Hij begon de homo habilis te veranderen. Hij gaf hem een gezwollen, misvormd hoofd, gezwollen gewrichten, een gerimpelde en geplooide huid, tandeloze kaken, waarvan het tandvlees was vergroeid tot een zware, benige snavel.
‘Jullie zijn nu kinderen en jullie worden later volwassenen,’ zei hij. ‘Toen alle mensen er nog hetzelfde uitzagen, lang voordat Ringwereld bestond, waren er kinderen, en volwassenen om nieuwe kinderen te maken, maar ook nog een derde soort, om de twee andere te beschermen. Volwassenen hadden in die tijd geen brein. Wanneer een volwassene oud genoeg was zou hij levensboom eten —’
‘Zij’,’ corrigeerde Parald giechelend.
Inderdaad, zulke soortnamen waren hier vrouwelijk. ‘Waarna zij in slaap viel en tijdens haar slaap van lichaam veranderde, zoals een rups in een vlinder verandert. Haar geslacht zou verdwijnen. Beschermheren, mannen en vrouwen, zien er allemaal precies hetzelfde uit. De kaken verhoornen tot een harde snavel, de schedel wordt groter, de gewrichten worden zwaarder en steviger om de spieren meer houvast te geven, en de hele huid wordt een soort pantser van leer. Zodra al die veranderingen voltooid waren, was ze veel slimmer en veel sterker geworden. En ze had voor niets anders oog dan voor de bescherming van haar kinderen. Beschermheren hebben vreselijke oorlogen uitgevochten over de vraag welke kinderen wel en welke niet zouden overleven.’
‘Waarom gebeurt dit niet met ons?’ vroeg Strill.
‘Er bestaat een element dat in de grond van de Boog nagenoeg volledig ontbreekt. Het virus dat beschermheren maakt kan het niet zonder dat element stellen. Maar in een grot onder een van de eilanden in de Grote Oceaan groeit nog steeds levensboom en in de wortels daarvan leeft dit virus wel. Het erge van een beschermheer is dat ze alles doet om haar eigen verwanten te bevoordelen. Wie Ringwereld ook gebouwd heeft, ze hebben de levensboom zo goed afgeschermd dat niemand erbij kan komen. Die plant groeit in kunstmatig licht in grote plantages onder de Kaart van Mars. Maar iemand moet er toch zijn doorgedrongen —’
‘En dat is waar de Netwerkhuizer bang voor is!’ kraaide Parald.
‘Precies. Hij denkt dat hij een beschermheer heeft gevonden in de buurt van de andere Grote Oceaan, en een tweede ergens halverwege de Boog, tegen draaiwaarts, en misschien nog andere die aan de randmuur werken. De Netwerkhuizer is niet verwant met welke menselijke beschermheer dan ook. Volgens hun instincten moeten ze hem als een vijand beschouwen. Hij beheerst de meteorenafweer vanuit het Reparatiecentrum. Daarmee kan hij verzengen wat hij maar wil, overal op de Boog. Dus voor wie moeten we bang zijn, voor de Netwerkhuizer of voor de beschermheren?’
De kinderen rilden, giechelden en begonnen toen druk te praten.
Louis luisterde en leerde. Ze wisten van het bestaan van beschermheren. Oorlog kenden ze alleen bij geruchte, maar die geruchten waren gekleed in beschermheerachtige harnassen. Alle humanoïden schenen die aanblik in hun geheugen te hebben, nu eens als helden, dan weer als monsters; hier als een Sint Joris, daar als een Grendel; soms als een voorbeeldharnas, zoals onder de Grasreuzen, soms als een ruimtepak, zoals onder sommige Randbewoners in de buurt van een ruimtehaven.
Na uitvoerige discussies schenen de kinderen zich aan de kant van Verst-in-de-achterhoede te scharen. Vreemdelingen waren geen concurrenten, ze stalen niet, verkrachtten niemand. En wie kon er een grotere vreemdeling zijn dan de Netwerkhuizer?
En daarna renden ze allemaal weg om een duik te nemen in de poel.
Een plant die hij hier zag deed hem denken aan een andere plant die hij kende, eentje met dikke, bietvormige wortels. Hij begon met zijn handen te graven. Sawur bleef even toekijken en vroeg toen: ‘Wel, Loewiewoe, kun je jezelf nu voeden?’
‘Ik denk van wel,’ zei hij. ‘Maar niet zo overvloedig dat ik er een buikje aan zal overhouden.’
‘En ben je blij dat je bij ons bent gekomen?’
‘Zeker.’ Hij luisterde maar met een half oor. Een besluit dat hij elf jaar geleden had genomen stond ernstig op de tocht. ‘Maar je wilde Strill.’
Louis zuchtte. Strill zou een genot zijn geweest, maar zelfs Sawur, volwassen met haar pakweg veertig Aardse jaren, was voor zijn begrippen al op het randje van kindermisbruik.
‘Strill is heel erg mooi,’ zei hij. ‘Sawur, als Strill bij me was gekomen zou dat slecht nieuws zijn geweest. Ik kan beoordelen hoe rijk een dorpscultuur is door te kijken welke vrouw haar tent met mij deelt. Ik word hier beschouwd als een prijs, iets begeerlijks, wat mijn werkelijke waarde ook moge zijn —’
‘Groot!’
‘— en jij hebt die prijs opgeëist. Maar als mensen sterven van de honger, of bedreigd worden door roofdieren, of in oorlog zijn, dan proberen ze te raden welke prijs ik zou wensen. En dan vind ik een verrukkelijke jonge vrouw in mijn bed, en dan weet ik dat we een probleem hebben.’
‘Maar jij toch niet?’
‘Nee, ik bedoel, dan hebben ze meer nodig dan alleen ideeën.’ Hij had twee van zijn lastschijven weggegeven aan mensen die aan de rivier woonden omdat ze dringend behoefte hadden aan hefvermogen. Hij wilde dat Sawur niet vertellen, dus hij beperkte zich tot: ‘Kennis is net zoiets als rishathra. Je hebt het, je geeft het weg, maar tegelijk houd je het. Maar ik heb werktuigen moeten weggeven.’
‘Waardoor was je vanmorgen zo verkrampt? Beschermheren?’
Louis stopte een wortel in zijn rugzak. Nu had hij er vier. ‘Jij weet van het bestaan van beschermheren?’
‘Sinds ik een klein meisje was. In de verhalen zijn het helden, maar aan het einde der tijden vernielen hun gevechten de Boog en de hele wereld. Kidada en ik vertellen zulke verhalen niet meer.’
‘Soms zijn het helden,’ gaf Louis toe. ‘Degene die bezig zijn aan de randmuur herstellen de motoren die de Boog precies op de goede plaats houden. Een van de andere heeft indringers onschadelijk gemaakt. Maar beschermheren kunnen ook een ramp zijn. Ze laten niets na om hun verwanten te helpen. Het archief van de Netwerkhuizer suggereert dat beschermheren alle leven op Thuis hebben uitgeroeid — een van onze vier bolwerelden. Dat maakte deel uit van een oorlog.’
‘Vertrouw je het archief van de Netwerkhuizer?’
‘Het is zeer goed.’
‘Zullen we gaan zwemmen?’
Halverwege de middag doodden de jongens iets dat op een kleine antilope leek. De kinderen kapten een stevige tak af om het dier naar het dorp te dragen en Louis droeg het voorste eind. Het was plezierig de sterkste man te zijn, maar geen ongewone ervaring. De gemiddelde humanoïde op Ringwereld was kleiner dan Louis Wu.
De Zwemmers waren vertrokken, maar de Zeilers en hun schip waren nog in de haven. Ze hadden een paar vissen gevangen en begonnen een vuur aan te leggen. Halverwege de avond was de antilope nagenoeg gaar.
Half zichtbaar tussen de hutten door vertoonde het venster in de rots deze avond beelden van Ringwereld als geheel — een geblokte, blauw-en-witte band met een zwart niets aan weerszijden.
Waar waren die verrekte vreesloze vampierdoders?
Louis legde zijn verzameling wortelen te poffen aan de buitenrand van het vuur. Kinderen en volwassenen bestookten hem met vragen.
‘Het is de Boog,’ legde hij uit. ‘Vanavond kijkt de Netwerkhuizer kennelijk helemaal tot aan de overzijde. Kijk, daar zien jullie een rand van de zon zelf, en dat daar is een stuk van de vierkante schaduwplaten die de zon ’s nachts afdekken. Al die witte vlekken zijn wolken. Nee, die kun je niet zien bewegen. Als ze zo snel bewogen dat je het op deze afstand kon zien zou de wind een orkaan moeten zijn die het hele landschap wegblies, tot op de kale scrith toe! Die glinsterende stippen en kronkelingen — zien jullie ze? — zijn zeeën en rivieren.’
‘Hij laat ons ook de sterren vergroot zien,’ zei de oude Kidada. ‘En die ene daar beweegt. Wat is dat, Louis? Probeert de Netwerkhuizer je iets duidelijk te maken?’