De open deur hing scheef in het hengsel, precies zoals hij haar had aangetroffen.
Rugzak. Zwaard.
Tegger klom naar buiten in een lichte regen en zocht steun voor een voet op de wankele bovenrand van de hangende deur. Door middel van een lastig sprongetje wist hij op de glibberige bovenkant van de koepel te komen, waar hij zich plat liet vallen, graaiend naar houvast. Een paar wiekende vogels kwamen nieuwsgierig naderbij.
Tegger kroop op zijn buik over de welving van de koepel naar beneden. Een klein eindje nog, nu op handen en knieën. Voorzichtig, zet je schrap, glijd niet weg… spring!
Hij kwam languit neer en stootte zijn kin. Zijn benen spartelden half in de vrije lucht. De kade voelde aan als zacht hout.
Hij zou zo nog even zijn blijven liggen, ware het niet dat een paar krijsende vogels zich op hem dreigden te storten. Hij liet zich verder de kade op rollen, trok zijn zwaard en wachtte. En toen een van de vogels te dichtbij kwam, stak hij razendsnel toe.
‘Hij moet een of ander voertuig van de Stedenbouwers gevonden hebben, een oude zweefwagen of zoiets. Heeft het aan de gang gekregen. Hij is nu daarboven.’ Warvia tuurde ingespannen naar het felle lichtschijnsel dat nu naast de rand van de zwevende fabriek hing.
Haar geloof was sterker dan dat van Vala. ‘Wat zie je?’ vroeg Vala.
‘Het licht verblindt me. Ik zie grote vogels eromheen fladderen. Ik geloof dat ik hem heb zien springen…’
Het lichtschijnsel begon te verzwakken. Sneller. Flakkerde nog een keer pijnlijk helder op en was toen verdwenen.
‘Hij is gesprongen,’ zei Warvia vol overtuiging. ‘Vala, ik stort bijna in. Ik kan je een betere beschrijving geven als we daglicht hebben.’
‘Kunnen we iets doen?’
‘Vala, ik zou alles doen om hem te bereiken!’
‘Treurbuis, heb jij een idee?’
De Demon schudde haar hoofd.
‘We zullen moeten wachten. Ik weet geen veiliger plek voor de kruisers, en het uitzicht is hier voortreffelijk. Laten we ons hier verschansen. We zullen kijken en afwachten.’
Snabbelaars gaven de voorkeur aan levende prooi, maar ze vraten ook aas. Snabbelaarsvlees had een akelig bijsmaakje.
Tegger voelde zich aanzienlijk opgeknapt nadat hij de vogel verslonden had. Zijn honger was gestild, de bronstige geur van tienduizend vampiers even uit de lucht, een platte vloer om te rusten beschikbaar. De wind was kil op deze hoogte. Tegger haalde de poncho uit zijn rugzak en trok die over zich heen.
De kou, de spierpijn, de verschrikkingen van een dag die een nachtmerrie was geweest, dat alles begon te wijken… maar slapen stond gelijk aan vampiertanden in zijn nek. Hij durfde niet te slapen in de open lucht. In een soort versufte paniek keek hij om zich heen.
De grote toegangspoort van die loods was ongetwijfeld te zwaar om door zijn inspanningen in beweging te komen. Te zwaar voor wie dan ook, echt een voorbeeld van energieverspilling…
Maar naast de benedenhoek van de kolossale poort bevond zich een deur die nauwelijks hoger was dan Tegger. Een forse trap deed die deur naar buiten openzwaaien.
Hij liep de duisternis in, klom op iets zachts om op te liggen, en viel als een blok in slaap.
Hij probeerde de slaap vast te houden — bang voor wat zijn geheugen hem zou vertellen.
Dat geheugen liet zich overigens niet het zwijgen opleggen, maar wat hem wakker deed schrikken was binnenvallend licht dat zijn oogleden trof.
Er viel zonlicht naar binnen door de manshoge deuropening, maar het werd al meteen getemperd toen hij van een stapel balen die vaag naar rotte planten roken naar beneden klom. Spul dat tot kleding verwerkt had moeten worden? Bedorven groenten zouden er erger aan toe zijn geweest!
Hij stapte naar buiten.
Gebroken wolkenformaties dreven traag aan de hemel. Door de openingen vielen verticale bundels zonlicht op de kade. Tegger zag geen vogels voordat hij op handen en knieën naar de rand was gekropen en naar beneden keek.
De koepel met de bolle vensters die hem hierheen had gebracht lag in de diepte — verbrijzeld. Zó zou hij dus niet naar huis terugkeren, als hij dat al ooit van plan mocht zijn geweest…
Enorme zwermen vogels wiekten met gespreide vleugels in het zonlicht en doken af en toe naar beneden om… ja, waarom? Snabbelaars in zulke aantallen moesten hier prooi in overvloed vinden. Een hele ecologie voedde zich hier van wat de vampiers overlieten: stapels leeggezogen lijken.
Misschien waren er hierboven alleen maar vogels.
Nee, wacht: daar aan de zijwand van de kade was een soort web te zien, een netwerk dat naar buiten gericht was, in stuurboordrichting. Hij moest zich ver voorover buigen om het te zien.
De draden waren bronskleurig, als de juiste lichtval ze zichtbaar maakte. Verder was er niets te zien. De omvang was moeilijk te beoordelen, vooral doordat het netwerk naar de randen toe steeds diffuser werd. Misschien was de doorsnee ongeveer gelijk aan de lengte van een Grasreus. De roerloze zwarte stip in het midden zou de spinner van het web kunnen zijn… inmiddels allang omgekomen van de honger. Tegger had nog geen enkel insect gezien sinds hij de begane grond verlaten had.
Vogels en een spinner van een web impliceerden eigenlijk dat er insecten moesten zijn, maar misschien waren die insecten uitgeroeid door de vogels? Tegger vroeg zich af of hij zou sterven van de honger. In het beste geval had hij te maken met een tijdlimiet. Alsof dat een nieuwtje was!
Datgene wat hij in gedachten altijd ‘de Stad’ had genoemd bleek in nagenoeg alle details ongewoon en raar te zijn. Van de meeste dingen die hij zag wist Tegger niet eens hoe ze heetten. De Stad helde geleidelijk naar boven in een onregelmatig patroon van vierhoekige vlakken, en piekte in het midden omhoog in de vorm van een verticale schacht. Tegger begon te rennen.
Er was nu geen angst meer in zijn binnenste. Dit was gewoon een manier van verkennen. Hij rende, en de kade, die acht manshoogten breed was, rende voor hem uit. Nu werd ze smaller, twee manshoogten breed, maar zonder op te houden: het was geen kade meer, enkel de rand van de Stad. Randstraat.
Er stonden gebouwen aan de kant. Sommige ervan hadden deuren. Hier en daar verdween een zijstraatje uit het zicht tussen vensterloze bouwsels. Er waren ook cilindervormige, deurloze constructies met een ladder tegen de zijwand.
Het begon weer te regenen. Tegger moest nu opletten waar hij zijn voeten zette, maar het materiaal waarop hij liep was ruw genoeg om enig houvast te geven en het meeste regenwater vloeide weg via een goot aan de binnenkant van de Randstraat.
Hij begon net een beetje op temperatuur te komen toen hij iets bijzonders zag: een brede straat die overging in trappen en die aan weerszijden…
Tegger bleef staan. Waren dat woningen? Hij kende de tenthutten van de Thurl en de veel kleinere tenten van Ginjerofer; hij had ook weleens permanente huizen van meer honkvaste soorten humanoïden gezien. Maar zoiets als deze vrolijk beschilderde blokvormige woningen was hij nog nooit eerder tegengekomen. En toch waren het wel degelijk huizen. Ze hadden manshoge deuren, netjes gegroepeerde bomen eromheen, en vensters.
Later. Hij rende door.
Er stonden verder geen huizen meer aan de Randstraat. Hij zag wel allerlei andere constructies, variërend van Brobdignagiaanse bouwsels, massieve kubussen en misvormde eieren tot warwinkels van buizen en kolossale metalen roosters, zowel vlakke als gekromde. Zijn geest kon zich maar weinig voorstellen bij wat hij waarnam. Zorg dat je een totaalbeeld krijgt, hield hij zichzelf voor. De details komen later wel.