De eenhoorns, die van nature al niet van de nacht hielden, waren onrustig en af en toe steigerden de prachtige dieren heftig. Ze waren allemaal dan ook blij toen eindelijk de dag aanbrak en een stralende zon boven de bergen verscheen. Desondanks was het koud op de hoogte waar ze nu waren. De toppen, bedekt met sneeuw, waren goed zichtbaar.
Tiron merkte in de loop van de dag dat de houding van de vijf elfen veranderde. Ze babbelden vrolijk met elkaar en betrokken ook Tiron bij het gesprek. In de loop van de dag, terwijl ze het pad bleven volgen, vertelde Pendaro Tiron de laatste gebeurtenissen. Hij zei dat Dinang zich ongeveer een jaar geleden openlijk tegen Orion begon te keren, maar iedereen wist dat er al langer spanningen waren tussen de elfenkoning en zijn oudste zoon. Dinang verweet zijn vader een zwak optreden na het overlopen van Fodan en Gir. Orion kwam die klap maar niet te boven en deed krampachtige pogingen het contact met zijn twee zonen, die een groot stuk land hadden in het Rijk der Duisternis, te behouden. Dit stond volgens Dinang nagenoeg gelijk aan het overleveren van zijn land aan Tronador.
Dinang was een trouwe en zeer fanatieke aanhanger van Meroboth. Hij deed nooit iets half en dus had hij zich met een groep volgelingen van zijn vader losgemaakt. Pendaro wist uit de verhalen uit zijn vaderland dat dit Orion alleen nog maar verbitterder had gemaakt.
Dinang wist zich staande te houden door hulp uit het buitenland. Verschillende handelaren uit Akonia waren hem gunstig gezind en hij had ook steun weten te werven bij de nudoren.
‘Bovendien,’ zo fluisterde Pendaro Tiron vertrouwelijk toe, ‘heeft hij een schijnbaar zeer invloedrijke medestander in het Rijk der Duisternis zelf.’
Tiron keek verrast op bij deze mededeling. ‘Een invloedrijke medestander?’ informeerde hij voorzichtig verder.
‘Ja, maar dat is alles wat ik weet. Volgens mij weet zelfs Dinang zijn ware identiteit niet.’
Tirons interesse was gewekt. Elke medestander was welkom, maar als er een kans was dat ze gesteund werden door iemand uit het hart van het kwaad, iemand die dan waarschijnlijk over veel informatie beschikte, moesten ze die kans met beide handen aangrijpen. Hij hoopte dat Dinang hem meer kon vertellen.
Het Elfenpad klom steeds hoger om de laatste pieken van het Dargebergte te doorkruisen. Het werd ook steeds kouder en het duurde niet lang of de hoeven van de eenhoorns ploegden door de sneeuw. Ze waren nu op het gevaarlijkste gedeelte van de route beland. Links en rechts van het pad stortten diepe ravijnen zich naar beneden. Er was weinig begroeiing tussen de grijze, hier en daar met ijs bedekte rotsen. De elfen en Tiron hadden hun mantels omgeslagen en leidden met straffe hand hun lastdieren over het pad.
De eenhoorn van Sintin was weer erg onrustig. Tiron zag in zijn ogen een getergde blik en ergens had hij het idee dat het dier diep ongelukkig was.
Het gebeurde totaal onverwachts. Vlak na het middageten passeerden ze aan hun linkerkant een groot, schuin aflopend ravijn. Aan de andere kant torende een grijze wand hoog boven hen uit. Het weer was nog steeds helder en koud en de omgeving was rustig.
Opeens begon Sintins eenhoorn te hinniken en te steigeren. Wild trok hij aan zijn teugels en met zijn achterbenen schopte hij tegen de wagen. Met een kreet viel Sintin van de bok. Het was zijn geluk dat hij aan de rechterkant tegen de rotswand viel. Hij kon nog net de achterwielen van zijn kar ontwijken.
De eenhoorn was dol geworden. Wit schuim stond om zijn lippen, zijn ogen waren wild en agressief. En toen, met een kreet die haast menselijk aandeed, stortte de eenhoorn zich in het ravijn met de kar vol ijzer achter zich aan. Tiron en de elfen zagen de eenhoorn naar beneden vallen. De kar was zwaarder dan het dier en ging dus sneller. Hij kwam tegen de eenhoorn aan en buitelde toen over hem heen. Met een klap kwam de eenhoorn op de grijze grond terecht en bleef daar stil liggen terwijl de wagen verder naar beneden bonkte. Het ijzer viel eruit en de planken raakten los. Een wiel kwam grotesk overeind en rolde naar beneden alsof het zijn reis alleen wilde voortzetten. De restanten van de wagen kwamen eindelijk op de bodem terecht en lieten daar een spoor van ijzer en hout achter.
Een moment lang was het ijzingwekkend stil tot het tot iedereen doordrong wat er was gebeurd. Nio wendde zich bezorgd tot Sintin, die trillend overeind kwam. De anderen keken het ravijn in. Tiron keek naar de witte eenhoorn, die halverwege tegen de wand leek gekleefd. Tot zijn afschuw zag hij dat het dier zijn hoofd probeerde op te richten. De eenhoorn leefde nog.
Pendaro had het ook gezien. ‘We kunnen hem niet zo achterlaten,’ zei hij tegen Tiron.
Tiron knikte en voelde naar zijn riem waaraan hij een halster met een dolk had bevestigd. Toen keek hij naar de schuine wand. Zonder nog langer te aarzelen draaide hij zich om en begon achterwaarts af te dalen. Pendaro keek hem huiverend na.
De wand was glad en Tiron had moeite grip te vinden. Zijn vingers probeerden houvast te krijgen in de harde steen. Ze deden pijn van het krampachtig klauwen maar hij ging hardnekkig door. Opeens gleed zijn rechtervoet weg op een los zittend stuk steen. Met een klap kwam zijn hele lichaam tegen de wand. Hij kon net voorkomen dat zijn gezicht de stenen raakte.
Pendaro slaakte een verschrikte kreet, die overgenomen werd door de andere vier elfen, die inmiddels ook aan de ravijnrand stonden.
Tiron was zo ingespannen bezig dat hij hen niet hoorde. Schurend over het oppervlak gleed hij naar beneden. Zijn vingers en voeten graaiden rond maar vonden niets. Even leek het of hij langs de gewonde eenhoorn naar beneden zou glijden, maar dezelfde kleine richel die, zoals nu bleek, de val van de eenhoorn had onderbroken, vormde nu Tirons redding. Zijn val hield even plotseling op als hij begonnen was. Hij lag een ogenblik stil tegen de rotsen naast de eenhoorn.
Toen richtte hij zich langzaam op. Hij voelde de ogen van het dier op zich gericht. Ze waren pikzwart, zonder pupil. Ze deden denken aan de koele ogen van de feeën en er waren lieden die geloofden dat de eenhoorns verwant waren met dit volk.
Tiron draaide zich op zijn zij en keek in die ogen. Ze waren niet koel. Hij las de angst, de drang naar vrijheid, de vernedering van de slavenarbeid. Het leek wel of het dier hem iets wilde vertellen. ‘Dood mij,’ hoorde Tiron opeens luid en duidelijk. Hij keek verbaasd om zich heen. Boven hem aan de rand stonden de elfen in zwijgende afschuw en naast hem lag de eenhoorn. Verder was er niemand te zien. ‘Dood mij. U heeft een dolk.’
Tiron keek weer naar de ogen van het dier. Langzaam drong het tot hem door dat de eenhoorn tegen hem sprak. Hoewel spreken niet de juiste omschrijving was. De donkere stem klonk in zijn hoofd. Hij was de enige die het hoorde, besefte hij.
‘Maak een eind aan mijn slavernij,’ smeekte de stem nogmaals.
Tiron hield het dier nauwlettend in de gaten, maar het bewoog zich niet. Zijn zwarte ogen hielden die van hem in een houdgreep.
‘Wie ben je?’ fluisterde Tiron terwijl hij zich naar de eenhoorn toe boog.
‘Mijn naam is Domarin. Dat betekent maanstraal in uw taal,’ zei de stem in zijn hoofd.
Verbijsterd week Tiron terug. Hij sprak met een eenhoorn.
‘U kunt mij verstaan,’ concludeerde de stem.
Tiron knikte zwijgend.
‘Is alles goed met je, Tiron?’ gilde Pendaro naar beneden.
Verstoord en afwezig keek Tiron op. ‘Alles is goed. Geef me even tijd,’ riep hij terug.
Pendaro leek verbaasd maar hij knikte. Alle vijf de elfen bleven echter staan waar ze stonden.
‘Dus jij bent Tiron,’ zei Domarin, die de onderbreking niet eens gemerkt leek te hebben. ‘Dat verklaart waarom je mij verstaat.’ De eenhoorn was opeens overgegaan op het veel vertrouwelijkere ‘je’.
‘De mythe is dus toch waar,’ zei Tiron. Ondanks de inspanning was hij bleek geworden.
‘Jij bent de zoon van een magiër.’ Domarin nam hem onderzoekend op.
‘Zeg dat niet.’ Tirons stem klonk plotseling bruusk.
‘Waarom niet? Het is de waarheid.’ De zwarte ogen van de eenhoorn gleden over hem heen. ‘Jij bent niet verantwoordelijk voor de daden van je vader, Tiron.’ Domarins stem klonk rustig in Tirons hoofd. Hij leek geen pijn te hebben en de angst was uit zijn ogen verdwenen. Daarvoor in de plaats was opluchting gekomen en het besef dat hij een vriend had gevonden.