Aan de randen van de Boog waren alle heldere sterren op drift. De helderste bewoog zich echter in een richting die haaks stond op die van de rest. Louis had het al opgemerkt. De beweging werd trager naarmate het licht de randmuur dichter naderde. En nu was het op de randmuur, en veranderde het een deel van die muur in een fel oplichtende blauw-witte streep… en doofde toen uit.
‘Hij probeert me te vertellen,’ zei Louis, ‘dat er opnieuw een indringer op de Boog is gearriveerd.’
Parald sneed vlees af en gaf het eerste stuk aan Kidada, het volgende aan Sawur, waarna iedereen zich rondom hem begon te verdringen. Wheek bood Louis een gespietste vis aan. De Wevers en Zeilers voltooiden hun maaltijd en begaven zich daarna tussen de hutten door naar de rotswand.
Ik laat je zien dat Ringwereld een binnendringer heeft. Kom praten. Ik laat je Valavirgillin niet zien, levend noch dood. Dat moet je me eerst vragen!
Louis accepteerde een stuk antilopenvlees en bracht het met twee handen naar zijn mond, ondertussen achter Parald aan lopend.
De Wevers waren gaan zitten op de tafels en op de grond. Ze keken aandachtig toe. Sawur maakte naast haar plaats voor hem op een tafel.
Binnen het netwerkvenster gleed een vierkante schaduw voor de zon. Hierdoor werden de details scherper, beter zichtbaar.
Er vlamde een heldere lichtflits op naast de randmuur. De volgende paar minuten bewoog dat lichtpunt zich binnenwaarts over het oppervlak van Ringwereld, waarna het doffer en waziger werd, en ten slotte doofde.
Saai gedoe, maar ze bleven kijken. Louis vroeg zich af of Wevers verslaafd zouden kunnen raken aan passief amusement.
Nu bewogen de wolken zich wel. In snel vooruit was het patroon van de jagende winden te herkennen. Dat bleke zandlopertje daar leek de stroomlijnen aan beide einden in zich op te zuigen — een wervelwind van opzij gezien, een boorgat van een meteoor.
Nog steeds snel vooruit. Een zonnevlek stulpte zich uit tot voorbij de rand van het schaduwvlak. En ernaast, parallel aan de langgerekte zonnevlek, verscheen een dun, felgroen streepje dat zich razendsnel verplaatste en ten slotte als een heldergroene ster de randmuur raakte, daar waar de eerdere ster tot stilstand was gekomen. En de nieuwe ster, de groene, zweefde bij de rand vandaan, en ging af en toe schuil achter wolkenformaties.
Pas toen het laatste strookje van de zon in de schermprojectie afgedekt was keerden de Wevers allemaal terug naar hun hutten. Hun opgewonden gebabbel werd vaak onderbroken door geeuwen. Louis zag het met verbazing aan. Deze Wevers waren echt pure dagmensen!
Voordat Verst-in-de-achterhoede kon besluiten hem in ieders aanwezigheid aan te spreken wandelde Louis terug naar het vuur en haalde er twee gepofte wortels uit.
De ene smaakte bitter, de andere was niet gek. Hij had wel eens slechter gegeten.
De Zeilers waren er nog. Een van hen kwam naar hem toe. ‘Die hele show is er voor jou, nietwaar?’
Louis keek achterom. De groene ster in het venster van Verst-in-de-achterhoede was inmiddels uitgedoofd.
‘Ik weet niet wat ik tegen hem moet zeggen,’ zei Louis. ‘Wheek, heeft hij ooit tegen jou gepraat?’
‘Nee. Ik ben bang voor hem.’
De boodschap van Verst-in-de-achterhoede leek duidelijk genoeg. Fusiekracht — een binnendringend ruimteschip. ARM, het patriarchaat, de Vloot der Werelden, alle drie wisten ze van het bestaan van Ringwereld. Alle drie hadden ze tijd gehad om een expeditie uit te rusten. Maar de indringer zou ook een terugkerend schip van de Stedenbouwers kunnen zijn, of iets totaal anders.
De meteorenafweer zou niet reageren als een binnendringer zich traag bewoog. Er was dus iets of iemand actief om deze schepen af te schieten. De moordenaar had echter een probleem: de snelheid van het licht. De binnendringer was op slechts enkele lichtminuten van de tweede Grote Oceaan geland, maar de aanval was pas uren later gevolgd. Er moest een zonnevlek worden opgewekt en het plasma moest een superthermale laserstraal genereren; dat kostte allemaal tijd. En dan was er bovendien die vertraging wegens de snelheid van het licht. Een prooi kon nog ontsnappen!
Verst-in-de-achterhoede zou buitengewoon graag een onbeschadigd schip met hyperaandrijving willen hebben!
Er klonk zachte muziek vanachter het struikgewas in de verte. Wheek was naar zijn boot gegaan. Louis trok een derde wortel uit het vuur en sneed hem overlangs doormidden. Toen hij de helften van elkaar haalde steeg er een damp op die leek op die van een zoete aardappel.
Hij vroeg zich af of hij hier ergens wilde levensboom zou aantreffen. Niet dat het erg zou zijn. De grond bevatte hier beslist niet genoeg thallium, dus het virus dat de veranderingen veroorzaakte zou in die plant niet gedijen. En door de plant te koken kon je het doden.
Louis at op zijn gemak en liep toen naar de gevlochten hut van Sawur. Het leek alsof de muziek luider werd. Vreemde klanken, een schril mengsel van gefluit en getokkel. Hij bleef voor de ingang van Sawurs hut staan luisteren.
De muziek zweeg. ‘Wilt u niet praten met de Netwerkhuizer?’ vroeg een stem.
‘Vanavond niet,’ zei Louis. Hij keek om zich heen. Het was de stem geweest — met een klein spraakgebrek — van een kind. Het was een beetje mistig deze avond, maar de nachten op Ringwereld waren helder, dus Louis had toch in elk geval iets moeten zien. ‘Laat jezelf eens zien.’
Er verscheen een nachtmerrie vanuit de bosjes. Sluik haar bedekte het hele lichaam; het had de kleur van de nacht. Een overdreven grijns ontblootte grote, brede tanden. Lange armen, schopvormige handen. Een ervan hield een harpje vast.
De Demon leek mannelijk, maar het geslacht ging schuil achter een kilt. Weinig haargroei in het gezicht, een vlakke borst: een kind, jongen dan wel meisje.
‘Mooie kilt,’ zei Louis.
‘Mooie rugzak. Iedereen in het stroomgebied van de Shenthy is dol op het werk van de Wevers.’
Dat was Louis bekend. Hij had tienduizenden kilometers stroomafwaarts al WeversProducten gezien. ‘Zorgen jullie voor de protectie van de Wevers?’
‘Pro…’
‘Bewaking. Bewaken jullie hun spullen ’s nachts tegen diefstal?’ ‘Ja, we houden dieven tegen.’
‘Maar jullie worden niet betaald voor de normale… eh…’
Bij wijze van antwoord (was er wel een woord voor lij ken verwijdering annex begrafenisdienst?) begon het kind in de handgreep van zijn harp te blazen, terwijl de vingers van zijn ene hand op de snaren tokkelden en die van de andere de toongaatjes beroerden. Hij speelde een wijsje op zijn combinatie van speelgoedfluitje en tokkelinstrument, en hield het instrument toen een eindje voor zich uit. ‘Hebt u een naam hiervoor?’
‘Een onecht kindje van een harp en een mirliton, zou ik zeggen, Mirarp’
‘Dan heet ik Mirarp,’ zei de Demon. ‘U bent Louis Wu?’ ‘Hoe —’
‘We weten dat u een oceaan hebt doen koken, een heel eind hiervandaan op de Boog.’ Mirarp wees. ‘Daar. U was eenenveertig falans verdwenen en nu vinden we u hier.’
‘Mirarp, jullie communicatie is indrukwekkend. Hoe doen jullie dat?’ Louis verwachtte geen antwoord. Demonen hadden zo hun geheimen.
‘Spiegels en zonlicht,’ zei Mirarp. ‘Was de Netwerkhuizer vroeger uw vriend?’
‘Bondgenoot. Niet vriend. Het is ingewikkeld.’
De humanoïde met het spitse gezichtje nam Louis aandachtig op. Louis probeerde de mondgeur van de kleine lijkeneter te negeren. ‘Zou u ook met mijn vader hebben gepraat?’ vroeg het kind.
‘Misschien. Hoe oud ben je?’
‘Bijna veertig falans.’
Tien jaar. ‘Hoe oud is je vader?’
‘ Honderdvijftig.’
In falans gerekend ben ik ongeveer duizend,’ zei Louis Wu. Hij was tot de conclusie gekomen dat het kind zich te openlijk vertoonde. Was het een afleidingsmanoeuvre? Luisterde zijn vader stiekem mee?