Выбрать главу

Maar welke sodemieters ze niet hadden moeten vertrou­wen, dat kon Winston zich nu niet meer herinneren.

Ongeveer vanaf die tijd was er letterlijk onafgebroken oor­log geweest, al was het, om precies te zijn, niet altijd dezelfde oorlog. Tijdens zijn jeugd waren er gedurende een paar maanden verwarde straatgevechten geweest in Londen zelf, en daaraan bewaarde hij nog wat levendige herinneringen. Maar de geschiedenis van die hele periode navertellen, zeg­gen wie op een bepaald moment tegen wie vocht, zou volsla­gen onmogelijk zijn geweest, aangezien geen schriftelijke ver­slagen en geen gesproken woorden ooit melding maakten van een andere frontverdeling dan de huidige. Op dit ogenblik bijvoorbeeld, in 1984 (als het 1984 was), verkeerde Oceanië in oorlog met Eurazië en had het een bondgenootschap met Oost-Azië. In het publiek of onder vier ogen werd nooit toe­gegeven dat de drie mogendheden te eniger tijd andere fron­ten hadden gevormd. In werkelijkheid was het, zoals Win­ston heel goed wist, pas vier jaar geleden dat Oceanië in oor­log was geweest met Oost-Azië en een bondgenootschap met Eurazië had gehad. Maar dat was slechts een stukje heime­lijke kennis dat hij toevallig bezat omdat zijn geheugen on­voldoende onder controle stond. Officieel had de verande­ring van bondgenootschap nooit plaatsgevonden. Oceanië was in oorlog met Eurazië: dus was Oceanië altijd in oorlog geweest met Eurazië. De vijand van het moment was altijd de personificatie van het absolute kwaad, en daaruit volgde dat elk vroeger of toekomstig verdrag met die mogendheid on­denkbaar was.

Het griezelige was, zo bedacht hij voor de tienduizendste keer terwijl hij zijn schouders moeizaam naar achteren wrong (met de handen in de zij draaiden ze hun bovenlijf heen en weer, een oefening die goed voor de rugspieren heette) — het griezelige was dat het allemaal best waar zou kunnen zijn. Als de Partij haar hand in het verleden kon steken en van deze of gene gebeurtenis zei: dat is nooit gebeurd — dan was dat toch nog veel erger dan enkel marteling en dood?

De Partij zei dat Oceanië nooit een bondgenootschap met Eurazië had gehad. Hij, Winston Smith, wist dat Oceanië de bondgenoot van Eurazië was geweest, nog maar vier jaar gele­den. Maar waar bestond die kennis? Alleen in zijn eigen be­wustzijn, dat binnenkort tóch gedoemd was te verdwijnen. En als alle anderen de leugen die de Partij voorschreef aan­vaardden — als alle documenten hetzelfde zeiden — dan werd de leugen tot geschiedenis, dan werd ze waarheid.

‘Wie het verleden beheerst,’ zo luidde de partijleuze, ‘be­heerst de toekomst: wie het heden beheerst, beheerst het ver­leden.’ En toch was het verleden, al was het van nature veran­derbaar, in wezen nooit veranderd. Wat nu waar was, was altijd en eeuwig waar. Het was dóódsimpel. Daar was niets anders voor nodig dan een eindeloze reeks overwinningen op je eigen geheugen. ‘Realiteitscontrole’, noemden ze dat; in Nieuwspraak: ‘dubbeldenk’.

‘Op de plaats rust!’ blafte de gymjuffrouw, een tikje vrien­delijker.

Winston liet zijn armen zakken en vulde zijn longen lang­zaam met lucht. Zijn geest gleed weg in de doolhof van de dubbeldenkwereld. Weten en niet weten, besef hebben van volstrekte oprechtheid terwijl je tegelijkertijd zorgvuldig ge­construeerde leugens vertelde, terzelfder tijd twee meningen verdedigen die elkaar tenietdeden, in de wetenschap dat ze el­kaar tegenspraken en toch in beide geloven, logica tegen logi­ca in het veld brengen, de moraal afwijzen en je erop beroe­pen, geloven dat democratie onmogelijk was en dat de Partij de hoedster was van de democratie, alles vergeten wat verge­ten moest worden, en het dan weer in je geheugen terugroe­pen op het moment dat het nodig was, en het dan prompt weer vergeten, en bovenal datzelfde proces toepassen op het proces zelf — dat was het summum van spitsvondigheid: be­wust een toestand van onbewustheid opwekken en je dan op­nieuw onbewust worden van de hypnose die je zojuist had toegepast. Zelfs om het woord ‘dubbeldenk’ te kunnen be­grijpen was de toepassing van dubbeldenk nodig.

De gymjuffrouw zei dat ze weer in de houding moesten gaan staan. ‘En laten we nu eens zien wie van ons zijn tenen kan aanraken!’ zei ze geestdriftig. ‘Recht voorover uit de heu­pen, kameraden. «-twee! Een-twee!…’

Winston haatte deze oefening, die pijnscheuten van zijn hielen naar zijn billen joeg en vaak leidde tot een nieuwe hoestbui. Het lichtelijk aangename verdween uit zijn over­peinzingen. Het verleden, zo bedacht hij, was niet alleen ver­anderd, het was letterlijk vernietigd. Hoe kon je immers zelfs de meest voor de hand liggende feiten constateren als er bui­ten je eigen geheugen geen houvast bestond? Hij probeerde zich te herinneren in welk jaar hij voor het eerst gewag had horen maken van Grote Broer. Hij dacht dat het ergens in de jaren zestig moest zijn geweest, maar het was onmogelijk daar zeker van te zijn. In de geschiedenisboeken van de Partij trad Grote Broer uiteraard op als de leider en hoeder van de Revolutie sinds haar allereerste begin. Zijn heldendaden wa­ren geleidelijk verder teruggeschoven in de tijd, totdat ze nu reeds reikten tot in de sprookjeswereld van de jaren veertig en dertig, toen de kapitalisten met hun wonderlijke hoge hoe­den nog door de Londense straten reden in grote, glanzende auto’s of in glazen koetsen. Het viel niet na te gaan in hoever­re die legende waarheid was en in hoeverre verzinsel. Win­ston kon zich zelfs niet herinneren wanneer de Partij zelf was ontstaan. Hij dacht niet dat hij het woord Engsoc ooit vóór 1960 had gehoord, maar het was mogelijk dat het in zijn Oudspraakvorm — dat wil zeggen: ‘Engels socialisme’ — vóór die tijd gangbaar was geweest. Alles smolt weg in mist. Soms kon je echt de vinger leggen op een regelrechte leugen. Het was bijvoorbeeld niet waar, zoals in de geschiedenisboeken van de Partij werd beweerd, dat de Partij de vliegtuigen had uitgevonden. Vliegtuigen herinnerde hij zich al uit zijn vroegste jeugd. Maar bewijzen kon je niets. Er was nooit enig bewijsmateriaal. In zijn hele leven had hij maar één keer het onmiskenbare schriftelijke bewijs van de vervalsing van een historisch feit in handen gehad. En bij die gelegenheid…

‘Smith!’ gilde de stem van de helleveeg van het telescherm. ‘6079 Smith W! Ja, jij! Dieper buigen, vooruit! Dat kan je wel beter, je doet je best niet. Dieper, alsjeblieft. Zó is het beter, kameraad. En nu, op de plaats rust, de hele ploeg, en naar mij kijken.’

Winston voelde het klamme zweet over zijn hele lichaam. Zijn gezicht bleef volslagen ondoorgrondelijk. Nooit laten merken dat je geschrokken was! Nooit laten merken dat je kwaad was! Een bepaalde blik kon je al verraden. Hij keek toe hoe de leidster haar armen boven haar hoofd stak en — elegant kon je niet zeggen, maar opvallend precies en beheerst — vooroverboog en haar vingertoppen onder haar tenen duw­de.

‘Kijk, kameraden! Zó wil ik het jullie nu zien doen. Kijk maar eens naar mij. Ik ben negenendertig en ik heb vier kin­deren gehad. Kijk goed.’ Ze boog weer voorover. ‘Jullie zien het, mijn knieën zijn niet gebogen. Jullie kunnen dat alle­maal, als je maar wilt,’ voegde ze eraan toe terwijl ze weer overeind kwam. ‘Iedereen onder de vijfenveertig is heel goed in staat zijn tenen aan te raken. We hebben niet allemaal het voorrecht in de voorste linies te strijden, maar we kunnen ons op zijn minst allemaal fit houden. Denk aan onze jongens aan het Malabarfront! En de mariniers in de Drijvende For­ten! Bedenk maar eens wat dié moeten verduren. Probeer het nu nog eens. Zo is het beter, kameraad, zo is het véél beter,’ zei ze bemoedigend toen Winston met vertwijfelde inspan­ning erin slaagde met rechte knieën zijn tenen aan te raken, voor het eerst sinds jaren.