Выбрать главу

Cyane voelde een steek van teleurstelling over Gondolins vastberadenheid haar uit te leveren aan de graaf, maar voordat ze ook maar iets kon zeggen barstte Meroboth in een bulderend gelach uit. De anderen reageerden verbaasd. Meroboths ogen schitterden en hij keek Gondolin waarderend aan. ‘Eigenlijk bent u zo hopeloos nog niet, schone dame. Ik zou precies hetzelfde gedaan hebben.’

Gondolin was geschokt dat ze de goedkeuring van de magiër, die ze zo verafschuwde, kon wegdragen.

Dat was Cyanes zoetste wraak die nacht.

Tiron gaf zijn paard de sporen en vlug verlieten ze de muur van begroeiing. Achter hen hoorden ze graaf Thorvald vloeken. Cyane wist dat hij het niet zou opgeven. Niet omdat hij van haar hield, maar omdat zijn eer in het geding was. Geen enkele vrouw haalde het in haar hoofd van hem weg te lopen. Ze huiverde en trok haar mantel verder om zich heen.

In stilte reden ze verder. Na ongeveer een uur liet Meroboth Tiron halt houden. Hij gleed van Tirons paard af en klom moeizaam weer op het zijne. Cyane keek bezorgd toe. Ze vroeg zich af hoe oud Meroboth was. Zijn levendige ogen verdoezelden zijn ware leeftijd.

De magiër keek om. ‘We gaan naar Elder om wat voorraden in te slaan en dan steken we daar de grens naar Dwergenland over.’

‘Dwergen!’ Gondolin spuugde het woord bijna uit.

Cyane vond het allemaal erg spannend klinken. Ze was nooit verder geweest dan de landerijen van haar vader en nu gingen ze naar Elder, een van de vijf steden van Akonia, en dan naar Dwergenland. Nieuwsgierig ging ze naast Meroboth rijden. Ze had zoveel vragen. Hij glimlachte haar toe.

Cyane keek in zijn ogen. Zouden zijn twee broers op hem lijken? ‘Heeft u echt geen idee waar uwbroers zijn?’ vroeg ze.

‘Ik weet niet eens of ze nog leven,’ gaf Meroboth toe.

‘U zult ze wel heel erg missen,’ bedacht Cyane.

Meroboth dacht hier even over na. Toen knikte hij. ‘Ja, ik mis ze inderdaad. Of ik het nu wil of niet, ze zijn een deel van me.’

‘Lijken ze op u?’ vroeg Cyane.

Tiron, die achter hen reed, vroeg zich af wanneer de magiër het meisje het zwijgen op zou leggen. Meroboth hield er niet van om over zijn broers te praten. Maar tot Tirons verbazing gaf hij ook op deze vraag antwoord. ‘Melsaran en Mekaron hebben ongeveer hetzelfde uiterlijk als ik maar qua karakter zijn we heel verschillend.’

‘Ze kunnen vast niet zo goed toveren als u,’ zei Cyane.

Meroboth lachte spontaan om deze opmerking. ‘Daarin moet ik je toch teleurstellen,’ gaf hij ruiterlijk toe. ‘Ik hield er nogal van de bloemetjes buiten te zetten tijdens mijn leerperiode.’ Hij keek met een schuin oog naar Gondolin achter hen en besloot maar niet in details te treden. ‘Mekaron en Melsaran zijn beiden veel betere magiërs dan ik.’

Cyane kon zich dat niet voorstellen. ‘Maar als u niet weet waar ze zijn, hoe gaan we ze dan vinden?’

Meroboth vond dat een goede vraag, maar hij gaf niet graag toe dat hij de touwtjes niet zo strak in handen had als hij iedereen deed geloven. ‘Ik hoop dat Vélar meer informatie voor me heeft. Hij heeft overal zijn mannetjes zitten.’

‘Wie is Vélar?’ vroeg Cyane prompt.

‘Vélar is de koning van de dwergen. Hij is een oude vriend van me.’

Cyane wipte op haar paard op en neer van pure opwinding. In de afgelopen uren had ze al meer meegemaakt dan in de rest van haar leven en nu ging ze naar een heuse koning. De koning van de dwergen nog wel.

Tijdens hun gesprek was het bos minder dicht geworden. Cyane keek omhoog naar de lucht en zag dat die schemerig begon te worden. Er brak een nieuwe dag aan. Meroboth had het ook gezien en hij keek vragend om naar Tiron. ‘Is het veilig overdag te rijden?’ vroeg hij.

Tiron keek bedenkelijk. ‘Van graaf Thorvald hoeven we niet direct iets te vrezen,’ antwoordde hij voorzichtig.

‘Het gaat me om die twee verdomde feeën,’ zei Meroboth kernachtig, tot afschuw van Gondolin.

‘Adanar is voor het laatst gezien in Soronor. Ikor zit in Morfia,’ wist Tiron. ‘Toch zullen we moeten oppassen. Ze zullen wel mensen betaald hebben om naar ons uit te kijken.’

Meroboth knikte. ‘In het bos zijn we redelijk veilig en dat reikt bijna tot Elder. Vanavond kunnen we de stad binnenrijden. Vélar heeft me de naam gegeven van een smid bij wie we kunnen logeren.’

Langzaam reden ze verder. De vogels begonnen hun vrolijke liedjes te fluiten en de zon kwam op als een rode bal aan de strakblauwe hemel. De bomen ruisten zachtjes in de wind en de dennenbomen die hier en daar in groepjes tussen het andere groen stonden, verspreidden hun heerlijke geur.

Cyane snoof de frisse boslucht in. Die vulde haar longen en haar huid tintelde.

‘Mooi is het hier, hè?’ Tiron was ongemerkt naast haar komen rijden.

Ze keek hem stralend aan. ‘Ja. Heel mooi,’ zei ze.

Tiron glimlachte. ‘Ik hoop dat Meroboths verhaal je niet al te zeer heeft afgeschrikt.’

Cyane schudde vastberaden haar hoofd. ‘Nee. Dit is wat ik moet doen. Ik geloof dat ik altijd geweten heb dat er meer weggelegd was voor mij.’

‘Ja, misschien is dat inderdaad zo. Je was een bijzonder kind,’ zei Tiron in gedachten. Het was nauwelijks een compliment. Eerder het vaststellen van een feit.

Cyane had nu voor het eerst tijd Tiron eens goed te bekijken. Zijn groene ogen, die haar af en toe aan Meroboth deden denken, stonden ernstiger dan ze zich herinnerde. Zijn zwarte haar was verward en lang. Zijn kleding was vaal en hing slobberig om zijn lichaam. Hij was mager geworden. Waar had hij al die jaren gezeten? Ze durfde het hem niet te vragen.

‘Het zadel is erg mooi,’ zei ze.

‘Ik kon je niet op dat oude vod laten rijden. Dat past niet bij je,’ zei Tiron. Zijn woorden klonken aardig genoeg maar Cyane miste gevoel. Ze herinnerde zich Tiron als een warmvoelende jongeman. Deze Tiron leek zo afstandelijk en kil. Of verbeeldde ze zich dat maar omdat ze zo graag wilde dat hij aardig tegen haar was? Ze hoopte maar dat hij haar niet langer als een onnozel wicht zag. Ze vond het plotseling heel belangrijk wat hij van haar dacht.

Zwijgend reden ze verder. De zon kwam hoog aan de hemel te staan en het werd warm. Gondolin had een prachtig versierde waaier te voorschijn gehaald en bewoog die vinnig heen en weer terwijl ze met haar andere hand de teugels krampachtig vasthield. Meroboth bekeek het tafereel geamuseerd. Hij haalde uit zijn zadeltas een kruik te voorschijn en nam er een flinke teug uit. Gondolin hield hem wantrouwend in de gaten toen hij de kruik doorgaf aan Tiron. Ook hij nam een grote slok voordat hij de kruik aan Cyane gaf.

‘Blijf daarvan af,’ snauwde Gondolin onmiddellijk.

Cyane keek haar verbaasd aan. ‘Ik heb dorst.’

‘Niet naar dat,’ beet Gondolin haar toe en ze klapte met een fel gebaar haar waaier in.

Cyane keek naar de kruik en toen naar Gondolin. Ze had het warm en haar keel snakte naar iets verkoelends. Zonder aarzelen zette ze de kruik aan haar mond en dronk. Het was geen damesachtig gezicht, maar het verkoelende water liep door haar mond en keel. Cyane had nooit geweten dat water zo lekker kon zijn.

‘Cyane!’ riep Gondolin.

‘Geef haar die kruik, meisje,’ gebood Meroboth. ‘We willen niet dat ze uitdroogt.’

‘Ik drink dat niet,’ zei Gondolin verontwaardigd.

‘Als u ziek wordt, schone dame, laat ik u achter,’ zei Meroboth.

Gondolin keek hem aan en haar blik verried dat ze wist dat Meroboth daartoe in staat was. Ze stak haar slanke hand uit naar Cyane, die haar meteen de kruik overhandigde. Onhandig zette Gondolin de kruik aan haar mond en nam een klein slokje. Verbaasd bekeek ze vervolgens de kruik. ‘Maar dit is water!’ riep ze.

Meroboths gezicht baadde in een waas van onschuld. ‘Maar natuurlijk is dat water. Wat dacht u dan, schone dame?’

Gondolin verkoos te zwijgen en Tiron grinnikte. De kruik ging nog een keer rond en dit keer dronk ze wat meer.

Zes

In alle rust reden ze door het bos in de richting van Elder.

Rond het middaguur gunde Meroboth iedereen een tijdje rust voor de lunch. Hij had niet meer te bieden dan een paar sneetjes witbrood met wat oude kaas. Toch smaakte het Cyane uitstekend na een nacht en ochtend rijden.