Выбрать главу

De hoogste hoek vertoonde een onregelmatige bobbel.

(Fluister hield zich stil. Fluister sprak maar zelden. Misschien vond hij dat Tegger zelf maar conclusies moest trekken. Maar waarom?)

Er hing hier geen vampiergeur.

Bij de Val der Steden, honderden falans geleden, had het als het ware luchtvoertuigen geregend, beweerde men. De meeste daarvan waren onder de grond verdwenen of weggeroest. Soms werd de romp van een zweefwagen gevonden, of gebogen schermen van een materiaal dat zo doorzichtig was als water, zij het meestal gebroken: een venster. Soms iets groters.

Zoals een grote plaat om zware lasten te vervoeren, lasten die te groot waren om in een gewone zweefwagen te passen.

De mist verhulde, onthulde. De hoogste hoek van de plaat had een koepelvormige knobbel — net een kluit zeepbellen, of een groot facettenoog. En net als bij zeepbellen kon je naar binnen kijken. Een van de facetten had een craquelé alsof er grillige slakkenlijnen overheen waren getrokken. De andere facetten waren helder.

Tegger probeerde naar boven te klimmen, maar de plaat bleek te glibberig door de modder en de regen.

Hij kon nu maar beter iets doen. Hij was er zeker van dat hij het laatste stel vampiers ver achter zich had gelaten, maar hij wist dat ze hem zouden inhalen, ook al moesten ze door het water waden. Tegger nam een aanloop en probeerde tegen de plaat op te rennen.

Halverwege raakte hij zijn momentum kwijt. Hij liet zich vallen, zijn armen en benen zo wijd mogelijk gespreid. Op deze hoogte was er geen modder meer. Het materiaal was geen metaal, of misschien metaal met een deklaag eroverheen: een korrelig oppervlak, dat zelfs in de regen enig houvast gaf. Hij krabbelde naar boven.

Het facettenoog bleek uit een enkele koepel te bestaan, een combinatie van gebogen vensters en gelakt metaal. Iets wat duidelijk een deur was hing scheef aan een hengsel. Teggers vingers vonden een rand van de deuropening. Hij trok zichzelf op en naar binnen.

Hij keek omlaag en zag daar een vampier staan. Ze keek naar boven, hield hem in het oog.

Nu waren er twee. Nu vier.

Tegger stak zijn hand uit naar de scheef hangende deur. (Zijn voeten zetten zich schrap in iets dat knerste, maar dat geluid negeerde hij.) Hij tilde de deur een eindje omhoog — ze was niet zwaar — en trok haar dicht. Hij zocht een manier om haar af te sluiten. Er was iets te zien dat kennelijk een slot was, maar hij had geen idee hoe het werkte.

Nu begonnen de vampiers te klimmen, weg te glijden, opnieuw te klimmen.

Door de deur zouden ze niet worden tegengehouden. Misschien door de gladheid van de helling. Anders zou deze koepel hun provisiekamer worden…

‘Fluister? Hoe nu verder?’ vroeg hij, zonder iets te verwachten.

Niets. Hij moest Fluister ergens daar beneden hebben achtergelaten. Bij de vampiers. Grappig, maar hij maakte zich geen moment zorgen over Fluisters veiligheid.

Tegger deed zijn rugzak af. Hij wilde licht hebben en het kon nu geen kwaad meer een vuurtje te maken. Hij gebruikte zijn aansteker en produceerde een flinke vlam.

Even bestudeerde hij het knersende spul. Hij had al vaker botten gezien van vee en prooidieren en hij kende de structuur van zijn eigen gebeente. Zo te zien hadden zijn voeten een stel ribben vertrapt.

De piloot was van een hem onbekende mensensoort geweest: groter dan een Rode, zwaar gebouwd, met lange armen. Van zijn kleren waren alleen wat rafels van een onbestemde kleur overgebleven. Zijn schedel lag in een rare hoek ten opzichte van de nek, die bij het neerstorten van de vrachtplaat in de modder waarschijnlijk gebroken was. Hij had de massieve kaken van een planteneter.

Het skelet van een humanoïde. Stel je voor! De Demonen waren het nooit komen ophalen.

Tijdens de Val der Steden moest het Nachtvolk het vreselijk druk hebben gehad en zich tot barstens toe hebben volgepropt. Toen ze ontdekten dat ze dit wrak niet konden beklimmen om bij het lijk in de besturingskoepel te komen hadden ze het maar opgegeven. Niemand anders zou hier ooit naar boven klimmen (zo hadden ze waarschijnlijk geredeneerd) om een verlaten lijk te vinden en vervolgens de slordige Demonen verwijten te maken.

Wegens de verblindende vlam van zijn aansteker kon hij de vampiers beneden niet meer zien, maar de koepelwand om hem heen was helder verlicht. Een van de bolle vensters bleek niet overdekt te zijn door een netwerk van slakkenlijnen, zoals hij had gedacht, maar verbrijzeld te zijn; alleen zaten de scherven nog aan elkaar vast. Andere vensters waren intact. Voor zich zag hij palletjes die net groot genoeg waren voor zijn vingertoppen en die horizontaal of verticaal verschoven konden worden. Er was ook een horizontaal luikje ter grootte van twee van zijn handbreedten, en een ander dat dubbel zo groot was, maar hij kreeg ze geen van beide open. Er was ook een wiel op een stang. Tegger ontdekte dat het in alle zes de richtingen kon worden bewogen, zij het dat hij daar zijn beide handen en al zijn kracht voor nodig had. Hij haalde alle schakelaars over die hij zag, van links naar rechts, van onder naar boven, in welke richting ze ook maar wilden bewegen, maar er gebeurde helemaal niets.

De brandstof van zijn aansteker begon op te raken en er was hier niets te zien dat zou branden.

Was Warvia maar hier! Zij zou er wel uitkomen.

Was Warvia maar hier… Hij zou haar zeggen dat hij nooit aan haar had getwijfeld. Dat ze natuurlik niet vrijwillig haar partnerschap met hem had verbroken, maar dat ze was overweldigd door een geur die haar geest buiten werking stelde en haar ziel verstikte. Hoe lang hoorde hij dat gezang van de vampiers nu al? Het licht werd zwakker en nu kon hij een driehoekig gezicht zien dat hem verlangend aanstaarde.

Een dier. Een brein dat half zo groot was als het zijne. Als ze doorkreeg waar de deur was zou hij ten dode opgeschreven zijn, maar het echte gevaar was een geur die Tegger ertoe zou brengen zelf die deur te openen. ‘Fluister!’ schreeuwde hij.

Ze deinsde achteruit door zijn kreet, heel even maar, en antwoordde toen met haar gezang.

Hij liet zijn vuist met al zijn kracht op een van de luikjes bonken. Het luikje brak open. Het kastje dat erachter zat was niet groot, maar hij vond wat hij nodig had: een dik boek met droge bladen van een of ander dun materiaal dat prima zou branden.

De vampiervrouw… nee, het waren vrouwen… schrokken terug voor het licht. Twee vrouwen waren het inmiddels, plus een man, en ze probeerden zich boven op de koepel in evenwicht te houden. Wachtend.

Hij hield een brandend blad bij de opening van het kastje. Daar lag het boek — hij gebruikte de bladen van een dikke bundel landkaarten — en een papieren zak met een of ander uitgedroogd goedje erin, en een merkwaardige dolk, die hij eruit haalde, en verder niets.

Dus sloeg hij het andere luikje in. Het deed pijn, maar het lukte.

Dit kastje bleek maar een vingerkootje diep. Wat hij zag was een compleet raadseclass="underline" een ingewikkeld netwerk van rechtopstaande pinnen. Zo zag het zenuwcentrum van een machine van de Stedenbouwers eruit, dacht Tegger, en hij zocht naar zilveren draadjes die de pinnen met elkaar behoorden te verbinden, want die zorgden voor de toevoer van energie, zo had hij gehoord. Het stelde hem teleur dat hij zulke draadjes niet zag.

Hij raakte twee van de pinnen aan met een vingertop. Zijn armspieren verkrampten en hij werd achteruitgeworpen tegen de rugleuning van de stoel waarin hij zat. Een hele poos zat hij ontredderd naar adem te happen.

Was dit hoe bliksem aanvoelde? Stroom! Maar je kon er kennelijk door gedood worden!

Hij stak een nieuw blad aan en hield de vlam voor het kastje. Een aantal van de pinnen was met elkaar verbonden door dunne, vaag geworden stofstreepjes. Zijn aanraking had er een paar weggeveegd.

Het was alsof er in zijn geest opeens een schakeling tot stand kwam. Tegger haalde Valavirgillins lapje stof te voorschijn. De merkwaardige dolk had geen scherp lemmet, alleen een afgevlakte punt. Hij gebruikte de snede van zijn zwaard (vreselijk bot geworden) om een inkeping te maken, waarna hij een smal reepje van het lapje kon scheuren. Dit reepje zou hij over een van de stofstreepjes moeten leggen.