‘Jammer dat ik het nooit zal zien.’
Ik kan het verplaatsen naar het bemanningsverblijf.’
Louis voelde een koude rilling over zijn ruggengraat naar boven kruipen. ‘Je bent niet serieus,’ zei hij. ‘En ik ben te moe om na te denken. Welterusten, Verst-in-de-achterhoede.’
Louis parkeerde zijn stapel lastschijven naast het gastenverblijf. Dor hout kraakte toen hij afstapte. Hij sprak tegen de nacht — met gedempte stem.
‘Als je klaar bent om te praten: je weet me te vinden. En ik durf te wedden dat je een fraai geborduurde kilt draagt.’ De nacht had geen repliek.
Sawur bewoog zich nauwelijks toen hij de hut binnenkroop. Hij viel als een blok in slaap.
10. De Trappenstraat
Een vleugje rottingsgeur maakte haar half wakker en scherpe nagelpunten in haar elleboog zorgden voor de andere helft. Vala schoot met een gilletje overeind. Harpist deinsde achteruit, met geweer en al, maar hij slaagde erin de trekker niet over te halen.
‘Valavirgillin, kom eens kijken!’
Flup! ‘Worden we aangevallen?’
‘Dan zou je vampiers ruiken. Het verbaast me dat ze ons niet zijn komen opzoeken. Misschien zijn ze ergens door afgeleid.’ Vala stapte naar buiten en ging op de treeplank staan.
Er viel regen in dikke druppels. De luifel hield haar min of meer droog, maar het zicht was beroerd. Er flitsten bliksemschichten tegen draaiwaarts aan stuurboordzijde, daar waar het vampierkamp zich bevond. Bliksem… maar ook nog iets anders. Daar beneden, bij de rivier — een bestendig, helderwit licht.
Had Tegger ondanks al hun deliberaties een vuur ontstoken? Maar nee, vuur had een andere kleur, en vuur zou geflakkerd hebben.
Treurbuis bevond zich boven hen op de rots. Zij had wachtdienst. ‘Wil je Warvia wekken?’ vroeg Harpist.
‘Ja.’ Vala ging stilletjes de vrachtcontainer binnen. Het had geen zin anderen te wekken, maar Warvia zou details kunnen zien. Misschien zou ze zelfs iets zien dat bewees dat dit Tegger moest zijn.
‘Warvia?’
Ik ben wakker.’
‘Kom eens kijken.’
Tussen de regenvlagen door was het licht af en toe goed te zien. De gloed was niet puntvormig, zag ze nu, maar een schuine streep.
Het licht werd uitgeschakeld, toen weer aan. ‘Tegger houdt ervan met dingen te spelen,’ zei Warvia.
‘Is hij het?’
‘Hoe moet ik dat weten?’ zei ze snibbig.
Ze bleven kijken. ‘Licht kan vampiers uit de buurt houden,’ merkte Harpist later op, ‘mits het fel genoeg is.’
Warvia lag ineengedoken tegen een rotswand; ze was in slaap gevallen. ‘Roep me als er iets verandert,’ zei Vala. Ik kom terug, maar ik wil een deken halen.’ Ze klom naar de container. Ik kan er maar beter twee halen, dacht ze. Eentje voor Warvia.
Het licht begon te trillen. Vala bleef staan kijken.
En toen maakte zich een helder lichtpunt los van de schuine streep en steeg loodrecht omhoog.
De vrachtplaat trilde en schokte en probeerde zichzelf te verscheuren. Tegger klampte zich aan zijn stoel vast zoals hij zich aan Warvia zou hebben vastgeklampt. Zou hij een hand kunnen loslaten zodat hij de nieuwste verbinding die hij met een strookje Vala-stof had gelegd weer ongedaan kon maken?
En wilde hij dat wel? Dat hij zo door elkaar werd geschud doodde hem niet, al klapperden zijn tanden.
Wat veroorzaakte dit geweld? Een half vernielde motor? Of misschien gewoon een goed functionerende motor die deed wat hem was opgedragen: til deze vrachtplaat omhoog uit de modder waarin hij half begraven ligt?
En terwijl zijn geest zich bezighield met zulke speculaties speelden Teggers vingers met de schakelaars.
Flup, dat waren de lampen weer. Deze deed niets, deze ook niet. Deze schakelde de ventilatie uit en aan. En deze hier had de vorige keer een onheilspellend knarsend geluid opgeroepen, ergens aan de onderkant, maar deed nu niets meer.
Er stak iets naar voren in de schemerige ruimte waar het skelet met zijn knieën gezeten moest hebben. Een grote gevorkte hendel… die bij aanraking muurvast leek te zitten.
Tegger beet zijn tanden op elkaar, omklemde de stoelzitting met de binnenkant van zijn knieën, greep de hendel met beide handen vast en trok.
Niets. Goed. Duwde. Duwde en draaide.
De hendel gaf opeens mee en Tegger sloeg met zijn hoofd hard tegen het besturingspaneel. En de vrachtplaat schoot de lucht in!
Dat reepje stof. Ik moet het lostrekken… Hij durfde niet van zijn stoel op te staan en dat was misschien maar beter ook. Hoe donker de nacht ook was, hij zag de rivier onder zich smaller worden. Een val van deze hoogte zou zijn dood zijn!
Als hij het waagde een hand of desnoods een voet te gebruiken… er moest een manier zijn om deze… koepel te besturen. In de rivier die zich diep onder hem voortslingerde zag hij een half begraven vierkante plaat waaruit in de bovenste hoek een stukje miste. Hij had de besturingskoepel losgerukt van de vrachtplaat!
En toen begon hij te vallen. Hij voelde het in zijn maag. Te vallen, nee, neer te storten, landinwaarts, van twintig of dertig manshoogten. De kant van de zwevende fabriek op.
Een manier om de zaak te controleren, er moest een manier zijn…
Vertrouwde hij Fluister?
Fluister had hem naar de vrachtplaat geleid. Fluister had hem Vala-stof in handen gespeeld. Wat zou Fluister hebben gedaan als Tegger niet uit eigener beweging aan het experimenteren was gegaan? Maar Fluister had met geen woord gesuggereerd dat hij de vrachtplaat — noch de losgerukte besturingskoepel — ergens anders heen moest sturen dan waar hij nu naar toe ging. De beschadigde machine was natuurlijk op weg naar haar laadperron.
Met andere woorden, Fluisters minimale begeleiding bracht Tegger precies daarheen waar hij wilde zijn. Vertrouwen in Fluister kwam neer op gewoon laten gebeuren wat er gebeurde. Maar hij kende Fluisters aard niet, laat staan zijn motieven…
De regen die tegen de vensters kletterde belemmerde zijn uitzicht. In het licht van bliksemschichten en de af en toe even zichtbaar wordende Boog zag hij een afgevlakte massa dichterbij komen. Hij zag daar geen bewegingen. Wacht even, nu begon de regen te wervelen, te kolken… hij bevond zich in een zwerm grote, krijsende vogels.
Konden vampiers vliegen? Nee, zelfs in deze regen, in deze duisternis, zou hij ze herkend hebben. Dit waren blauwbuiksnabbelaars, dezelfde snabbelaars die hij van zijn eigen grasvlakten kende. De spanwijdte van hun vleugels was groter dan die van zijn armen. Ze hadden een goed duikvermogen en roofdiersnavels. Snabbelaars waren vleeseters en groot genoeg om een herdersjongen mee te voeren. Hij had er nog nooit zoveel bij elkaar gezien.
Hij zou in deze werveling toch niet kunnen navigeren, daarom bleef hij zich met zijn handen vastklampen aan zijn stoelleuning. De vogels trokken zich terug in een wegcirkelende beweging.
De besturingskoepel bewoog zich niet meer, maar hing nog wel in de lucht.
Hoewel Tegger een man van de grasvlakten was, was hij ooit in het kader van de handel met een andere stam aan boord van een schuit geweest. Hij wist dus hoe een kade eruitzag. Nu zweefde hij ongeveer een manshoogte boven de rand van iets dat sprekend leek op een rivierkade die in de lucht hing. Zweefboten konden aanmeren tegen die stootrand daar. En met die tui kabels konden ze worden vastgelegd. En hun lading lag klaar in de grote gebouwen daarginds, achter die kolossale deuren…
De vogels verloren hun belangstelling en keerden terug naar hun nesten. Snabbelaars waren geen nachtvogels.
De toegangsdeur van de koepel was van de zwevende kade afgewend. Was er niet tenminste een manier te vinden om het ding de andere kant op te draaien? Misschien kon hij ergens een knop vinden… Tegger was niet erg happig op nieuwe experimenten, zo hoog in de lucht.
Wat zou er eigenlijk behoren te gebeuren? Misschien moest de vrachtplaat wachten op toestemming van de stad om aan te leggen. Of misschien werd verwacht dat hij zelf een signaal uitzond. Best mogelijk dat een van die kabels bedoeld was om te worden uitgeworpen en de plaat tot tegen de stootrand te trekken. Niets van dit alles zou echter gebeuren, want de kade was even dood als al het andere dat was gestorven tijdens de Val der Steden.