Выбрать главу

‘Dat zijn de kinderen,’ zei mevrouw Parsons; ze wierp een beetje een angstige blik op de deur. ‘Ze zijn vandaag niet naar buiten geweest, en dus…’

Ze had de hebbelijkheid haar zinnen halverwege af te bre­ken. De gootsteen in de keuken stond bijna tot de rand vol met smerig, groenig water dat nog doordringender naar kool stonk. Winston knielde en keek de zwanenhals van de afvoer na. Hij had er een hekel aan zijn handen vuil te maken, en hij had een hekel aan bukken, want dat bezorgde hem altijd een hoestbui. Mevrouw Parsons stond hulpeloos toe te kijken.

‘Tom zou het natuurlijk in een oogwenk voor elkaar heb­ben als hij thuis was,’ zei ze. ‘Hij is gek op dat soort dingen. Hij is toch zo handig, hè, die Tom.’

Parsons was een collega van Winston op het Ministerie van Waarheid. Hij was een dikkige, maar actieve man van een verlammende stompzinnigheid, één brok imbeciele geest­drift, een van die volslagen blinde, toegewijde werkezels op wie — meer nog dan op de Denkpolitie — de stabiliteit van de Partij berustte. Op zijn vijfendertigste was hij zojuist tegen zijn zin uit de Jeugdbond gezet en vóór zijn overgang naar de Jeugdbond had hij het voor elkaar gekregen dat hij een jaar langer dan volgens de statuten was toegestaan, bij de Spion­nen mocht blijven. Op het ministerie was hij aangesteld in een ondergeschikte functie waarvoor geen intellectuele ver­mogens nodig waren, maar hij was wél een leidende figuur in de Sportcommissie en al die andere commissies die zich be­zighielden met het organiseren van groepsuitstapjes, sponta­ne demonstraties, spaaracties en vrijwilligerswerk in het alge­meen. Hij vertelde je kalm en trots, terwijl hij aan zijn pijp lurkte, dat hij zich de afgelopen vier jaar elke avond in het Gemeenschapscentrum had vertoond. Een overweldigende zweetlucht, een onbewust getuigenis van zijn energieke le­venswandel, volgde hem overal en bleef hangen als hij al lang weer was verdwenen.

‘Hebt u misschien een Engelse sleutel?’ vroeg Winston die aan de moer van de zwanenhals morrelde.

‘Een Engelse sleutel,’ zei mevrouw Parsons. Ze leek in een weekdier te veranderen. ‘Dat zou ik echt niet weten. Mis­schien dat de kinderen…’

Er klonk getrappel van laarzen en nog een riedel op de kam, toen stormden de kinderen de woonkamer binnen. Me­vrouw Parsons bracht hem de sleutel. Winston liet het water weglopen en verwijderde walgend een prop menselijk haar die de afvoer had verstopt. Hij reinigde zijn vingers zo goed mogelijk met het koude water uit de kraan en keerde terug naar de andere kamer.

‘Handen omhoog!’ krijste een woeste stem.

Een jongetje van negen, niet onknap, een echte vechters­baas, was van achter de tafel opgedoken en bedreigde hem met een kinderpistooltje, terwijl zijn zusje, een jaar of twee jonger, eenzelfde gebaar maakte met een stuk hout. Beiden waren gekleed in de korte blauwe broekjes, de grijze blouses en rode halsdoeken die het uniform waren van de Spionnen. Winston stak zijn handen op, maar kreeg het onplezierige ge­voel, omdat het knaapje zo kwaadaardig deed, dat het niet helemaal een spelletje was.

‘Jij bent een verrader!’ schreeuwde de jongen. ‘Jij bent een misdenker! Jij bent een Euraziatische spion! Ik schiet je dood, ik vaporiseer je, ik stuur je naar de zoutmijnen!’

Plotseling begonnen ze allebei om hem heen te dansen; ze schreeuwden ‘Verrader!’ en ‘Misdenker!’, waarbij het meisje alle bewegingen van haar broertje nadeed. Het had iets be­angstigends, als het gedartel van tijgerwelpen die binnen niet al te lange tijd zullen opgroeien tot menseneters. Er sprak een zekere berekenende wildheid uit de ogen van de jongen, een onmiskenbaar verlangen om Winston te slaan of te schop­pen, en het besef dat hij bijna groot genoeg was om zoiets te doen. Het was maar goed, dacht Winston, dat hij niet met een echt pistool rondliep.

De ogen van mevrouw Parsons schoten zenuwachtig heen en weer tussen Winston en de kinderen. Hier in de woonka­mer, waar het licht beter was, constateerde hij met belang­stelling dat er inderdaad stof in de rimpels van haar gezicht zat.

‘Ze worden zo lawaaiig,’ zei ze. ‘Ze zijn teleurgesteld om­dat ze niet naar het ophangen kunnen, dat is het hem. Ik heb het te druk om er met ze naartoe te gaan, en Tom komt niet op tijd thuis van zijn werk.’

‘Waarom gaan we niet naar het ophangen kijken?’ brulde de jongen. Zijn stem was opvallend luid.

‘Wil het ophangen zien! Wil het ophangen zien!’ zeurde het meisje dat nog aan het rondspringen was.

Die avond zou een aantal Euraziatische gevangenen, ver­oordeeld wegens oorjogsmisdaden, worden opgehangen in het park, herinnerde Winston zich. Zoiets gebeurde ongeveer eens per maand en het was een geliefd schouwspel. Kinderen drensden altijd om mee te mogen. Hij groette mevrouw Parsons en maakte dat hij de deur uit kwam. Maar hij had nog geen zes stappen in de gang gezet toen iets hem in zijn nek raakte, het deed afschuwelijk pijn. Het was of hij met rood­gloeiend ijzerdraad was gestoken. Hij draaide zich met een ruk om en zag nog net hoe mevrouw Parsons haar zoontje weer naar binnen sleurde, terwijl het kind een katapult in zijn zak stak.

‘Goldstein!’ brulde het ventje toen de deur achter hem dichtging. Wat echter nog de meeste indruk op Winston maakte was de blik van hulpeloze angst op het vale gezicht van de vrouw.

Terug in zijn flat liep hij snel langs het telescherm en ging hij weer aan de tafel zitten, terwijl hij nog steeds zijn nek wreef. De muziek van het telescherm was gestopt. In plaats daarvan las nu een afgebeten militaire stem, met een zeker wreed genoegen, een beschrijving voor van de wapenvoorzie­ningen van het nieuwe Drijvende Fort dat zojuist voor anker was gelegd tussen IJsland en de Faeraer.

Met die kinderen, dacht hij, moest die stakker van een vrouw een vreselijk leven hebben. Nog één, twee jaar, en ze zouden dag en nacht op haar loeren om haar op ketterijen te betrappen. Bijna alle kinderen tegenwoordig waren afschu­welijk. En het ergste was wel dat ze via organisaties als de Spi­onnen systematisch in kleine onhandelbare wilden werden veranderd, zonder dat dat in hen enige neiging tot rebellie te­gen de partijdiscipline wekte. Integendeel zelfs, ze aanbaden de Partij en alles wat erbij hoorde. De liederen, de optochten, de vaandels, de uitstapjes, het exerceren met namaakgeweren, het brullen van leuzen, de verering van Grote Broer — dat was voor hen allemaal een schitterend spel. Al hun wildheid werd naar buiten gericht, tegen de vijanden van de staat, tegen bui­tenlanders, verraders, saboteurs, misdenkers. Het was bijna normaal dat mensen van boven de dertig bang waren voor hun eigen kinderen. En terecht, want er was nauwelijks een week dat de Times geen bericht bracht dat beschreef hoe een of andere kleine gluiperige luistervink — ‘heldenkind’ was de gebruikelijke term — een compromitterende uitlating had op­gevangen en zijn ouders had aangegeven bij de Denkpolitie.

De pijn van het katapultschot was weggetrokken. Hij pak­te onverschillig zijn pen op en vroeg zich af of hij nog iets kon bedenken om in het dagboek te schrijven. Opeens moest hij weer aan O’Brien denken.

Jaren geleden — hoe lang was het? Het moest een jaar of ze­ven zijn — had hij gedroomd dat hij door een stikdonkere ka­mer liep. En iemand die opzij van hem zat, had toen hij langs­kwam gezegd: ‘Wij zullen elkaar ontmoeten op de plaats waar geen duisternis is.’ Het werd heel rustig gezegd, terloops bijna — een mededeling, geen bevel. Hij was gewoon doorge­lopen, niet blijven staan. Het merkwaardige was dat die woorden destijds, in die droom, niet veel indruk op hem had­den gemaakt. Pas later en geleidelijk aan leken ze van belang te zijn geworden. Hij kon zich niet meer herinneren of het voor of na die droom was dat hij O’Brien voor het eerst had gezien; ook kon hij zich niet herinneren wanneer hij voor het eerst de stem had herkend als die van O’Brien. Maar de her­kenning was gekomen. Het was O’Brien geweest die uit het duister tot hem had gesproken.