Выбрать главу

‘Dat dacht ik al,’ zei Vélar met een veelbetekenende blik naar de meestersmid.

‘Maar iemand moet mijn zwaard beschermen,’ bracht Giffor in. ‘Waar het zwaard gaat, daar ga ik.’

Meroboth trok zijn wenkbrauwen op en keek naar een wanhopig nee schuddende Sirus.

‘Tja,’ zei Meroboth.

‘Als er iets met het zwaard gebeurt, ben ik de enige die het kan repareren,’ zei Giffor fel.

‘Dat is waar,’ gaf Meroboth met tegenzin toe.

‘Dus ik ga mee.’ Giffor sloeg vastbesloten zijn armen over elkaar.

Meroboth wees naar Cyane en Gondolin. ‘Weet je dat zeker, Giffor? Zij reizen namelijk ook mee en, zoals je misschien wel ziet, zijn dat vrouwen.’

Giffor wierp hem een vernietigende blik toe, liep naar Cyane en ging demonstratief naast haar staan.

De magiër zuchtte instemmend. ‘Ik zal nog maar geen bruiloftskleed bestellen.’

‘Grmpf,’ zei Giffor na een waarschuwende blik van zijn koning.

Cyane besefte dat Meroboth de dwerg wel mee moest nemen. Giffor had het zwaard bijna geheel alleen geschapen. Hij kende alle aspecten van het machtige wapen. Vanaf nu zaten ze vast aan het zeer onaangename gezelschap van de dwergse meestersmid.

‘Nou, laten we dan maar gaan,’ zei Meroboth.

‘Wacht even,’ riep Cyane. ‘Tiron is er nog niet.’

‘Tiron is al weg,’ zei Meroboth plompverloren.

Cyane werd bleek en wendde zich verbaasd tot de oude man. ‘Weg?’ herhaalde ze.

‘Weg ja, inderdaad,’ zei Meroboth, die te doen had met Cyane en zich daarom ongemakkelijk begon te voelen. Hij voorzag vrouwentranen en daar kon hij niet tegen. ‘Hij reist vooruit door Akonia om informatie in te winnen over Orion. Ik heb er geen zin in om bij hem voor de deur te staan als hij niet meer met ons meedoet.’

‘Gaan wij dan niet door Akonia?’ vroeg Cyane.

‘Nee, wij gaan door Varénia naar de Zwarte Rivier. Dat is veiliger en bovendien wil ik je nog iets laten zien,’ zei Meroboth.

‘Maar Mekaron woont in het Feeënrijk en dat is de andere kant op,’ protesteerde Cyane. Niet alleen was ze geschokt door Tirons onverwachte vertrek, ze moest nu ook denken aan de woorden van Melsaran, die had gezegd dat ze Mekaron zo snel mogelijk moesten vinden zodat de watermagiër hen kon beschermen.

‘De feeën zijn grotendeels aanhangers van Tronador, Cyane. Het is voor ons levensgevaarlijk daar. Adanar en Ikor hebben er veel vrienden die tegen de juiste betaling alles voor hen doen. Ik kan dat land alleen maar binnen met de hulp van Orion.’

Cyane beet op haar lip. Ze wist dat ze niets aan de situatie kon veranderen. Tiron was weggegaan zonder afscheid van haar te nemen. Het zou heel lang duren voor ze hem weer zag. Ze was boos en verdrietig tegelijk. Waarom was hij niet naar haar toe gekomen? Triest haalde ze haar schouders op. Lusteloos nam ze afscheid van de dwergenkoning. Ondanks de aanwezigheid van Meroboth, Sirus en Gondolin had ze zich nog nooit zo eenzaam gevoeld als op dat moment.

Meroboth leidde hen het paleis uit na een hartelijk afscheid van Vélar, die beloofde hen te berichten over alles wat van belang was.

Het kostte de groep een dag om uit het Mindorgebergte te komen. Ze zaten nu in het noorden van Dwergenland, in een ander gebied dan waar ze het gebergte in waren gegaan. Tot Cyanes verbazing stonden hun paarden klaar bij de poort die hen uit het Mindorgebergte zou leiden. Horizon leek blij haar te zien. Hij besnuffelde haar gretig, maar juist Horizon herinnerde haar aan Tiron en dat deed haar pijn.

Terwijl de zon boven hen onderging, trok het gezelschap het diepe bos in, waardoor ze naar Varénia zouden gaan. Cyane keek nog een keer om naar Mindorgebergte, dat hoog boven hen uittorende. Toen tuurde ze vooruit. Ze moest door. Ze klopte Horizon op zijn hals en verdween met de rest van haar gezelschap tussen de bomen.

Dertien

Eeri witte merrie met daarop de lange en slanke gestalte van Tiron begaf zich naar het Meer van Bendar. Een nieuwe dag was net aangebroken en door het schemerlicht viel de motregen gestaag naar beneden. Tiron rilde en trok zijn bruine mantel dichter om zich heen. Somber staarde hij voor zich uit. Vandaag zou ook Cyane het Mindorgebergte verlaten. Hij had dat een dag eerder gedaan via dezelfde toegang als waar ze waren binnengekomen. Zijn paard had daar al klaargestaan. Het dier was goed gevoed en verzorgd, maar hij had dan ook niets anders van de dwergen verwacht.

Hij was gewend op zichzelf te reizen. Hoewel hij altijd veel had opgetrokken met Meroboth, waren er ook maanden geweest dat hij alleen was geweest. Meestal om voor de magiër een persoonlijke boodschap over te brengen naar een van zijn vrienden, soms ook omdat hij er behoefte aan had om alleen te zijn.

Tiron hield veel van Meroboth, maar af en toe werd diens sprankelende gezelschap hem te veel. De magiër zat altijd vol sterke verhalen. Hoewel hij dat nog altijd liever had dan de oude man die hij nu had achtergelaten.

Nu had Tiron er echter moeite mee om alleen te zijn. Hij had niet meer naar de eenzaamheid van het landschap gesnakt sinds hij Cyane weer had ontmoet.

Hij probeerde zijn gedachten te verzetten. Een glimlach verscheen op zijn gezicht. Straks zou hij zijn oude vrienden Taven en Pernice weer zien. Ze zouden hem met hun boot opwachten aan de oevers van het Meer van Bendar. Dit vooruitzicht vrolijkte hem op. Hij gaf zijn paard de sporen en liet het door het bos draven. De stammen snelden aan hem voorbij en de wind gleed door zijn haren. Tiron ademde de zoete boslucht in. Hij voelde de regen op zijn gezicht. Een gevoel van vrijheid overweldigde hem.

Hij hield een flink tempo aan en aan het eind van de middag was hij bij het grote meer.

Tiron grijnsde toen hij de oever bereikte. Het uitzicht over het enorme water werd bedorven door een afzichtelijk schip dat aan de kant lag te wachten. Hij had zich vaak afgevraagd hoe hij het bouwsel aan anderen zou moeten beschrijven.

Dit schip was de nachtmerrie van elke scheepsarchitect. Het mocht dan ook nauwelijks het woord ‘schip’ dragen, louter en alleen omdat het toevallig dreef en zelfs daarvoor waren enige wetten der natuurkunde drastisch overschreden. Het gevaarte had de vorm van een driehoek. Hierop stonden twee huisjes en diverse masten waaraan zeilen hingen die er gehavend uitzagen. Op de dekruimte die nog over was, stonden kisten en tonnen en er lagen zelfs balen hooi. De huisjes waren begroeid met mos en zagen eruit alsof ze honderden jaren oud waren en elk moment in elkaar konden storten.

Uit een van de huisjes kwam een man naar buiten. Hij wierp toevallig een blik op de oever en ontwaarde Tiron. Onmiddellijk spleet zijn bolle gezicht in tweeën door een enorme lach. ‘Tiron, jongen! Welkom,’ riep hij schallend over het water.

‘Hallo, Taven,’ riep hij terug.

Achter de man dook een vrouw op. Ze zwaaide driftig naar hem.

‘Dag, Pernice,’ begroette Tiron ook haar. Hij wendde zijn paard naar de rand van het water.

Taven rende zo snel zijn korte benen hem konden dragen naar iets dat doorging voor een reling. Haastig pakte hij een plank en gooide die op het water. Tiron sprong van zijn paard en leidde het tegenstribbelende dier het schip op.

‘Ik heb ruimte voor hem gemaakt in de stal, Tiron,’ riep Pernice, wijzend naar het andere gebouwtje.

Hij knikte en liep omzichtig met zijn rijdier om de tonnen en kisten heen in de richting van de stal. Ook die zag er rommelig uit. Er liepen twee varkens, flink wat kippen en er stonden nog twee andere, enigszins vale paarden.

Hij bond zijn merrie vast en liep weer naar buiten. Daar stonden Taven en Pernice hem al op te wachten. Voor hij er erg in had werd hij tegen Pernices gezette lichaam getrokken en flink geknuffeld. Daarna onderging hij hetzelfde ritueel nog een keer bij Taven.

Met een warme blik keek Tiron naar zijn twee vrienden. Hij kende hen al heel lang. Hij had hen ontmoet tijdens een van zijn omzwervingen weg van Meroboth. Taven en Pernice waren toen net in wat wettelijke moeilijkheden geraakt in het Feeënrijk en hij had ze helpen ontsnappen. De feeën waren daar niet erg blij mee geweest, maar Taven en Pernice wel. Gastvrij hadden ze hem uitgenodigd op hun schip en daar was hij lang gebleven. Je moest wel van het tweetal gaan houden. Ze waren zo warm, hartelijk, onbevangen en naïef. Taven was een dikke, vrolijke man, vol met allerlei onmogelijke plannen. Hij mocht zich graag inbeelden dat hij een groot uitvinder was die Akonia verrijkte met de bouwsels van zijn geest, zoals dit woonschip. Oorspronkelijk kwam hij uit Asser, de hoofdstad van Akonia. Daar was hij lang geleden begonnen als smid, maar hij kon niet op tegen de dwergse concurrentie. Het werkelijke leven viel Taven niet mee en daarom ontvluchtte hij dat door constant te reizen.