet enigszins onrechtzinnig was. Syme had echter geraden wat hij had willen zeggen.
‘Proles zijn geen mensen,’ zei hij achteloos. ‘Tegen 2050 — waarschijnlijk zelfs eerder — zal alle ware kennis van Oudspraak zijn verdwenen. De hele literatuur van het verleden zal vernietigd worden. Chaucer, Shakespeare, Milton, Byron — die zullen alleen nog bestaan in Nieuwspraakversies, niet alleen gewijzigd, maar wezenlijk veranderd in iets dat in strijd is met wat ze vroeger waren. Zelfs de literatuur van de Partij zal veranderen. Zelfs de leuzen zullen veranderen. Hoe kun je een leuze hebben als “vrijheid is slavernij” wanneer het begrip vrijheid is afgeschaft? Het hele denkklimaat zal anders zijn. Er zal zelfs geen denken bestaan, in onze zin. Rechtzinnigheid betekent: niet denken — geen behoefte hebben aan denken. Rechtzinnigheid is onbewustheid.’
Het zal niet lang duren, dacht Winston plotseling, in volle overtuiging, voordat Syme gevaporiseerd wordt. Hij ziet de dingen te scherp en praat te openhartig. De Partij houdt niet van zulke mensen. Op een dag zal hij verdwijnen. Dat kun je aan zijn gezicht zien.
Winston had zijn brood en kaas op. Hij ging een beetje schuin zitten op zijn stoel om zijn kroes koffie te drinken. Aan het tafeltje links van hem zat de man met de luide stem nog steeds te praten. Een jonge vrouw, misschien zijn secretaresse, die met haar rug naar Winston toe zat, luisterde naar hem en leek gretig in te stemmen met alles wat hij zei. Af en toe ving Winston een paar woorden op, bijvoorbeeld: ‘Je hebt zó volledig gelijk, ik ben het zó met je eens.’ Ze had een jeugdige en vrij domme vrouwenstem. Maar de andere stem zweeg geen moment, zelfs niet als het meisje iets zei. Winston kende de man van gezicht, hoewel hij alleen wist dat hij iets belangrijks deed op de Afdeling Romans. Het was een man van een jaar of dertig, met een forse nek en een grote, beweeglijke mond. Hij hield zijn hoofd wat achterover, en doordat hij in een bepaalde hoek zat, weerkaatste het licht in zijn brillenglazen en keek Winston in twee blikkerende rondjes in plaats van ogen. Het was haast griezelig dat je in de stroom van klanken die uit zijn mond kwam, bijna geen enkel woord kon onderscheiden. Eén keer ving Winston een fragment op — ‘volledige en definitieve uitroeiing van het Goldsteinisme’ — het kwam met een schok naar buiten, heel snel, als één stuk, als een brok zetsel uit een zetmachine. Voor de rest was het alleen maar geluid, kwak-kwak-kwak. En toch, al kon je eigenlijk niet horen wat de man zei, was er geen twijfel mogelijk aan de algemene strekking. Misschien schold hij op Goldstein en vroeg hij om strengere maatregelen tegen misdenkers en saboteurs, misschien ook ging hij tekeer tegen de wreedheden van het Euraziatische leger of prees hij Grote Broer of de helden aan het Malabarfront — dat maakte geen verschil. Wat het ook was, je kon er zeker van zijn dat het woord voor woord onvervalst rechtzinnig was, je reinste Engsoc. Terwijl hij keek naar het gezicht zonder ogen met de snel op en neer bewegende kaak, kreeg Winston het merkwaardige gevoel dat dit geen echt menselijk wezen was, maar een soort sprekende pop. Niet de hersens waren hier aan het woord; het was zijn strottenhoofd. Wat hij er allemaal uitsloeg bestond uit woorden, maar het was geen betoog in eigenlijke zin. Het was een onbewuste uiting van geluid, als het kwaken van een eend.
Syme had even gezwegen en tekende met de steel van zijn lepel figuren in de kwak hutspot. De stem aan de andere tafel kwaakte snel verder, gemakkelijk hoorbaar ondanks het kabaal om hen heen.
‘Er is een woord in Nieuwspraak,’ zei Syme, ‘ik weet niet of je het kent: eendenspraak. Het is een van die interessante woorden die twee tegengestelde betekenissen hebben. Wanneer je het gebruikt voor een tegenstander is het een scheldwoord; gebruik je het voor iemand met wie je het eens bent, dan prijs je hem.’
Syme wordt vast en zeker nog eens gevaporiseerd, dacht Winston opnieuw. Die gedachte stemde hem droevig, al wist hij best dat Syme op hem neerkeek en een beetje een hekel aan hem had en volstrekt in staat was hem aan te geven als misdenker als hij daar enige reden voor had. Op onnaspeurlijke wijze was er iets mis met Syme. Er ontbrak iets aan hem: discretie, reserve, een zekere domheid die hem had kunnen redden. Je kon niet beweren dat hij onrechtzinnig was. Hij geloofde in de beginselen van Engsoc, hij aanbad Grote Broer, hij juichte bij overwinningen, hij haatte ketters, niet alleen van ganser harte, maar ook met een rusteloos fanatisme en een kennis van de nieuwste verhoudingen waar een gewoon partijlid niet aan kon tippen. Toch was hij altijd vagelijk omgeven door een kwade reuk. Hij zei dingen die beter ongezegd hadden kunnen blijven, hij had te veel boeken gelezen, hij was een geregelde bezoeker van café De Kastanjeboom, een trefpunt van schilders en musici. Er bestond geen wet, zelfs geen ongeschreven wet, tegen bezoeken aan De Kastanjeboom, maar er leek een doem op dat café te rusten. De oude in ongenade gevallen leiders van de Partij waren daar vroeger bijeengekomen voordat ze ten slotte waren weggezuiverd. Goldstein zelf, zo zei men, was er soms geweest, jaren, tientallen jaren geleden. Het was niet moeilijk Symes lot te voorspellen. En toch stond het vast dat Syme, als hij ook maar drie seconden lang de aard van zijn, Winstons, geheime opvattingen doorzag, hem prompt aan de Denkpolitie zou verraden. Dat zou ieder ander overigens ook doen, maar Syme eerder dan anderen. Fanatisme was niet genoeg. Rechtzinnigheid was onbewustheid.
Syme keek op. ‘Daar heb je Parsons,’ zei hij.
Iets in de toon van zijn stem leek eraan toe te voegen: ‘Die verdomde idioot.’ Parsons, Winstons medebewoner van flatgebouw Victorie, baande zich inderdaad een weg door de zaal — een man van gemiddelde lengte, tonrond, met blond haar en het gezicht van een kikvors. Op zijn vijfendertigste had hij al een onderkin en een buikje, maar zijn bewegingen waren vlug en jongensachtig. Zijn hele uiterlijk was dat van een jongetje in het groot, en al droeg hij de voorgeschreven overall, je kon je hem haast niet anders voorstellen dan gekleed in het korte blauwe broekje, de grijze blouse en de rode halsdoek van de Spionnen. Als je aan hem dacht, zag je altijd knieën met vetplooien en opgerolde mouwen boven mollige armen. Parsons trok trouwens altijd meteen weer zijn korte broek aan zodra een gemeenschappelijk uitstapje of een sportieve activiteit hem daartoe de kans gaf.
Hij begroette Winston en Syme met een opgewekt: ‘Hallo, hallo!’ en ging aan het tafeltje zitten, waarbij hij een sterke zweetlucht verspreidde. Overal op zijn rozige gezicht parelde het vocht. Zijn vermogen tot zweten was onvoorstelbaar. In het Gemeenschapshuis kon je altijd aan het klamme handvat van de bat merken dat hij gepingpongd had. Syme had een strook papier te voorschijn gehaald, waarop een lange rij woorden stond, en hij zat die te bestuderen met een inktpotlood in de hand.
‘Kijk eens hoe die in schafttijd nog zit door te werken,’ zei Parsons en gaf Winston een por met zijn elleboog. ‘Wat een ijver, hè? Wat heb je daar voor je, ouwe jongen? Gaat mij boven de pet, denk ik. Zeg Smith, kerel, weet je waarom ik je hier achternaloop? Je hebt vergeten me die bijdrage te geven.’
‘Bijdrage waarvoor?’ vroeg Winston, terwijl hij automatisch naar zijn geld tastte. Iedereen moest ongeveer een kwart van zijn salaris reserveren voor vrijwillige bijdragen, die zo talrijk waren dat je ze maar moeizaam kon bijhouden.
‘Voor de Haatweek. Je weet wel — de huis-aan-huis-collecte. Ik ben penningmeester voor ons blok. We spannen al onze krachten in — we zullen ze eens wat laten zien. Ik zweer je, aan mij zal het niet liggen als ons ouwe flatgebouw Victorie niet de grootste verzameling vlaggen van de hele straat heeft. Twee dollar heb je me beloofd.’
Winston vond twee gekreukelde en vuile biljetten en gaf ze aan Parsons, die het bedrag noteerde in een opschrijfboekje, in het keurige handschrift van een ongeletterde.