Hij keek naar de stad, niet naar het landschap in de diepte. Maar nu zag hij de rivier weer, en een rotsachtige bergkam, en, De kruisers!
Geen mensensoort had een scherpere blik dan een Rode Herder en geen enkele natuurlijke vorm kon doorgaan voor een kruiser van de Machine-mensen. Het was uitgesloten dat hij zich vergiste. Daarginds, op die rotspiek, stond Valavirgillins karavaantje.
De meeste expeditieleden schenen afwezig te zijn. Hij zag geen teken van leven tot een van de twee stipjes die hij zag opstond om zich uit te rekken. Grasreuzen die de wacht hielden?
Tegger liep naar de rand en begon te zwaaien als iemand die gaat proberen te vliegen.
Zouden ze hem zien?
Hier niet, tegen de achtergrond van al deze rare bouwsels. Maar als hij scherp zou afsteken tegen de hemel…
Alles op zijn tijd. Die kruisers liepen niet weg.
Als je helemaal niets herkende, kon je ook moeilijk verrast worden.
De Randstraat werd weer breder. Ver voor zich uit zag hij de deur die hij de afgelopen nacht had opengetrapt. En hier, aan het bakboord-draaiwaartse einde van de kade, bevond zich een haakse zijstraat. Het was een schemerige straat, acht manshoogten breed, en ze liep steil naar beneden, terwijl alle andere zijstraten juist naar boven hadden geleid, naar het centrum van de Stad.
Hij liep rechtsaf de straat in.
Het werd steeds donkerder om hem heen.
Hij begon langzamer te rennen. De stank zou iedereen hebben afgeremd! Dood en rotting, en nog iets anders behalve dat — iets vertrouwds.
Zijn ogen begonnen aan het duister te wennen. De straat maakte een bocht naar rechts, nog steeds naar beneden…
Hij rende de straat harder uit dan hij erin was gerend.
Wat hij de afgelopen nacht vanuit de verte voor een soort wenteltrap had gehouden bleek veel groter te zijn dan hij zich toen had gerealiseerd. Breed genoeg voor vier kruisers naast elkaar, schatte hij. Maar ook voor vampiers was dit de weg naar boven!
Tegger tuurde in de duisternis van de zijstraat en wist dat hij daarheen zou moeten terugkeren. En dat hij zou moeten wachten tot zijn ogen volledig gewend waren aan de duisternis. En dat hij dan van bovenaf naar het Schaduwnest zou moeten kijken — en zien wie of wat er terugkeek…
Maar nu nog niet.
Tegger rende verder.
Een kade, loodsen… grote, zilverkleurige tanks… zonlicht dat door vensters weerkaatst werd… Korte straatjes, brede trappen, schuiner van vorm naarmate je hoger kwam… Woningen, rij na rij, met vensters erin, en aan het einde iets dat deed denken aan een reusachtige oogbol…
Hij was terug bij de Trappenstraat. Tegger begon te klimmen.
De huizen hadden stroken grond aan de voorkant en tussen elkaar in. Over bijna de hele lengte van de Trappenstraat vormde het brede stuk grond dat zich vanaf de voordeur uitstrekte het platte dak van de woning die eronder lag.
Sommige stroken stonden onder water. Andere waren door honderden falans van regen weggespoeld of gereduceerd tot scherp zand. Hier groeide opgeschoten gras, daar groeide niets. Daar zag je dode bomen, omgevallen bomen, levende bomen, bomen in bloei; ginds stond een rij verwilderde appelbomen die vanaf het bovenste huis tot vlak bij de Randstraat doorliep. De rij zag eruit alsof ze ooit weloverwogen geplant was, maar nu waren de twee bovenste bomen dood en de onderste waren net begonnen vrucht te dragen — bolle vruchten ter grootte van een mensenhoofd.
Tegger stelde zich voor hoe het gebeurd was: duizenden bolle vruchten die in de loop van honderden falans vanaf de bovenste verdieping naar beneden waren gerold en deze hele helling vanuit een enkele moederboom bevrucht hadden.
Hier — een venster. Het was plat, niet gebogen, zoals de venster-schermen van de luchtwagens. En het was zo groot als het bed van de Thurl. Indrukwekkend! Het oppervlak was bezoedeld. Tegger probeerde naar binnen te kijken, maar daar was het pikdonker.
Bij het volgende huis had een grote ontwortelde boom een muur doen instorten. Ook dit huis had een kolossaal venster dat uitzag op het stukje grond voor de deur. Tegger raapte een stuk puin op en probeerde het venster in te slaan, maar het puin vergruizelde — niet het venster.
Die ingestorte muur dan. Zou hij door de scheur naar binnen kunnen? Ja.
Voor Teppers begrippen was het een grote kamer, groter dan een tent. Ook de schaal was groter, zij het niet helemaal die van Grasreuzen. De stoel waarin hij zat liet zijn voeten vlak boven de vloer bungelen.
Aan de binnenkant van het venster vond hij een ovaal bed. Er lagen vijf skeletten op. Drie volwassenen, twee kinderen. Het zag eruit als een vredig tafereeltje. Een ander skelet, kindermaat, bevond zich naast het bed — zo te zien op weg naar een deur.
De ruimte achter die deur scheen extra donker te zijn.
Hij gebruikte half verrot beddengoed om een toorts te maken en ging naar binnen. Geen venster hier. Wel meubels… Waren dat schakelaars? In elk geval waren het hendels die konden bewegen en ze zaten aan buizen die uit de muur kwamen. Twee ervan bevonden zich aan weerszijden van een kuip die in de bodem een afvoergat had. Het waren kranen, maar er kwam geen water meer uit.
Tegger zette zijn speurtocht voort.
Weer een kamer zonder venster. Ook hier een skelet, de maat van een volwassene; het lag naast een smalle kastruimte met tientallen kleine knopjes erin. Een schakelkastje, dacht Tegger (terwijl hij zijn rugzak opende), zoals hij er ook op de vrachtplaat een had aangetroffen.
Handdoek. Dolk met afgevlakte punt. Reepjes Vala-stof, eerder al afgescheurd. Hij begon te experimenteren met verbindingen. Niets, niets, niets… opeens een wonder!
Licht. Een punt in het plafond gloeide zo fel op dat het pijn deed aan de ogen.
Tegger liep de kamer uit.
Er brandden nu overal in het huis lampen. Tegger liet het zo. Het verraste hem dat er nog stroom was. Waar kwam die vandaan? Uit onweersbuien? Stroom was getemde bliksem…
Hij bewoog zich nu sneller voort langs de rij huizen en keek door de vensters naar binnen. Hier en daar zag hij skeletten, altijd binnenshuis. De doden die buiten hadden gelegen waren prooi geweest voor de vogels.
Hij zag miezerige grassoorten en groenten, waarvan sommige eetbaar waren voor humanoïden, naar hij wist. Ook planten die zo bizar waren dat ze puur als versiering moesten hebben gediend. Behalve die daar misschien, met die grote paars-rode bladeren?
Hij groef een eindje in de grond en trof dikke wortels aan. Boeren van de Mistige-Rivierdelta aten zulke wortels gekookt.
Dit waren mini-boerderijtjes!
Tegger ging met gekruiste benen aan de rand van een van de daktuinen zitten, schurkte zich in zijn grondkleurige poncho en liet de regen op zich vallen alsof hij zomaar een bultje in het landschap was.
Deze lapjes grond waren geen boerderijtjes meer. Het was geen ordelijke verzameling eetbare gewassen meer. Naar alle waarschijnlijkheid had niemand de tuinen bewerkt sedert de Val der Steden. Maar was het niet vreemd, op een plek waar ruimte zo schaars was, dat bewoners planten kweekten op lapjes grond die nog te klein waren om één smerp te voeden?
Tegger vond het een buitengewoon interessante vraag. Hij had de afgelopen nacht geen last gehad van insecten. Misschien was hij op deze hoogte buiten hun bereik geraakt. Misschien leefde hierboven niets anders dan de snabbelaars, die hun voedsel beneden haalden. Maar als er hierboven een soort voedselketen was, dan zou deze beginnen met plantengroei.
Dus: misschien viel er iets te jagen.
Wat was hier verder nog op te merken?
Hij zag ranken die vanaf twee smalle stroken grond zo ver doorgewoekerd waren dat ze het huis achter zijn rug hadden omsloten en neergehaald. De vensters en hun kozijnen waren ontzet. Hij zag meubels die door ontelbare regenbuien verwoest waren.
De huizen waren platte gebouwen met rechte hoeken, maar de Trappenstraat werd bekroond door een koepel van venstermateriaal die wel twee of drie huizen hoog was. Hij had het ding eerder vergeleken met een oogbol, maar het had geen eigen kleur. Het weerspiegelde alleen het wit van de wolken. En de schacht die de top van de Stad vormde torende er nog bovenuit.