‘Tussen twee haakjes, ouwe jongen,’ zei hij, ‘ik hoor dat die kleine rakker van me je gisteren heeft geraakt met zijn katapult. Ik heb hem daarvoor flink onder handen genomen. Ik heb hem zelfs gezegd dat ik die katapult zou afpakken als hij het nog eens doet.’
‘Hij was geloof ik een beetje uit zijn doen doordat hij niet naar de terechtstelling kon,’ zei Winston.
‘O ja — ik wou maar zeggen, daar spreekt de ware geest uit, hè? Deugnieten en rakkers zijn het, allebei, maar van geestdrift gesproken! Ze denken aan niks anders dan de Spionnen, en de oorlog natuurlijk! Weet je wat die kleine meid van mij vorige zaterdag heeft uitgehaald toen ze met haar troep naar buiten was, de kant van Berkhamsted op? Ze heeft twee andere meisjes meegenomen, de troep de troep gelaten, en de hele middag hebben ze een vreemde man achternagezeten. Ze hebben hem twee uur lang geschaduwd, dwars door de bossen, en toen ze in Amersham kwamen hebben ze hem overgegeven aan de politie.’
‘Waarom hebben ze dat gedaan?’ vroeg Winston, een beetje geschrokken. Parsons vervolgde triomfantelijk: ‘Mijn kleine meid was er zeker van dat het een soort geheim agent was, met een parachute naar beneden gekomen, je weet wel. Maar waar het nou om gaat, ouwe jongen, hoe dacht je dat ze hem het eerst in de gaten had gekregen? Ze zag dat hij een raar soort schoenen droeg — ze had nog nooit mensen met zulke schoenen gezien, zei ze. Dus was de kans groot dat het een buitenlander was. Pienter, niet, voor een kind van zeven?’
‘Wat is er met die man gebeurd?’ vroeg Winston.
‘Ja, dat weet ik natuurlijk niet. Maar het zou me niets verbazen als…’ Parsons deed alsof hij een geweer richtte en klikte met zijn tong om een schot te imiteren.
‘Mooi zo,’ zei Syme afwezig, zonder op te kijken van zijn strook papier.
‘Natuurlijk mogen we geen enkel risico lopen,’ zei Winston plichtmatig.
‘Ik wil maar zeggen, het is tenslotte oorlog,’ zei Parsons.
Als om dat te bevestigen klonk er trompetgeschal van het telescherm vlak boven hun hoofd. Ditmaal was het echter niet de aankondiging van een militaire overwinning, maar slechts een mededeling van het Ministerie van Welvaart.
‘Kameraden!’ riep een jeugdige, voortvarende stem. ‘Attentie, kameraden! Wij hebben schitterend nieuws voor u. Wij hebben de productieslag gewonnen! Nu alle gegevens binnen zijn over de fabricage van alle soorten consumptiegoederen, blijkt dat de levensstandaard het afgelopen jaar niet minder dan twintig procent is gestegen. Overal in Oceanië hebben vanmorgen onstuitbare spontane demonstraties plaatsgevonden, toen arbeiders fabrieken en kantoren verlieten en door de straten trokken met spandoeken waarop zij uiting gaven aan hun dankbaarheid jegens Grote Broer voor het nieuwe, heerlijke leven dat zijn wijs beleid ons heeft geschonken. Hier volgen enkele totaalcijfers. Voedingsmiddelen…’
De term ‘ons nieuwe, heerlijke leven’ keerde meermalen terug. Die was de laatste tijd in trek bij het Ministerie van Welvaart. Parsons, wiens aandacht was getrokken door het trompetgeschal zat met open mond eerbiedig te luisteren, in een soort stichtelijke verveling. Hij kon de cijfers niet volgen, maar begreep dat ze reden tot voldoening waren. Hij had een enorme, smerige pijp voor de dag gehaald, die al half vol verkoolde tabak zat. Nu het tabaksrantsoen honderd gram per week bedroeg, kon je maar zelden een pijp geheel vol stoppen.
Winston rookte een Victorie-sigaret, die hij zorgvuldig horizontaal hield. De nieuwe bon was morgen pas geldig en hij had nog maar vier sigaretten. Hij sloot zich nu af voor de geluiden van verder weg en luisterde naar de gegevens die uit het telescherm stroomden. Er leken zelfs demonstraties te zijn geweest om Grote Broer te danken voor de verhoging van het chocoladerantsoen tot twintig gram per week. En nog pas gisteren, bedacht hij, was aangekondigd dat het rantsoen zou worden verlaagdtox. twintig gram per week. Was het mogelijk dat ze dit slikten, na vierentwintig uur al? Ja, ze slikten het. Parsons slikte het zonder moeite, met dierlijke stompzinnigheid. Het wezen zonder ogen aan het andere tafeltje slikte het fanatiek, hartstochtelijk, met een woest verlangen om iedereen op te sporen, aan te geven en te vaporiseren die zou beweren dat het rantsoen vorige week nog dertig gram was geweest. Ook Syme — op een meer gecompliceerde manier waaraan dubbeldenk te pas kwam — ook Syme slikte het. Was hij dan de enige die in het bezit van een geheugen was?
De fantastische cijfers van de statistieken bleven maar uit het telescherm stromen. Vergeleken met vorig jaar was er meer voedsel, waren er meer kleren, meer huizen, meer meubels, meer pannen, meer brandstof, meer schepen, meer helikopters, meer boeken, meer baby’s — van alles was er meer, behalve van ziekte, misdaad en krankzinnigheid. Jaar na jaar en minuut na minuut vloog alles en iedereen met een vaart omhoog. Net als Syme daarstraks had Winston zijn lepel gepakt en zat hij daarmee te knoeien in de kleurloze saus die over de tafel droop — een lange uitloper smeerde hij uit tot een figuur. Vol wrok dacht hij na over de materiële kant van het leven. Was het altijd zo geweest als nu? Had voedsel altijd zo gesmaakt? Hij keek de kantine rond. Een overvolle zaal met lage zoldering, de muren smoezelig door contact met talloze lichamen; oude metalen tafels en stoelen die zo dicht opeen stonden dat je elkaar met de ellebogen aanraakte; kromme lepels; gedeukte dienbladen, grove witte mokken; alles was vettig, in elke barst zat vuil; en een zurige stank van slechte jenever en slechte koffie en hutspot uit blik en vuile kleren. Altijd kwamen je maag en je huid zo ongeveer in opstand, je had het gevoel dat men je iets onthield waar je recht op had. Hij had geen herinneringen aan volledig andere omstandigheden. In elke periode die hij zich duidelijk kon herinneren was er nooit echt genoeg te eten geweest, nooit hadden de mensen sokken of ondergoed gehad die niet vol gaten zaten, altijd waren de meubels oud en wrak geweest, de kamers onvoldoende verwarmd, de treinen van de ondergrondse overvol, de huizen in verval, het brood donker van kleur, thee een zeldzaamheid, koffie goor van smaak, sigaretten schaars — niets was goedkoop en overvloedig aanwezig, behalve synthetische jenever. En al werd het natuurlijk erger naarmate je lichaam verouderde, was het niet toch een teken dat het niet de natuurlijke orde der dingen was als het je wee om het hart werd door het ongemak en het vuil en de schaarste, de eindeloze winters, de kleverigheid van je sokken, de liften die nooit werkten, het koude water uit de kraan, de zanderige zeep, de sigaretten die uit elkaar vielen, het voedsel met zijn vreemde, akelige bijsmaak? Waarom zou je dat als ondraaglijk ervaren als je niet een soort oerherinnering had aan een tijd dat de dingen anders waren geweest?
Hij keek opnieuw de kantine rond. Bijna iedereen was lelijk en zou ook lelijk zijn geweest met andere kleren dan die eeuwige blauwe overalls. Aan het andere eind van de zaal zat een kleine man alleen aan een tafeltje, een man die merkwaardig veel weghad van een kever; hij dronk een kop koffie terwijl argwanende blikken uit zijn oogjes door de zaal schoten. Wat was het gemakkelijk, dacht Winston, als je niet om je heen keek, om te geloven dat het ideale lichaamstype van de Partij — grote, gespierde jongens en volboezemige meisjes, blond, vitaal, zongebruind en zorgeloos — ook echt bestond en zelfs overheerste. In werkelijkheid, voorzover hij het kon beoordelen, was de meerderheid van de mensen in Luchtstrook i klein, donker en lelijk. Het was merkwaardig zo talrijk als dat keverachtige type werd in de ministeries: dikke mannetjes die al heel vroeg zwaarlijvig werden, met korte beentjes waarmee ze haastig voortdribbelden, en bolle, ondoorgrondelijke gezichten met heel kleine oogjes. Dat was het type dat het best leek te floreren onder de heerschappij van de Partij.