Выбрать главу

Maar van zulke dingen wist men alleen via vage geruchten. De Broederschap noch het boek was een onderwerp waarover een gewoon partijlid zou beginnen als hij het maar even kon vermijden.

In de tweede minuut liep de Haat op tot razernij. De men­sen sprongen op uit hun stoelen en schreeuwden luidkeels in een poging dat gekmakende, blatende geluid op het scherm te overstemmen. De kleine vrouw met het rossige haar was vuurrood geworden en haar mond ging open en dicht als bij een vis op het droge. Zelfs O’Briens zware gezicht was rood aangelopen. Hij zat kaarsrecht op zijn stoel terwijl zijn machtige borstkas zwol en beefde alsof hij stand moest hou­den tegen een aanstormende golf. Het donkerharige meisje achter Winston was begonnen te krijsen: ‘Zwijn! Zwijn! Zwijn!’ en opeens greep ze een zwaar Nieuwspraakwoorden-boek en smeet dat naar het scherm. Het raakte Goldsteins neus en kaatste terug; de stem ging onverbiddelijk door. In een moment van helderheid ontdekte Winston dat hij met de anderen mee zat te brullen en met zijn hak verwoed tegen de spijl van zijn stoel trapte. Het afschuwelijke van de Twee Mi­nuten Haat was dat niemand hoefde te doen alsof, integen­deel, het was onmogelijk niet mee te doen. Binnen dertig se­conden was elk doen-alsof altijd overbodig. Een akelige exta­se van vrees en wraakzucht, een verlangen om te doden, te martelen, gezichten met een voorhamer in te slaan, leek door de hele groep heen te gaan als een elektrische stroomstoot, en zelfs tegen je wil veranderde je in een gillende idioot met ver­trokken gezicht. En toch was de woede die je voelde een ab­stracte, ongerichte emotie die van het ene object op het ande­re gericht kon worden, als de vlam van een snijbrander. Op een gegeven moment bijvoorbeeld was Winstons haat hele­maal niet op Goldstein gericht, maar op Grote Broer, de Par­tij en de Denkpolitie; en op zulke ogenblikken ging zijn hart uit naar de eenzame, bespotte afvallige op het scherm, de eni­ge hoeder van waarheid en gezond verstand in een wereld vol leugens. En toch was hij onmiddellijk daarna weer één met de mensen om zich heen en leek alles wat ze van Goldstein zei­den de waarheid. Op zulke momenten ging zijn heimelijke weerzin voor Grote Broer over in verering, en Grote Broer leek als een toren omhoog te rijzen, een onverschrokken, on­overwinnelijke beschermer die als een rots standhield tegen de horden van Azië; Goldstein wekte dan, ondanks zijn isole­ment, zijn hulpeloosheid en de twijfel of hij zelfs nog in leven was, de indruk van een sinistere tovenaar die alleen al door de macht van zijn stem in staat was het bouwwerk der bescha­ving te laten instorten.

Zelfs was het soms mogelijk je haat bewust op een ander te richten. Plotseling, verwoed gespannen, als iemand die ’s nachts tijdens een nachtmerrie zijn hoofd van het kussen wegdraait, slaagde Winston erin zijn haat voor het gezicht op het scherm over te brengen op het meisje achter zich. Leven­dige, stralende hallucinaties flitsten door zijn hoofd. Hij zou haar doodranselen met een gummiknuppel. Hij zou haar naakt aan een paal binden en haar met pijlen beschieten, als Sint Sebastiaan. Hij zou haar verkrachten en haar op het mo­ment suprème de keel afsnijden. Ook begreep hij nu beter dan daarvoor waarom hij haar haatte. Hij haatte haar omdat ze jong was en knap en geslachtsloos, omdat hij met haar naar bed wou en dat nooit zou doen omdat rond haar sierlijke slanke leest, die leek te vragen om een arm eromheen, die ver­vloekte rode sjerp zat, het agressieve symbool van kuisheid.

De Haat steeg ten top. De stem van Goldstein was overge­gaan in echt schapengeblaat, en even veranderde ook het ge­zicht in de kop van een schaap. Toen loste het schapengezicht op in de gestalte van een Euraziatische soldaat die groot en vreeswekkend leek op te marcheren, met ratelende stengun, en uit het scherm leek te springen, zodat sommige mensen op de voorste rij regelrecht terugdeinsden. Op hetzelfde mo­ment echter slaakte iedereen een diepe zucht van opluchting, want de vijandelijke gedaante ging over in het gelaat van Grote Broer met zijn zwarte haar, zijn zwarte snor, vol macht en mysterieuze rust, en zo groot dat hij bijna het hele scherm vulde. Niemand verstond wat Grote Broer zei. Het waren slechts een paar woorden van bemoediging, woorden zoals men die uitspreekt in het krijgsrumoer, die niet afzonderlijk te verstaan zijn, maar die vertrouwen wekken door het feit dat ze worden uitgesproken. Toen vervaagde het gezicht van Grote Broer weer en daarvoor in de plaats verschenen de drie leuzen van de Partij in grote hoofdletters:

OORLOG IS VREDE

VRIJHEID IS SLAVERNIJ

ONWETENDHEID IS KRACHT

Het gezicht van Grote Broer leek nog een paar seconden op het scherm te blijven hangen, alsof de indruk die het op ieders netvlies had gemaakt, te levendig was om meteen te verdwijnen. De kleine vrouw met het rossige haar was naar voren geschoten, over de rug van de stoel voor haar. Bevend stamelde ze iets dat klonk als ‘Mijn Verlosser!’, en ze strekte haar armen uit naar het scherm. Toen verborg ze haar gezicht in haar handen. Ze leek te bidden.

Op dat moment barstte de hele groep mensen los in een diepe, trage, ritmische zang: ‘G-B! … G-B! … G-B!’ —telkens en telkens weer, heel langzaam, met een ruime pauze tussen de ‘G’ en de ‘B’ een zwaar, murmelend geluid, op de een of an­dere manier merkwaardig wild, op de achtergrond leek je het gestamp van blote voeten en het gedreun van tamtams te ho­ren. Zo’n dertig seconden hielden ze dit vol. Het was een zang die wel vaker werd gehoord op ogenblikken van overweldi­gende emotie. Voor een deel was het een soort loflied op de wijsheid en verhevenheid van Grote Broer, maar meer nog was het een handeling van autosuggestie, een opzettelijk ver­dringen van het bewuste door middel van ritmische klanken. Winston voelde zich tot in zijn binnenste koud worden. In de Twee Minuten Haat kon hij er niets aan doen dat hij deelnam aan de algemene roes, maar dit minder-dan-menselijke ge­zang van ‘G-B! … G-B!’ vervulde hem altijd met afgrijzen. Natuurlijk zong hij mee met de anderen: je kon niet anders. Je gevoelens verbergen, je gezicht in bedwang houden, doen wat alle anderen deden, dat was een instinctieve reactie. Maar er was een flits van een paar seconden waarin de uitdrukking in zijn ogen hem had kunnen verraden. En precies op dat ogenblik had dat belangrijke incident plaatsgevonden — als het inderdaad had plaatsgevonden.

Hij had even de blik van O’Brien opgevangen. O’Brien was gaan staan. Hij had zijn bril afgezet en plaatste die nu weer op zijn neus met dat karakteristieke gebaar van hem. Maar er was een fractie van een seconde dat hun ogen elkaar ontmoetten, en zolang dat duurde wist Winston — ja, hij wist het! — dat O’Brien hetzelfde dacht als hij. Er was onmisken­baar een boodschap overgebracht. Het was of bij beiden de geest zich had geopend en de gedachten van de een via de ogen waren overgevloeid in de ander. ‘Ik ben ook zo,’ leek O’Brien tegen hem te zeggen. ‘Ik weet precies wat je voelt. Ik weet alles van je minachting, je haat, je weerzin. Maar maak je geen zorgen, ik sta aan jouw kant!’ En toen was de flits van verstandhouding voorbij geweest en stond O’Briens gezicht even ondoorgrondelijk als dat van alle anderen.