Hij kon zich niet herinneren wat er was gebeurd, maar hij wist in zijn droom dat hoe dan ook de levens van zijn moeder en zijn zusje waren opgeofferd voor zijn eigen leven. Het was zo’n droom die wel zijn karakteristieke droomsfeer behoudt, maar een vervolg is van je gedachten, en waarin je je bewust wordt van feiten en denkbeelden die zelfs nadat je wakker bent geworden nog nieuw en waardevol lijken. Wat Winston nu plotseling trof was dat de dood van zijn moeder, bijna dertig jaar geleden, tragisch en droevig was geweest op een manier die nu niet meer mogelijk was. Tragiek, zo begreep hij nu, hoorde bij de oude tijd, een tijd dat er nog een privéleven bestond, liefde en vriendschap, toen familieleden elkaar nog hielpen zonder te hoeven weten waarom. De herinnering aan zijn moeder deed zijn hart pijn omdat ze was gestorven uit liefde voor hem, toen hij nog te jong en zelfzuchtig was geweest om haar liefde te beantwoorden, en omdat zij op de een of andere manier, hoe, dat herinnerde hij zich niet, zichzelf had opgeofferd aan een opvatting van trouw die persoonlijk en onveranderlijk was. Zulke dingen, begreep hij nu, zouden tegenwoordig niet kunnen gebeuren. Tegenwoordig had men vrees, haat en pijn, maar geen waardige emoties, geen intens en diepgaand verdriet. Dat alles leek hij te zien in de grote ogen van zijn moeder en zusje, die naar hem opkeken door het groene water, honderden vadems diep en nog verder zinkend.
Opeens stond hij op kort, verend grasland, op een zomeravond, de schuine zonnestralen verguldden de bodem. Het landschap waarnaar hij keek kwam zo vaak in zijn dromen terug dat hij er nooit helemaal zeker van was of hij het ooit in werkelijkheid had gezien of niet. Als hij er bewust aan dacht, noemde hij het ‘Het Gouden Land’. Het was een oud weiland vol konijnenholen, met een voetpad dat erdoorheen slingerde en hier en daar een molshoop. In de rafelige heg aan de andere kant van het veld wiegden de takken van de iepen heel zacht in het briesje, waarbij het loof licht bewoog in dichte massa’s, als vrouwenhaar. Ergens vlakbij, maar niet zichtbaar, was een helder, traag voortkabbelend beekje waar serpelingen zwommen in het ondiepe water onder de wilgen.
Het meisje met het donkere haar kwam op hem toegelopen over het veld. Met ogenschijnlijk één enkele beweging rukte ze haar kleren van zich af en wierp die minachtend terzijde. Haar lichaam was blank en glad, maar het wekte geen begeerte bij hem; hij keek er haast niet naar. Wat hem op dat moment overweldigde was bewondering voor het gebaar waarmee ze haar kleren opzij had geworpen. De bevalligheid en zorgeloosheid ervan leken een hele cultuur weg te vagen, een compleet denksysteem, alsof Grote Broer en de Partij en de Denkpolitie op een hoop konden worden geveegd en naar het Niets verwezen, door één enkele prachtige beweging van een arm. Ook dat was een gebaar uit de oude tijd. Winston werd wakker met het woord ‘Shakespeare’ op de lippen.
Het telescherm liet een oorverdovend gefluit horen, dat dertig seconden lang aanhield op dezelfde toonhoogte. Het was zeven vijftien, tijd om op te staan voor kantoorpersoneel. Winston kwam moeizaam uit zijn bed — naakt, want een lid van de Randpartij kreeg maar drieduizend textielpunten per jaar, en een pyjama kostte zeshonderd — en greep een groezelig hemd en een onderbroek die over een stoel lagen. De ochtendgym zou binnen drie minuten beginnen. Een moment later werd hij overvallen door een hevige hoestbui, iets waarvan hij bijna altijd vlak na het ontwaken last had. Zijn longen werden zo volledig leeggepompt dat hij pas weer lucht kreeg door op zijn rug te gaan liggen en een paar keer diep adem te halen. Door het hoesten waren zijn aderen gezwollen, en de open spatader jeukte nu.
‘Groep dertig tot veertig!’ kefte een snerpende vrouwenstem. ‘Groep dertig tot veertig! Op de plaats, alsjeblieft. Dertig tot veertig!’
Winston sprong in de houding voor het telescherm, waarop reeds het beeld was verschenen van een lange vrouw, mager maar gespierd, gekleed in overgooier en sportschoenen.
‘Armen buigen en strekken!’ commandeerde ze. ‘Volg mijn tempo. Een, twee, drie, vier! Een, twee, drie, vier! Hup, kameraden, breng er eens een beetje leven in! Een, twee, drie, vier! Een, twee, drie, vier!…’
De pijn van de hoestbui had Winston niet helemaal doen vergeten wat hij had gedroomd, en de ritmische bewegingen van de oefening versterkten zijn herinnering. Terwijl hij mechanisch zijn armen naar voren en naar achteren liet gaan en zijn gezicht de uitdrukking van grimmig genoegen gaf die tijdens de ochtendgym passend werd geacht, worstelde hij zijn weg terug naar de schemerige tijd van zijn vroege jeugd. Dat was ontzettend moeilijk. Alles vóór het einde van de jaren vijftig was vervaagd. Als er geen objectieve gegevens waren waaraan je je kon vasthouden, verloor zelfs het patroon van je eigen leven zijn scherpe contouren. Je herinnerde je grote gebeurtenissen die naar alle waarschijnlijkheid helemaal niet hadden plaatsgevonden, je herinnerde je bijzonderheden zonder de sfeer te kunnen achterhalen en er waren grote lacunes waarin niets van enig belang leek te zijn gebeurd. Alles was vroeger anders geweest. Zelfs de namen van landen, en hun vorm op de kaart, waren anders geweest. Luchtstrook i bijvoorbeeld had destijds niet zo geheten: het had Engeland geheten, of Brittannië, al was Londen, daar was hij vrijwel zeker van, altijd Londen geweest.
Winston kon zich niet met enige precisie een tijd herinneren dat zijn land niet in oorlog was geweest, maar er was kennelijk een vrij lange periode van vrede geweest tijdens zijn kinderjaren, want een van zijn vroegste herinneringen was een luchtaanval die voor iedereen totaal onverwacht leek te zijn gekomen. Misschien was dat toen de atoombom op Colchester was gevallen. De luchtaanval zelf herinnerde hij zich niet, maar wel zijn vaders hand om de zijne, toen ze zich naar beneden haastten, omlaag, omlaag, omlaag, naar een ruimte ergens diep onder de grond, almaar in het rond langs een wenteltrap die metalig echode onder zijn voeten en waarvan zijn voeten op den duur zo moe werden dat hij was gaan snikken, zodat ze hadden moeten stoppen om uit te rusten. Zijn moeder was hen op haar trage, dromerige manier gevolgd, een heel eind achter hen. Ze droeg zijn kleine zusje — of misschien was het alleen een bundel dekens; hij wist niet zeker of zijn zusje toen al was geboren. Ten slotte waren ze in een rumoerige, stampvolle ruimte terechtgekomen, hij had het herkend als een station van de ondergrondse.
Overal op de stenen vloeren zaten mensen, en andere mensen zaten dicht opeengepakt op metalen stapelbedden. Winston en zijn moeder en vader hadden een plaats op de vloer weten te bemachtigen, en vlak bij hen zaten een oude man en een oude vrouw naast elkaar op een brits. De oude man had een net, donker pak aan, en een zwarte pet die naar achter was geschoven op zijn volmaakt witte haren; zijn gezicht was knalrood en zijn ogen waren blauw en stonden vol tranen. Hij stonk naar jenever. In plaats van zweet leek zijn huid jenever uit te wasemen, en men had zich kunnen voorstellen dat de tranen die uit zijn ogen rolden pure jenever waren. Hoewel hij lichtelijk aangeschoten was leed hij onder een of ander oprecht en ondraaglijk verdriet. Op zijn kinderlijke manier had Winston begrepen dat er zojuist iets verschrikkelijks was gebeurd, iets dat onvergeeflijk was en nooit meer goed kon worden gemaakt. Ook leek hij te weten wat het was. Iemand van wie de oude man had gehouden, zijn kleindochtertje misschien, was omgekomen. Om de paar minuten herhaalde de oude man: ‘We hadden ze niet moeten vertrouwen. Dat zei ik toch, ma, is het niet? Dat komt ervan als je ze vertrouwt. Ik heb het altijd al gezegd. We hadden ze nooit moeten vertrouwen, die sodemieters.’