Winston had nooit met zekerheid kunnen nagaan — zelfs na de flitsende blik van deze ochtend kon hij nog geen zekerheid hebben — of O’Brien een vriend was of een vijand. Het leek er ook niet veel toe te doen. Er was een band van begrip tussen hen, en die was belangrijker dan genegenheid of geestverwantschap. ‘Wij zullen elkaar ontmoeten op de plaats waar geen duisternis is,’ had hij gezegd. Winston wist niet wat dat betekende, alleen dat het op de een of andere manier werkelijkheid zou worden.
De stem van het telescherm verstomde. Trompetgeschal weerklonk, helder en heerlijk, door de bedompte lucht. De stem ging krassend verder:
‘Attentie, attentie! Zojuist ontvangen wij nieuws van het Malabarfront. Onze strijdkrachten in Zuid-India hebben een grootse overwinning behaald. Ik ben gemachtigd te verklaren dat de actie waarover wij nu verslag uitbrengen, wellicht het einde van de oorlog binnen afzienbaar bereik brengt. Hier volgt het bericht…’
Dat kan alleen maar slecht nieuws zijn, dacht Winston. En jawel, na een bloederige beschrijving van de vernietiging van een Euraziatisch leger, met verbijsterende aantallen gesneuvelden en krijgsgevangenen, kwam de mededeling dat met ingang van volgende week het chocoladerantsoen van dertig gram tot twintig zou worden verlaagd.
Winston liet opnieuw een boer. Het effect van de jenever nam af en nu voelde hij zich slap. Van het telescherm klonk — om de overwinning te vieren, of om de gedachte aan nog minder chocola te verdringen — luid en schetterend ‘Oceanië, gij mijn land’. Daarbij hoorde je in de houding te gaan staan, maar op de plek waar hij nu zat was hij onzichtbaar.
‘Oceanië, gij mijn land’ maakte plaats voor lichtere muziek. Winston liep naar het raam, waarbij hij zijn rug naar het telescherm keerde. De dag was nog koud en helder. Ergens ver weg ontplofte een raketbom met een dof, dreunend geluid. Tegenwoordig kwamen er zo’n twintig of dertig per week op Londen neer.
Beneden op straat liet de wind het kapotte aanplakbiljet heen en weer fladderen, en af en toe verscheen en verdween het woord ENGSOC. De heilige beginselen van Engsoc.
Nieuwspraak, dubbeldenk, de veranderlijkheid van het verleden. Hij voelde zich alsof hij rondzwierf door wouden op de bodem van de oceaan, verloren in een monsterlijke wereld waar hij zelf het monster was. Hij was alleen. Het verleden was dood, de toekomst was onvoorstelbaar. Welke zekerheid had hij dat ook maar één enkel menselijk wezen dat nu leefde aan zijn kant stond? En hoe kon hij weten of de heerschappij van de Partij niet altijd zou duren? Bij wijze van antwoord verschenen de drie leuzen op de witte gevel van het Ministerie van Waarheid voor zijn ogen:
OORLOG IS VREDE
VRIJHEID IS SLAVERNIJ
ONWETENDHEID IS KRACHT
Hij haalde een vijfentwintig centstuk uit zijn zak. Ook daar stonden in fijne, duidelijke lettertjes dezelfde leuzen in gegrift, en aan de andere kant van het muntstuk was de beeldenaar van Grote Broer.
Zelfs vanaf de munt volgden de ogen je. Op geld, op postzegels, op boekomslagen, op vaandels, op posters en op de sigarettenpakjes — overal. Altijd sloegen die ogen je gade en altijd hield die stem je in haar greep. Of je nu sliep of wakker was, werkte of at, binnenshuis of buiten, in het bad of in bed — geen ontkomen aan. Niets was van jezelf, afgezien van die paar kubieke centimeters binnen in je schedel.
De zon stond nu in het westen en de ontelbare vensters van het Ministerie van Waarheid leken, nu het licht ze niet meer bescheen, grimmig als de schietgaten van een fort. De moed zonk hem in de schoenen tegenover die reusachtige piramide. Ze was te machtig, ze kon niet bestormd worden. Geen duizend raketbommen zouden haar kleinkrijgen. Opnieuw vroeg hij zich af voor wie hij het dagboek schreef. Voor de toekomst, voor het verleden — voor een tijd die wellicht denkbeeldig was. En straks wachtte hem niet de dood, maar vernietiging. Het dagboek zou tot as vergaan, en hijzelf tot lucht. Alleen de Denkpolitie zou lezen wat hij had geschreven, voordat ze het wegvaagden uit de werkelijkheid en de herinnering. Hoe kon je een beroep op de toekomst doen als er geen spoor van jou, zelfs geen stukje papier met een anoniem neergekrabbeld woord kon overblijven?
Het telescherm sloeg veertien. Over tien minuten moest hij weg. Om veertien dertig moest hij terug zijn op zijn werk.
Merkwaardigerwijs leek het slaan van de klok hem nieuwe moed te hebben geschonken. Hij was een eenzame geest die een waarheid uitsprak die niemand ooit zou horen. Maar zolang hij haar uitsprak werd op de een of andere ondefinieerbare manier de continuïteit niet verbroken. Niet door je uit te spreken, maar door bij je verstand te blijven zette je de menselijke erfenis voort. Hij ging terug naar de tafel, doopte zijn pen in de inkt en schreef:
Aan de toekomst of aan het verleden, aan een tijd wanneer de gedachten vrij zijn, wanneer de mensen onderling verschillen en niet eenzaam leven — aan een tijd wanneer waarheid bestaat en wat gedaan is niet ongedaan gemaakt kan worden.
Uit het tijdperk van eenvormigheid, uit het tijdperk van eenzaamheid, uit het tijdperk van Grote Broer, uit het tijdperk van dubbeldenk—gegroet!
Hij was al dood, dacht hij. Het leek of hij nu pas, nu hij zijn gedachten had kunnen formuleren, de beslissende stap had gezet. De gevolgen van elke daad liggen besloten in de daad zelf. Hij schreef:
Misdenk leidt niet tot de dood: misdenk is de dood.
Nu hij erkend had dat hij dood was, werd het van belang zo lang mogelijk in leven te blijven. Aan twee vingers van zijn rechterhand zaten inktvlekken. Dat was nu net het soort kleinigheid waardoor je je zou kunnen verraden. Een of andere overijverige snuffelaar in het ministerie (een vrouw waarschijnlijk: iemand als die kleine vrouw met dat rossige haar, of het donkere meisje van de Afdeling Romans) zou zich kunnen gaan afvragen waarom hij in de lunchpauze aan het schrijven was geweest, waarom hij een ouderwetse pen had gebruikt, hij had geschreven — en dan even een tip bij de juiste instantie. Hij ging naar de badkamer en boende zorgvuldig de inkt weg met de zanderige, donkerbruine zeep die je huid openhaalde als schuurpapier en in dit geval dus bijzonder geschikt was.
Hij borg het dagboek weer op in de la. Het had geen enkele zin te proberen het te verstoppen, maar hij kon op zijn minst controleren of het bestaan ervan was ontdekt of niet. Een haar over de bladranden was al te doorzichtig. Met zijn vingertop pikte hij een herkenbaar wittig stofvlokje op, dat hij op de hoek van het omslag deponeerde; daar zou het onvermijdelijk vanaf vallen, mocht iemand het schrift aanraken.
3.
Winston lag te dromen van zijn moeder.
Hij was, dacht hij, tien of elf geweest toen zijn moeder was verdwenen. Ze was een grote, statige, vrij zwijgzame vrouw geweest, met trage bewegingen en prachtig blond haar. Zijn vader herinnerde hij zich minder duidelijk als donker en slank, altijd gekleed in keurige donkere pakken (Winston wist vooral nog hoe bijzonder dun de zolen van zijn vaders schoenen waren geweest) en met een bril. Ze waren allebei kennelijk opgeslokt door een van de eerste grote zuiveringen van de jaren vijftig.
Op dit moment zat zijn moeder ergens ver onder hem, met zijn jongere zusje in haar armen. Hij herinnerde zich zijn zusje totaal niet, alleen als kleine, zwakke zuigeling die altijd stil was, met grote, waakzame ogen. Beiden keken omhoog naar hem. Ze zaten daar beneden in een soort onderaardse ruimte — de bodem van een put bijvoorbeeld, of een heel diep graf — maar de ruimte die toch al diep onder hem was, zakte nog verder weg. Ze zaten in de lounge van een zinkend schip en keken omhoog naar hem door water dat steeds donkerder werd. Er was nog lucht in de lounge, ze konden hem nog zien, en hij hen, maar ze zonken steeds dieper weg, weg in het groene water dat hen zo meteen voorgoed aan zijn blik zou onttrekken. Hij was hier buiten in het licht, in de lucht, terwijl zij werden meegezogen naar de dood, en ze waren daar beneden omdat hij hier boven was. Dat wist hij en dat wisten zij, en hij kon dat op hun gezicht lezen. Er was geen verwijt, in hun gezicht noch in hun hart, alleen de wetenschap dat zij moesten sterven opdat hij in leven zou blijven, en dat dat deel uitmaakte van de onvermijdelijke orde der dingen.