Hij liet het reepje even, vluchtig, over de pinnen strijken, maar meteen verkrampte zijn arm en ging er een nieuwe schok door hem heen.
De geur… die zou hij niet kunnen blijven weerstaan… maar tot nu toe lukte het, ondanks de vampierzang in zijn geest… Hij wierp zijn belagers een woedende blik toe en probeerde na te denken.
Een soort handschoen! Hij haalde zijn handdoek uit de rugzak en probeerde het stripje stof daarmee vast te houden. Nee, dat ging niet. Maar hij kon er de greep van die rare dolk mee vastpakken. Hij kon het strookje van Vala’s stof in het kastje laten vallen en dan met de punt van de dolk zo lang duwen tot de uiteinden twee van de pinnen met elkaar verbonden.
Hij kon niet zien wat er nu opeens oplichtte, want het gebeurde buiten de koepel. De drie vampiers ontvlamden alsof ze zonnen waren en ze probeerden gillend uit het felle licht weg te komen. Twee van hen gleden over de plaat naar beneden; de derde viel over de rand.
De reflectie van het heldere licht bleef naar binnen vallen. Hij hoefde geen bladen meer in brand te steken.
Tegger liet het eerste stripje zitten waar het zat. Hij sneed een nieuw reepje van Vala’s lapje en begon daarmee te experimenteren. Zijn kaken deden pijn, zo vast hield hij ze op elkaar geklemd. Hij hoorde zijn eigen gekreun en wist hoe dolgraag hij de deur zou hebben opengegooid om achter die vampiervrouw aan te gaan, de modder in. Maar: Warvia, Warvia, het is me gelukt! Ik heb de bliksemkracht aan het stromen gekregen!
Maar waarom zag hij nog geen ander effect dan dat licht?
Misschien was licht het gemakkelijkste onderdeel van de technologie van de Stedenbouwers, het onderdeel dat het langste bleef functioneren. Of dat de minste energie nodig had. Er was te weinig energie overgebleven om de andere, onbekende technische wonderen te laten gebeuren… Maar Tegger geloofde dit niet echt. Hij had de schokken gevoeld. Hij wist niet waar, maar ergens moest er energie zijn. En deze hield de vampiers op afstand.
De oude schedel was glimmend kaal. Iets had hem schoon gepikt. Als het geen Demonen waren geweest, dan misschien vogels? De grote holle oogkassen leken hem aan te staren.
Het legde de schedel in een kastje, maar deed het deurtje daarvan bij nader inzicht niet dicht. Hij sprak tegen de voormalige piloot. ‘Jij denkt dat je een rotdag hebt gehad? Ik heb een dag achter de rug die niemand ooit zou willen doormaken. Bij jou duurde het misschien honderd ademhalingen…’
Maar hem moest het een eeuwigheid hebben geleken. Hoog uit de lucht naar beneden storten, misschien omringd door een wolk van kleinere zweefwagens, misschien om hulp schreeuwend via een stemmenzender die met meer werkte, terwijl ook de andere functies van deze schitterende vrachtvaarder een voor een uitvielen…
Wacht even!
Tegger begon opnieuw te schuiven met alle schakelaars die wilden bewegen. Toen de lichten doofden, schoof hij deze hendel terug.
Zo zat dat dus! Alle apparaten werkten op volle kracht toen deze vrachtplaat neerstortte, maar Tegger had ze uitgezet tijdens zijn experimentele gepruts met de schakelaars. Allemaal, behalve de lichten. Die had hij juist aangezet! De vrachtvaarder moest overdag zijn neergestort!
Het volgende dat hij teweegbracht leidde tot een sputterend geluid en een brandgeurtje. Tegger was bang dat hij iets kapot had gemaakt. Maar even later voelde hij een lichte wind in de besturingskoepel, die de vampiergeur verdreef en hem een koel, helder hoofd gaf. Hij slaakte een juichkreet.
Hij draaide zich om en keek over de lastplaat naar beneden. Het was moeilijk de vampiers in het oog te krijgen. De lampen schenen zich aan weerszijden van zijn koepel te vinden. Ze wierpen donkere schaduwen, en vampiers waren dol op schaduw. Hij dacht dat hij er vijf zag en schatte hun aantal op het dubbele. Maar ze zouden niet dichterbij komen.
Het was tijd geworden om te beseffen dat hij honger had, om eens te kijken of zich hierbinnen misschien iets genesteld had. De buitenkant was te kaal. Hij zou tot overdag moeten wachten om een vis te vangen, maar het zag er nu naar uit dat hij deze nacht zou overleven.
Waar kwam die energie, die bliksemkracht vandaan? Hij had er geen flauw idee van.
Hij sneed een volgend reepje van de stof en ging verder met zijn experimenten.
9. Bekende gezichten
Via het venster in de rotswand kon Louis de vrouw in de gehavende kleren bestuderen. Ze zag er getekend uit. Ze bestuurde een door stoomkracht aangedreven wagen die een helling afreed. Naast haar zat een man van haar eigen soort en boven hun hoofd was de ineengedoken gestalte van een Rode te zien. ‘Drie dagen geleden?’
‘Negentig uur, om precies te zijn.’
‘Als dat Valavirgillin is, ziet ze er niet best uit.’
‘Jij ook niet, Louis. Misschien heeft ze vergeten haar pepmiddelen in te nemen?’
Louis negeerde de hatelijkheid. ‘Ze is oud geworden. Elf jaar…’ Louis had het zelf ook elf jaar gesteld zonder de biomedisch gekweekte zaden die het menselijke verouderingsproces afremden. Vala had dat spul nooit aangeraakt. Was het echt Valavirgillin?
Jazeker. Hij had gevrijd met die vrouw!
‘Dit verandert de zaken een beetje, vind je ook niet, Louis?’
‘Ze moet tienduizenden kilometers stuurboord zijn van de plek waar ik haar achterliet. Wat heeft ze hier te zoeken?’
‘Ze willen een kamp van vampiers aanvallen, geloof ik. Maar zij is het, waar of niet? Heb ik mijn punt duidelijk gemaakt? Als ik je tien gezonde humanoïden laat zien kunnen dat tien overlevenden uit een groep van duizend zijn. Maar ik laat je een vrouw zien die je voor de plasmastraal persoonlijk hebt gekend, en in werkelijke tijd. Wat zegt dat over jouw berekeningen?’
Louis ging verzitten op de glad verweerde rots die hij had uitgekozen. Is dit werkelijke tijd, Verst-in-de-achterhoede?’
‘Veertig uur geleden.’
Nu vroeg Louis wat hij elf jaar lang had geweigerd te vragen: ‘Wil je beweren dat Teela tegen mij heeft gelogen? Waarom?’
‘Ze handelde op basis van onvoldoende kennis. Opgevoerde intelligentie gaat gepaard met toegenomen eigenwijsheid, en gezond verstand was nooit haar sterkste punt, Louis. Ze zou hebben kunnen doen wat ik gedaan heb, gebruik makend van mijn computers. Louis, Teela heeft nooit echt begrepen hoe nauwkeurig ik de plasmastraal die we aan de zon hadden ontrukt kon sturen! Ik heb de straling haarscherp op de stabilisatiestuwers van de randmuur gericht. Het plasma heeft de eigenlijke oppervlakte van Ringwereld nergens geraakt. En de straling waar zij zo bang voor was… wel, die was natuurlijk hoger dan het gebruikelijke achtergrondniveau.’
‘De randmuur,’ zei Louis. Hij begon het te geloven.
‘Ja, natuurlijk, de randmuur.’
‘En de bewoners van de druipbergen, hoe is het hen vergaan?’
‘Over een lengte van ongeveer vijf procent van de randmuur heb ik er vele gedood, vrees ik.’
Tien miljoen, honderd miljoen, van een mensensoort die Louis Wu nooit had ontmoet. Meer soorten, misschien.
‘Verst-in-de-achterhoede,’ zei Louis niettemin, ‘ik geloof dat ik je een excuus verschuldigd ben.’
Verst-in-de-achterhoede herhaalde die zin woordelijk. Om er zeker van te zijn dat de tekst correct gearchiveerd wordt, dacht Louis. ‘Nu iets anders,’ vervolgde Verst-in-de-achterhoede. ‘Zie je die man in de uitkijkpositie? Een Rode Herder?’
‘Ja. Kleine, roodhuidige vleeseters; woonden niet ver van de randmuur. Ze konden buitengewoon hard rennen.’
De grote wagen schoot plotseling als een speer naar beneden, snel vooruit, razendsnel, minstens vijf keer versneld, tussen rotsformaties door zigzaggend, soms schuilgaand onder jagende en kolkende wolkenflarden, en verdween toen in een kloof. Ik ben de wagens een poos kwijt geweest,’ zei Verst-in-de-achterhoede. ‘Vijftien uur later ving ik deze beelden op.’