Hij bevond zich nu tussen de hoogstgelegen huizen. Dit waren de grootste en ze hadden de grootste tuinboerderijtjes. Zo te zien hadden de rijkste Stedenbouwers prijs gesteld op een mooi vergezicht.
Het verwilderde terrein dat hij voor en onder zich zag vormde een bijna volmaakt vierkant. Het midden werd in beslag genomen door een droogstaand zwembad in de vorm van een schelpvormig gebogen rechthoek.
Bij elk van de vier hoeken was een boom geplant, maar de regens hadden een groot deel van de grond weggespoeld, waardoor een van de bomen ontworteld en omgevallen was. De wortels staken tot boven de dakrand in de lucht.
Het zwembad beviel Tegger wel. Het deed hem denken aan de grottenvijvers van de Clustereilanden. De glooiende bodem bestond uit glad blauw Stedenbouwersmateriaal en je kon via trappen naar beneden. Er was zelfs een watervalletje aangelegd: een aanvoerpijp die uitstak in een stapel rotsblokken in een van de hoeken. Hij kon zien waar het water van de waterval en dat van de regens samenvloeiden bij een afvoergat in de bodem.
Er lag ook grond in het zwembad, maar die hoorde er niet thuis, daarvoor was het te weinig. Hij moest in de loop van vele falans naar binnen zijn gespoeld. Toch hadden er planten wortel geschoten, die nu de blauwe bodem aantastten.
Een zwembad. Waarom? Trappen om eruit te klimmen, anders zou je kunnen verdrinken. Misschien hielden Stedenbouwers van zwemmen; misschien kwamen er vaak Thuis vloedmensen op bezoek.
Maar als je het eenmaal had aangelegd, waarom zou je het dan leeg laten?
Hij zag niets bewegen tussen de struikjes in de tuinen. Tegger vermoedde dat hij beter op jacht kon gaan tijdens de schemeruren. Tussen de dag en de nacht, dan kwamen de wezens in beweging die gewend waren roofdieren te ontwijken. Misschien kon hij in het zwembad iets vangen, of daar in de val lokken…
Ondertussen… Hij liet zich vanaf het dak in het gras zakken en liep naar het zwembad.
Het afvoergat zat half dicht door de modder, maar was nog goed te zien: het ronde gat van een verticale afvoerpijp die net iets boven de bodem uitstak. En er lag een ronde kap, ongeveer zo groot als zijn hand met gespreide vingers, met een ring erop waaraan een verroeste ketting was bevestigd. Tegger kon de haak aan de bovenrand zien waar die ketting ooit aan vastgezeten moest hebben. Hij begreep de bedoeling: je kon de kap lostrekken en toch droog blijven.
Hij probeerde de kap op de afvoerpijp te plaatsen. Het lukte niet meteen. Hij gebruikte zijn volle gewicht, waardoor de ring afbrak. Hij drukte de losse kap op de pijpopening en deze keer bleef hij zitten.
Tegger keek toe terwijl het zwembad langzaam begon vol te lopen.
11. Wachtdienst
Er gloeide daglicht op zijn oogleden. Louis probeerde ervan weg te draaien, maar stopte daarmee. Het zou haar wekken.
Langzaam werd ook zijn geheugen wakker. Sawur. Wevers. Het rivierdal van de Shenthy. Verst-in-de-achterhoede, vampiers, vampierdoder s. En een stiekeme beschermheer…
Ze draaide zich om in zijn armen. Goudkleurig en zilverkleurig bont. Dunne lippen. Haar borsten waren bijna plat, maar er piekten prominente tepels vanuit het bont. Ze was in een oogwenk klaarwakker. Door haar onbehaarde zwarte oogleden leken haar bruine ogen heel groot.
Sawur bestudeerde hem om er zeker van te zijn dat ook hij wakker was. Toen… Hij had het niet gevraagd, maar het vermoed. De ochtend was voor Sawur het moment om rishathra te bedrijven en Louis had er al te dringend behoefte aan.
Al te dringend. Ze moest beslist hebben aangevoeld dat er iets mis was. Ze hief haar hoofd een eindje op om zijn gezicht te bestuderen. ‘Heb je ’s morgens honger?’
‘Soms.’
‘Er is iets dat je afleidt.’
‘Er was iets. Is iets. Het spijt me.’
Ze wachtte even tot ze zeker wist dat hij verder niets wilde zeggen. ‘Wil je vandaag les geven?’ vroeg ze toen.
Ik zou planten moeten gaan zoeken die ik kan eten. Wij zijn omnivoren. Onze spijsvertering heeft behoefte aan bepaalde vezels. Zeg, de oudere kinderen gaan zeker weer op jacht?’
‘Ja. We kunnen meegaan,’ zei Sawur. ‘Ze leren meer van jou in het bos dan ze van mij in een hut zouden leren. Hier, dit was bedoeld als je afscheidscadeau, maar je hebt hem nu nodig.’
Uit een hoek haalde ze iets te voorschijn waar riemen aan vast zaten. Louis hield het in het zonlicht om het te bewonderen. Het was prachtig geborduurd weefsel, een waardevol geschenk: een rugzak.
Hij vond restjes van de vis van de vorige avond in de as van het vuur, netjes in bladeren gewikkeld. Het was een heerlijk ontbijt.
Hij haalde Sawur in, die probeerde een stuk of twintig kinderen allemaal dezelfde kant op te laten lopen terwijl zij onderwijs gaf over planten, zwammen, dieren en sporen van dieren.
Gisteren had hij vlezige, pijlpuntvormige bladeren gezien aan een donkerrode stengel die aan de voet van sommige bomen groeide. Iets dergelijks was hij ook verder stroomafwaarts tegengekomen en daar waren die bladeren eetbaar geweest.
Gewoonlijk kon een omnivoor rustig bekijken wat de andere humanoïden veilig vonden om te eten en het dan zelf proberen. Onder strikte vleeseters ging die regel echter niet op. Daar stond tegenover dat hij met niemand hoefde te delen als hij iets eetbaars zou vinden. En als het giftig was, had hij de autodok. Eet één ding tegelijk en wacht de reacties af. Zelfs licht giftige dingen zou hij misschien toch moeten eten om zijn lichaam aan bepaalde vezels of kalium of andere stoffen te helpen die hij anders niet zou binnenkrijgen.
De kinderen keken toe terwijl hij een aantal planten uitprobeerde — dit kauwend, dat uitspuwend, nu en dan iets in zijn rugzak stoppend. Sawur probeerde behulpzaam te zijn. Ze wees hem een giftige klimplant aan voordat Louis zichzelf daarmee schade kon doen, en een blauwe bes waar de vogels dol op waren en die een veilige, citroenachtige smaak had. Maar een paddenstoelkap ter grootte van een eetbord leek hem een broeinest van allergische reacties…
Een eindje voor de kinderen uit bereikten ze een kleine waterpoel. Sawur deed hem stilstaan door haar hand op zijn arm te leggen. De waterspiegel was glad en roerloos. Zijn rug en zijn knieën protesteerden toen hij knielde.
Zijn haar… Hij had het nog nooit zó gezien — met allemaal grijze strengen erin. Zijn ogen hadden massa’s kraaienpootjes. Louis zag zijn leeftijd.
In een aanval van spijt dacht hij:
Ha, zo had ik me moeten vermommen op mijn tweehonderdste verjaardag!
Alle gasten op het feest zouden gillend zijn weggevlucht!
Sawur gaf hem een ondeugend grijnsje. ‘Had je gehoopt dat Strill bij je zou komen?’
Louis staarde haar aan en begon toen verbluft te lachen. Sawur had niet zijn leeftijd gezien, maar die van haarzelf!
Antwoorden werd hem bespaard, want inmiddels dromden de kinderen weer om hen heen.
Er was iets dat Louis te weten wilde komen. Hij kon het ontdekken door onderwijs te geven. Hij koos een netwerper met een blonde vacht uit, een jongen die voortdurend zijn best deed om Strills aandacht te trekken. ‘Parald, je weet dat alle mensen er vroeger hetzelfde uitzagen?’
Daar hadden ze van gehoord. Ze geloofden het half en half wel, maar ook half en half niet.
Louis tekende hem levensgroot in de moddergrond, de homo habilis, zo goed als hij kon.’Een Pak-voortplanter. Onze verre voorouders woonden op een planeet zoals de planeet waarop ik geboren ben, een bol, maar hun planeet bevond zich veel dichter bij het midden van onze sterrenzwerm.’ Hij tekende een afgeplatte spiraal, de Melkweg. ‘Wij woonden hier, de Paks woonden daar.’ Hij kon de wereld van de Paks niet tekenen; niemand had deze ooit gezien. ‘Op hun wereld groeide een plant die levensboom heet.’