Выбрать главу

Dat was alles geweest, en hij voelde zich nu al onzeker of het wel echt was gebeurd. Er volgde nooit iets op zulke voor­vallen. Het enige effect was dat in hem de overtuiging, of hoop, bleef leven dat er behalve hijzelf nog andere vijanden van de Partij waren. Misschien waren de geruchten over enorme ondergrondse samenzweringen uiteindelijk toch waar — misschien bestond de Broederschap werkelijk! Het was, ondanks de eindeloze arrestaties en bekentenissen en te­rechtstellingen, onmogelijk zeker te weten of de Broeder­schap niet alleen maar een sprookje was. Sommige dagen ge­loofde hij erin, andere dagen niet. Er was geen bewijsmate­riaal, alleen vluchtige waarnemingen die alles of niets konden betekenen: flarden van toevallig opgevangen gesprekken, on­duidelijk gekrabbel in urinoirs — een keer zelfs, toen twee vreemden elkaar begroetten, een kleine handbeweging die een herkenningsteken had kunnen zijn. Het bleef allemaal bij gissingen; hoogstwaarschijnlijk had hij het zich allemaal ver­beeld. Hij was naar zijn hokje teruggekeerd zonder nog naar O’Brien om te zien. De gedachte nader in te gaan op hun vluchtig contact was nauwelijks bij hem opgekomen. Het zou onvoorstelbaar gevaarlijk zijn geweest, zelfs als hij had ge­weten hoe hij dat moest aanpakken. Eén seconde, twee se­conden lang hadden zij een dubbelzinnige blik gewisseld, en daar eindigde het verhaal. Maar zelfs dat was een gedenk­waardige gebeurtenis in de besloten eenzaamheid waarin de mensen gedwongen waren te leven.

Winston keerde terug naar de werkelijkheid en ging recht­op zitten. Hij liet een boer. De jenever in zijn maag brak hem op —

Hij richtte zijn ogen weer op de bladzijde. Hij kwam tot de ontdekking dat hij tijdens zijn hulpeloze overpeinzingen ook aan het schrijven was geweest, zo’n beetje automatisch. En het was niet meer datzelfde krampachtige, onhandige pootje van daarstraks. Zijn pen was met wellust over het gladde pa­pier gegleden en had met grote, duidelijke blokletters ge­schreven:

weg met grote broer weg met grote broer weg met grote broer

telkens en telkens weer, een halve bladzij vol.

Hij kon een gevoel van paniek niet onderdrukken. Dat was onzin, want het schrijven van die woorden was niets ge­vaarlijker dan zijn oorspronkelijke idee om een dagboek te beginnen; maar éven was hij geneigd de bedorven pagina’s uit het schrift te scheuren en de hele onderneming op te geven.

Hij deed het echter niet, omdat hij wist dat het zinloos was. Of hij nu schreef WEG MET GROTE BROER of dat hij dat naliet, het maakte geen verschil. Of hij doorging met het dag­boek of dat hij er niet mee doorging, maakte geen verschil. De Denkpolitie zou hem toch wel te pakken krijgen. Hij had de wezenlijke misdaad begaan waarin alle andere besloten la­gen, en zou die zelfs hebben begaan als hij nooit pen op pa­pier had gezet. Misdenk, zo noemden ze dat. Misdenk was niet iets wat altijd verborgen kon blijven. Misschien kon je ze een tijdlang met succes ontwijken, jarenlang zelfs, maar vroeg of laat kregen ze je toch te pakken.

Het gebeurde altijd ’s nachts — de arrestaties waren onver­anderlijk ’s nachts. Plotseling werd je uit je slaap gerukt, een ruwe hand schudde aan je schouders, lichten verblindden je ogen, een kring van harde gezichten rond je bed. In verreweg de meeste gevallen was er geen proces, er werd geen rapport uitgebracht over de arrestatie. De mensen verdwenen een­voudig, altijd gedurende de nacht. Je naam werd uit de bur­gerlijke stand gelicht, alle gegevens over wat je ooit had gedaan werden uitgewist, je hele bestaan werd ontkend en vervolgens vergeten. Je werd opgeruimd, vernietigd: gevaporiseerd luidde de technische term.

Even werd hij door een zekere hysterie overvallen. Hij be­gon te schrijven, een gejaagd, slordig gekrabbeclass="underline"

ze zullen me doodschieten kan me niet schelen ze zullen me een nekschot geven kan me niet schelen weg met grote broer ze zullen me een nekschot geven kan me niet schelen weg met grote broer ze geven je altijd een nekschot kan me niet schelen weg met grote broer…

Hij ging weer overeind zitten, een tikje beschaamd, en leg­de zijn pen neer. Vlak daarna schrok hij ontzettend. Er werd op de deur geklopt.

Nu al! Hij bleef muisstil zitten, in de ijdele hoop dat wie het ook mocht zijn, na een enkele poging zou weggaan. Maar nee, het kloppen werd herhaald. Uitstel zou het ergst van alles zijn. Zijn hart bonsde als een trommel, maar zijn gezicht had, door de gewoonte van jaren, waarschijnlijk geen uitdruk­king. Hij stond op en liep traag naar de deur.

2.

Toen zijn hand de deurknop beetpakte zag Winston dat hij het dagboek open op tafel had laten liggen. De hele bladzij stond vol WEG MET GROTE BROER, in letters die bijna zo groot waren dat men ze van de andere kant van de kamer zou kunnen lezen. Wat onvoorstelbaar stom van hem. Maar, zo besefte hij, zelfs in zijn paniek had hij het roomkleurige pa­pier niet willen besmeuren door het schrift dicht te klappen zolang de inkt nat was.

Hij hield zijn adem in en opende de deur. Onmiddellijk werd hij overspoeld door een warme golf van opluchting. Een kleurloze vrouw met hulpeloze ogen, piekerig haar en een doorgroefd gezicht stond in de gang.

‘O, kameraad,’ begon ze op klaaglijke jammertoon, ‘ik dacht al dat ik u hoorde binnenkomen. Zou u misschien kunnen meekomen en even kijken naar de gootsteen in onze keuken? Die is verstopt, en…’

Het was mevrouw Parsons, de vrouw van een buurman op dezelfde verdieping. (’Mevrouw’ was een woord dat bij de Partij niet bepaald in trek was — er werd van je verwacht dat je iedereen ‘kameraad’ noemde — maar tegenover sommige vrouwen gebruikte je het instinctief.) Het was een vrouw van een jaar of dertig, maar ze zag er veel ouder uit. Je kreeg de in­druk dat er stof in haar rimpels zat. Winston liep achter haar aan door de gang. Zulke klusjes waren een bijna dagelijkse er­gernis. Het flatgebouw Victorie was al oud, het dateerde uit 1930 of daaromtrent, en was nu deerlijk in verval. De kalk bladderde voortdurend van plafonds en wanden, de waterlei­dingen sprongen bij elke strenge vorst, zodra er sneeuw lag lekte het dak, de centrale verwarming brandde meestal op halve kracht, als die tenminste niet helemaal was afgesloten uit zuinigheidsoverwegingen. Afgezien van wat je zelf kon doen moesten reparaties worden goedgekeurd door vage co­mités, die in staat waren zelfs het inzetten van een ruit twee jaar uit te stellen.

‘Ik vraag het natuurlijk alleen omdat Tom niet thuis is,’ mompelde mevrouw Parsons.

De flat van de Parsons was groter dan die van Winston, en ook wel groezelig, maar op een andere manier. Alles zag er ge­deukt en afgetrapt uit, alsof de woning zojuist bezocht was door een wild beest. Sportartikelen — hockeysticks, bokshandschoenen, een kapotte voetbal, binnenstebuiten gekeer­de zweterige shorts — lagen overal op de vloer in het rond, en op de tafel zag hij een warboel van vuile borden en schriften vol ezelsoren. Aan de wanden hingen rode vlaggen van de Jeugdbond en de Spionnen en een levensgroot portret van Grote Broer. Het rook er als gewoonlijk, en als overal in het gebouw, naar gekookte kool, maar die lucht was vermengd met een scherpere geur van zweet, zweet dat — je wist dat zo­dra je het opsnoof, al was het moeilijk te zeggen hoe — afkom­stig was van iemand die er op dat moment niet was. In een andere kamer probeerde iemand met een kammetje en een stuk wc-papier mee te spelen met de militaire muziek die nog steeds uit het telescherm kwam.