In geval van twijfeclass="underline" blijf zoeken. Drie grote waterbakken met kranen. Een lage tafel van hout dat kromgetrokken was. En aan wel honderd haken hingen metalen kommen en borden met een lange steel eraan vast. Achter een paneeltje op ooghoogte trof Tegger iets aan dat hij herkende: pinnetjes die door dunne stoflijntjes met elkaar verbonden waren.
Hij begon de lijntjes te vervangen door strookjes Vala-stof.
Er gingen lampen aan.
Zes verbindingen had hij gelegd; een ervan zorgde voor licht. Wat deden de andere?
Er waren meer deuren aan de achterzijde. Tegger pakte zijn fakkel en ging naar binnen.
Dit was een provisiekamer: kasten, laden, manden. De vluchtige restjes van oude geuren waren niet onaangenaam. Planten. Ze roken nu niet meer als voedsel, maar waren dat waarschijnlijk ooit wel geweest. Tegger onderzocht de verdorde plantenresten, maar vond niets dat zelfs een Grasreus zou willen eten.
Zaten ze op die halve cirkels om te eten?
Misschien. Tegger keerde terug naar de kamer waar het licht brandde. Het leek er nu warmer… maar nog steeds snapte hij het niet, tot hij probeerde te steunen op een van de gladde platen.
Rode Herders gillen niet als ze zich pijn doen. Tegger wreef voorzichtig over zijn verbrande onderarm en ontblootte zijn tanden in een grimas van pijn. Hij dacht zorgvuldig na en begon toen op de metalen platen te spuwen.
Twee keer begon zijn spuug meteen te sissen.
De metalen deuren van twee van de kastjes waren te heet om aan te raken.
Hij moest zich in een soort chemisch fabriekje bevinden. Andere humanoïden zouden dit alles misschien beter begrijpen dan hij.
De piek van de Stad bestond uit een grote, plompe schacht met een soort wespentaille halverwege. Een spiraalvormige buitentrap bracht hem tot boven. Tegger keek om zich heen als een koning.
Wat hem tevoren was ontgaan, was opeens glashelder nu hij het hoogste punt van de Stad had bereikt: alle daken hadden dezelfde kleur! De vlakke daken van de blokvormige gebouwen, maar ook de ronde bovenkanten van tanks, allemaal waren ze glinsterend grijs. Soms stonden er met dunne lijnen geschilderde tekens op de grijze ondergrond. De enige uitzondering vormden de huizen aan weerszijden van de Trappenstraat, want hun platte daken waren bedekt met grond en planten, en hier en daar een zwembad. Maar de trappen zelf waren zilverig grijs!
De zijwanden van de bouwsels hadden echter alle kleuren van de regenboog. Bij de industriële gebouwen leek dit niet voor de sier bedoeld, maar als herkenningsmiddel. Er waren ook teksten te zien in een schriftsoort — een mengsel van rechtop, scheef en gekruld — die Tegger niet kende. En er waren beeldsymbolen.
De oude Stedenbouwers konden vliegen. Waarom dan niet ook de bovenkanten duidelijk gemarkeerd? Of had dit grijze materiaal misschien… kon het… Flup, bijna had hij het.
Blijf erover nadenken. Ondertussen…
Hij stond aan de bovenrand van een kolossale pijp, tien manshoogten hoog en ongeveer even groot van doorsnee. Tegger boog zich voorover en keek naar beneden; de diepte was aanzienlijk meer dan tien manshoogten. De geur van as en chemische stoffen was zwakjes, maar echt geen verzinsel. Hij had hier te maken met een schoorsteen die groot genoeg was voor een heel stel dorpen bij elkaar.
Dit alleen kon al voldoende reden zijn om een fabriek zwevend te maken. De rookwalmen van zulke grootschalige verbrandingsprocessen bleven misschien wel jaren hangen voordat ze wegdreven, maar in elk geval gingen ze eerst een flink eind omhoog. Het was misschien een manier om geïrriteerde buren een beetje te vriend te houden. Maar aan de andere kant: hoe hadden die buren op een zwevende fabriek kunnen komen om hun beklag te doen?
Hij had nu een kwart van de dag trappen beklommen en huizen doorzocht, maar de kruisers hadden zich niet bewogen. Valavirgillin moest die rotspiek hebben gekozen bij wijze van strategische positie, waar ze zich konden verdedigen. Hij had gezien dat wachtposten elkaar afwisselden en dat ze de rivier, het Schaduwnest en het zwevende dak daarvan in het oog hielden.
Tegger trok zijn poncho uit om de onmiskenbare kleur van zijn huid zichtbaar te maken. Aan de rand van het hoogste punt van de stad stak hij zijn armen in de lucht en begon te zwaaien.
Warvia, door de kracht van onze liefde, en Valavirgillin, door de macht van het lapje stof dat ik van jou heb gestolen, is het mij gelukt deze plek te bereiken! En hier zal ik iets volbrengen, ik weet nog niet wat of hoe, maar ik zal iets volbrengen!
Hadden ze hem gezien? Hij dacht dat ze naar hem wezen.
Wel, mooi zo.
De Stad onder hem helde naar beneden. Hij wist de kade te vinden en kon zich met behulp daarvan oriënteren. De huizen en de trappen begonnen vlak onder hem en liepen helemaal door tot aan de Randstraat, en samen vormden ze een zigzaggende lijn die bijna recht tegenover de kant van de kade lag.
Van wat hij zag begreep hij het meeste nog steeds niet, maar…
Watertorens. Zestien grote cilindervormige tanks, van boven open, lagen regelmatig verspreid over de Stad. Het leek hem een gegrond vermoeden dat ze dienden om water te bevatten. In ieder geval de huizen, en ook de vensterkoepel, hadden water nodig gehad. Maar nu waren de reservoirs stuk voor stuk leeg. Net als de zwembaden aan weerszijden van de Trappenstraat. Allemaal leeg.
Na de Val der Steden hadden de burgers waarschijnlijk geen vervoer meer gehad om hen naar beneden te brengen. Sommigen moesten via de hellingbaan zijn afgedaald, maar toen de vampiers zich beneden hadden genesteld was die optie vervallen. Ze zaten vast.
Ze hadden water nodig gehad. Er was een rivier, er moesten pompen zijn. Waartoe zouden ze een fabriek anders boven een rivier laten zweven? Maar de pompen werkten waarschijnlijk niet meer en de regens waren toen nog niet begonnen.
Maar ze hadden het water van de Stad laten weglopen. Waarom hadden ze dat gedaan? Waren ze toen misschien al krankzinnig geworden?
Fluister was weg en zijn eigen verstand was niet toereikend voor deze vragen. Hij moest op een of andere manier de kruisers naar boven zien te krijgen.
Hij sliep die nacht in de vensterkoepel, op een van de treden. Het leek veilig en het uitzicht beviel hem zeer.
Laat in de avond verliet een stroom van honderden vampiers het Schaduwnest; ze volgden de Thuisvloed stroomopwaarts en trokken de bergen in. Toen het laatste reepje van de zon was verdwenen liep hun aantal in de duizenden.
Vala’s metgezellen reageerden verschillend op het zo rakelings passeren van dergelijke grote massa’s vampiers. De Sprokkelaars ontging het gewoon; zij moesten ’s nachts slapen. Vala had zich al snel gerealiseerd dat ze in het donker geen Grasreuzen op wacht kon zetten. Iedereen kon hun moed zien, maar ook kon iedereen hun angst ruiken…
Uitgezonderd Beedj. Hoe trainden ze een Thurl in de dop? Was het iets waar zij ook gebruik van kon maken? Ze had de rest naar bed gestuurd en voortaan op haar eigen mensen en de Demonen vertrouwd.
Hoe benauwd ze zich ook voelden, ze kwamen veel te weet over het gedrag van de vampiers.
De tweede nacht liep ten einde en nu liepen de vampiers strompelend naar huis, in een stromende regen uit een zwart wolkendek. Hun aantallen waren enigszins uitgedund, zei Harpist, en ze hadden enkele tientallen gevangenen bij zich. Ze waren onderling veel minder ruzie-zoekerig dan op de heenweg.
De Demonen deden verslag van bouwsels die ze in het Schaduwnest konden zien. Er waren hutten en voorraadschuurtjes; vele daarvan waren ingestort. Iets bergachtigs verhief zich midden in de rivier. De Demonen konden de top ervan niet zien, daarvoor was hun positie te hoog.
Behalve de spiraalvormige hellingbaan konden ze geen enkele manier ontdekken om naar boven te komen.
Er was een afvalhoop, een vuilnisbelt naast de stuurboord-tegen-draaiwaartse rand van het Schaduwnest. Deze moest in de loop van vele generaties zijn opgehoopt tot een stapel botten en lijken van vampiers en gevangenen die zo hoog was geworden dat zelfs Vala hem kon zien toen ze hem aanwezen. Hij bevond zich te dicht bij het Schaduwnest om voor de Demonen van nut te zijn.