Winston hield op met schrijven, voor een deel omdat hij kramp in zijn hand had gekregen. Hij wist niet waarom hij die hele lading onzin had opgeschreven. Maar het merkwaardige was dat, terwijl hij daarmee bezig was geweest, een heel andere herinnering helder naar voren was gekomen in zijn geest, zodat hij zich bijna in staat voelde die op te schrijven. Het was, dat begreep hij nu, om dat andere incident dat hij plotseling had besloten naar huis te gaan en vandaag met het dagboek te beginnen.
Het was die ochtend gebeurd op het ministerie, als je tenminste van zoiets vaags kon zeggen dat het gebeurd was.
Het was bijna elfhonderd geweest, en in de Afdeling Archieven, waar Winston werkte, waren ze begonnen de stoelen uit de hokjes te slepen om ze bij elkaar te zetten in het midden van de hal, tegenover het grote telescherm, klaar voor de Twee Minuten Haat. Winston was net gaan zitten in een van de middelste rijen toen twee mensen die hij van gezicht kende, maar met wie hij nooit een woord had gewisseld, opeens de ruimte waren binnengekomen. Eén van de twee was een meisje dat hij vaak in de gangen had gezien. Haar naam wist hij niet, maar wél dat ze werkte op de Afdeling Romans. Vermoedelijk — hij had haar namelijk een paar keer gezien met olie aan haar handen en met een moersleutel bij zich — had ze een technisch baantje bij een van de romanschrijfmachines. Het was een meisje van een jaar of zevenentwintig dat brutaal uit haar ogen keek, met dik donker haar, een sproetig gezicht en snelle, atletische bewegingen. Ze droeg een smalle rode sjerp, het symbool van het Antiseks Jeugdverbond, een paar maal rond het middel van haar overall gewonden, zo strak dat haar welgevormde heupen goed uitkwamen. Winston had haar nooit gemogen, vanaf het eerste ogenblik dat hij haar had gezien. En hij wist ook waarom. Het was om de sfeer van hockeyvelden en koude douches en groepsuitstapjes en algemene geestelijke reinheid die zij om zich wist te verspreiden. Hij had een afkeer van bijna alle vrouwen, en vooral van jonge en knappe. Het waren altijd de vrouwen, met name de jonge, die de Partij het fanatiekst steunden, alle leuzen slikten, aan amateurspionage deden en spiedden naar ketterijen. Vooral dit meisje gaf hem de indruk dat ze gevaarlijker was dan de meeste anderen. Een keer, toen ze in de gang langs elkaar liepen, had ze hem een snelle zijdelingse blik toegeworpen die regelrecht in hem leek door te dringen, en die hem even had vervuld van intense angst. Het was zelfs bij hem opgekomen dat ze misschien een agente van de Denkpolitie was. Dat was wel heel onwaarschijnlijk, maar hij voelde zich nog steeds merkwaardig ongemakkelijk, angstig en vijandig tegelijkertijd, telkens als ze ergens bij hem in de buurt was.
De ander was een man geweest, O’Brien heette hij, een lid van de Kernpartij, iemand met zo’n belangrijke en hoge positie dat Winston er maar een vaag idee van had. Er viel even een stilte onder de mensen rond de stoelen toen ze de zwarte overall van een lid van de Kernpartij zagen aankomen. O’Brien was een grote, zware man met een stierennek en een grof, grijnzend, bruut gezicht. Ondanks zijn vreeswekkend voorkomen bezat hij een zekere charme. De manier waarop hij de bril op zijn neus recht schoof werkte merkwaardig ontwapenend — op de een of andere manier leek dat eigenaardig beschaafd. Het was een gebaar dat, mocht iemand nog met zulke termen werken, had doen denken aan een achttiende- eeuwse edelman die een ander zijn snuifdoos aanbood. Winston had O’Brien misschien tienmaal gezien in ongeveer evenzovele jaren. Hij voelde zich hevig tot hem aangetrokken, en niet alleen omdat hij geïntrigeerd werd door de tegenstelling tussen O’Briens hoffelijk optreden en zijn uiterlijk van een beroepsbokser. Het kwam eerder door een heimelijke overtuiging — of misschien niet eens een overtuiging, alleen een zekere hoop — dat O’Brien politiek niet helemaal recht in de leer was. Iets in zijn gezicht wekte onweerstaanbaar die indruk. En misschien was het ook weer niet eens onrechtzinnigheid die op zijn gezicht te lezen stond, maar alleen intelligentie. In elk geval zag hij eruit als iemand met wie je zou kunnen praten, als je kans zag te ontkomen aan het telescherm en hem onder vier ogen sprak. Winston had nooit de geringste poging ondernomen om de juistheid van dit vermoeden na te gaan; zoiets was trouwens onmogelijk. Op dat moment had O’Brien op zijn polshorloge gekeken, hij had gezien dat het bijna elfhonderd was en kennelijk besloten in de Afdeling Archieven te blijven tot de Twee Minuten Haat voorbij waren. Hij was in dezelfde rij als Winston gaan zitten, een paar stoelen van hem vandaan. Een kleine vrouw met rossig haar, die in het hokje naast Winston werkte, zat tussen hen in. Het meisje met het donkere haar had vlak achter hen gezeten.
Even later was uit het telescherm achter in de ruimte een afgrijselijk, knarsend gepiep losgebarsten, als van een monsterlijke machine die nodig gesmeerd moest worden. Het was een geluid dat de rillingen over je rug joeg en je haren te berge deed rijzen. De Haat was begonnen.
Als gewoonlijk was op het scherm het gelaat verschenen van Emmanuel Goldstein, de Vijand van het Volk. Hier en daar was het publiek gaan sissen. De kleine vrouw met het rossige haar gaf een gilletje van angst en afkeer tegelijk. Goldstein was de renegaat en afvallige die eens, lang geleden (hoe lang, dat wist niemand precies), een van de leidende figuren in de Partij was geweest, bijna even hoog als Grote Broer zelf; later had hij zich ingelaten met contrarevolutionaire arbeid, hij was ter dood veroordeeld en op geheimzinnige wijze ontsnapt en verdwenen. De programma’s van Twee Minuten Haat wisselden van dag tot dag, maar er was er niet één waarin Goldstein niet als hoofdfiguur optrad. Hij was de oer-verrader, de eerste bezoedelaar van de zuiverheid van de Partij. Alle latere misdaden tegen de Partij, alle verraad, sabotagedaden, ketterijen, afwijkingen waren rechtstreeks aan zijn leer ontsproten. Ergens woonde hij nog en zat hij zijn samenzweringen uit te broeden: misschien ergens overzee, onder bescherming van zijn buitenlandse broodheren, misschien zelfs — zei het gerucht soms — in een schuilplaats in Oceanië zelf.
Winstons middenrif trok zich samen. Hij kon Goldsteins gezicht nooit aanzien zonder een pijnlijke mengeling van gevoelens. Het was een mager joods gezicht, met een grote kroezige aureool van wit haar en een klein sikje — een intelligent gezicht en toch op de een of andere manier het toonbeeld van verachtelijkheid, met een zekere seniele kindsheid in de lange dunne neus die halverwege een brilletje droeg. Het leek op de kop van een schaap, en ook de stem leek te blaten. Goldstein gaf zijn gebruikelijke aanval op de Partijbeginselen ten beste — zo’n overdreven en verdraaide aanval dat een kind erdoorheen had kunnen kijken, en toch net aannemelijk genoeg om iemand het angstige gevoel te bezorgen dat anderen met minder gezond verstand dan hij zelf, erdoor konden worden beetgenomen. Hij schold Grote Broer uit, hij noemde de Partij dictatoriaal, hij eiste onmiddellijke vrede met Eurazië, hij pleitte voor vrijheid van meningsuiting, vrijheid van drukpers, vrijheid van vergadering, vrijheid van denken, hysterisch schreeuwde hij dat de revolutie verraden was — en dat alles in een radde woordenvloed vol ingewikkelde termen, die een soort parodie was op de gebruikelijke stijl van de sprekers van de Partij, en die zelfs Nieuwspraakwoorden bevatte: eigenlijk méér Nieuwspraakwoorden dan enig partijlid in het gewone leven zou gebruiken. En aldoor, om niemand in twijfel te laten over de realiteit die schuilging achter al die bombast van Goldstein, marcheerden daar achter zijn hoofd over het telescherm de eindeloze colonnes van het Euraziatische leger — rij na rij van forsgebouwde kerels met nietszeggende Aziatische gezichten, die naar de voorgrond van het scherm zweefden en verdwenen, om te worden opgevolgd door anderen die precies op hen leken. Het doffe, ritmische dreunen van soldatenlaarzen vormde de achtergrond van Goldsteins blatend stemgeluid.
Nog voordat de Haat dertig seconden had geduurd was meer dan de helft van de mensen in de ruimte in onbeheerste woede uitgebarsten. Het zelfgenoegzame schapengezicht op het scherm en de vreeswekkende macht van het Euraziatische leger daarachter, dat was te veel; bovendien wekte Goldsteins gezicht of zelfs de gedachte aan hem automatisch vrees en woede. Als bron van haat was hij duurzamer dan Eurazië of Oost-Azië, want wanneer Oceanië met een van deze mogendheden in oorlog was, leefde het meestal in vrede met de andere. Het gekke was echter dat, hoewel Goldstein door iedereen werd gehaat en veracht, hoewel zijn theorieën elke dag en duizend keer per dag op de spreekgestoelten, op het telescherm, in kranten en boeken werden weerlegd, verpletterd, belachelijk gemaakt en voor aller ogen ontmaskerd als armzalige nonsens — dat ondanks dat alles zijn invloed nooit leek te verminderen. Steeds stonden er nieuwe sukkels klaar om door hem te worden verleid. Er ging geen dag voorbij zonder dat de Denkpolitie spionnen en saboteurs, die naar zijn aanwijzingen handelden, ontmaskerde. Hij was de generaal van een eindeloos schimmenleger, een ondergronds netwerk van samenzweerders die de omverwerping van de staat nastreefden. De Broederschap, zo heetten ze, zei men. Men fluisterde ook over een gruwelijk boek, een samenvatting van alle ketterijen, dat Goldstein had geschreven en dat hier en daar clandestien circuleerde. Het was een boek zonder titel. Als de mensen er al over spraken, dan zeiden ze gewoon: het boek.