En onder de zwevende fabriek was er geen plek waar het niet wemelde van de vampiers.
Het was nu klaarlichte dag en de stroom vampiers druppelde nog maar een beetje na. ‘Als dit is opgehouden gaan we terug naar de rivier,’ zei Vala.
‘We hebben onze slaap nodig,’ zei Harpist.
Ik weet het. Jullie blijven hier.’
‘We zijn toe aan een nieuw bad en we moeten dingen bijleren. We zullen onder het zeil slapen. Wek ons bij de rivier.’
Valavirgillin volgde met haar kruiser de oever van de rivier. Er was geen mogelijkheid om iets dat zo groot was te verbergen, dus ze bespaarde zich de moeite.
Flarden helder daglicht werden afgewisseld door regenvlagen. Het Schaduwnest lag dreigend voor hen uit, al te dichtbij! Geen van haar metgezellen kon binnenkijken in de zwarte duisternis onder de oude zwevende stad, maar op momenten dat het zwarte wolkendeksel zich op zijn beurt over het geheel stulpte, zag Vala bewegingen aan de randen van het Schaduwnest. In elk geval waren er dus sommige vampiers actief.
Het was middag. Vala hield het weer met zorg in de gaten. Als het te donker werd zouden er vampiers naar buiten komen om te jagen.
De grote plaat stak schuin omhoog uit het modderige water. Zo te zien was er niet gemakkelijk bij te komen. De vampiers schenen op veilige afstand te zijn.
Vala stapte uit en liep de modder van de rivier in. Er doken twee zwarte hoofden op en hun eigenaars zwommen naar haar toe.
Tegenover humanoïden die andere individuen misschien niet goed konden herkennen was het verstandig je telkens opnieuw voor te stellen. Ik ben Valavirgillin —’ begon ze.
‘Rooballabl, Fudghabladl. De rivier is hier ondiep. Je kruiser kan veilig tot op het eiland rijden. Daar ben je moeilijker aan te vallen.’
‘Dit zijn Warvia, Manack, Beedj.’ Barok en Waast bedienden het kanon. ‘We zijn niet van plan hier te blijven. Roobla, we hebben vannacht op deze plek activiteiten waargenomen.’
‘De Rode metgezel die we van jullie in het oog moesten houden. We konden niet in de buurt komen, maar we zagen hem vechten en we zagen hem vliegen. Fudghabladl zegt dat hij iemand bij zich had. Zelf heb ik niemand gezien.’
‘Iemand bij zich?’ barstte Warvia uit. ‘Waar zou Tegger een metgezel vandaan moeten halen? Was het een vampier?’
Ik heb niemand bij hem gezien, van welke soort dan ook. Fudghabladls gezichtsvermogen neemt af. Tegger sprak af en toe in zichzelf. Hij kwam naar dit gekantelde vliegende platform kijken. Zes vampiers hebben hem besprongen. Ze probeerden niet hem te verleiden, maar gingen regelrecht in de aanval.’
Rooballabl klonk kregelig, alsof de vampiers een spelregel overtreden hadden. Vala knikte. Het onthouden waard.
Afgezien daarvan hadden de Riviermensen weinig meer gezien dan Warvia vanaf de kruisers. Toen ze waren uitgepraat vroeg Vala: ‘Zijn jullie hier veilig?’
‘We geloven van wel. Ook wij leren dingen bij. Wisten jullie dat er in het Schaduwnest gevangenen leven?’
‘We hebben gezien dat ze gevangenen meebrachten bij hun terugkeer door de pas,’ zei Warvia.
‘Sommige lopen vrij rond,’ zei Rooballabl. ‘We zijn er niet dichtbij geweest, maar we hebben ze gezien. Nooit waren er meer dan twee of drie tegelijk vrij.’
‘Welke soort?’
‘Twee grote mensen kwamen naar buiten om van het gras langs de rivier te eten en keerden toen weer terug naar de schaduw. Grasreuzen, denk ik. Veel vampiers kwamen hen tegemoet. Deze vampiers vochten met elkaar. Sommige werden weggejaagd, de andere voedden zich aan de Grasreuzen. Deze hebben het niet overleefd. Maar we hebben ook Boeren uit de draaiwaartse Delta gezien. Die kwamen wortels zoeken, en die hebben ze gekookt en opgegeten. Zij konden levend terugkeren.’
Fudghabladl zei iets. De Riviermensen praatten even met elkaar en toen begon Rooballabl als tolk op te treden, sprekend in korte zinnetjes. ‘Fudghabladl zag een roodhuidvrouw. Ze jaagde een halve dag, maar beroerd. Ze had geen geduld. Ze keerde steeds weer terug naar de schaduw en haar vampier. En dan stuurde hij haar weer weg. Laat in de middag vond ze een drinkende springbok. Ze besprong het dier en brak zijn nek. Ze sleepte het de schaduw in. Drie vampiers hielden de rest door dreigementen op een afstand. Dit drietal dronk het bloed van de bok, daarna rishten ze met de Rode en ten slotte at deze van het vlees. Ze was erg hongerig.’
Vala probeerde de hete woede en schaamte in Warvia’s gezicht niet te zien. ‘Heb je iemand van mijn soort gezien?’ vroeg ze Rooballabl.
Weer praatten de Riviermensen onderling. Dan: ‘Eentje, een jonge vrouw. Ze wordt bewaakt door een mannelijke vampier. Valavirgillin, heb jij al iets bereikt?’
‘We hebben Tegger naar ons zien zwaaien. Hij is daarboven, levend en wel. Ik zie nog niet hoe we zelf bovenop kunnen komen. En ik zie ook nog niet wat we verder zouden kunnen proberen.’
‘Wat had je verwacht te doen?’
‘De Demonen,’ zei Warvia nogal snibbig, ‘hadden zogenaamd een plan. Maar de hellingbaan die ze wilden gebruiken komt niet tot aan de grond.’
Vala verwachtte min of meer dat er vanonder het zeil boos gereageerd zou worden, maar het Nachtvolk bewaarde de vrede.
‘Die baan moet ooit tot de grond hebben gereikt,’ zei Rooballabl. ‘Anders heeft zoiets toch geen zin?’
Toen de stad nog werkte, beschikte men natuurlijk over vliegend vrachttransport, maar rijdend transport zou goedkoper zijn geweest en er waren ook vast wel vrachten die gewoon te zwaar waren voor vervoer door de lucht. Ik vermoed dat de Val der Steden de vampiers hierheen heeft gehaald,’ zei Vala.
‘Hoe dan?’ vroeg Beedj.
Met haar blik gericht op de nevelige contouren van het Schaduwnest liet Valavirgillin haar fantasie de vrije loop, en haar tong volgde vanzelf. ‘Een industrieel centrum kan zich geen vampiers in zijn kelder permitteren. Die hebben ze dus op een of andere manier weten weg te houden, maar toen de steden gevallen waren werkte dat niet meer. Vampiers zoeken schaduwen op. Ze hebben zich hier genesteld. In een bepaalde nacht zijn ze via de hellingbaan naar boven gegaan. Ze hebben niet iedereen te pakken gekregen, dus de volgende dag hebben de belaagde bewoners de hellingbaan een eind omhoog gehesen…’
‘Hoe dan?’ vroeg Beedj weer.
Vala haalde haar schouders op.
Rooballabls stem deed denken aan ploppende luchtbellen in de modder. ‘Vraag liever waarom. Ze hebben een kolossale hangende weg gebouwd voor voertuigen die zelfs te groot zouden zijn voor Teggers vrachtplaat. Waarom zou iemand willen dat zoiets ook nog beweegbaar was, ophijsbaar? Een dergelijke… verticale brug zou op zichzelf al moeilijk genoeg te construeren zijn, en extra kwetsbaar als ze moest kunnen worden opgehaald. Wij hebben enig idee van gewicht en massa, meen ik.’
Rooballabl had gelijk en Vala was geïrriteerd. Ik weet het antwoord niet. Misschien een oorlog tussen mensen die konden vliegen en mensen die dat niet konden? Dan zou je zo’n brug toch maar al te graag kunnen ophalen, zogezegd!’
Haar bemanningsleden keken elkaar aan. ‘Heeft iemand van jullie gegevens over zulke oorlogen?’ vroeg Beedj. Niemand zei iets. ‘Geruchten misschien?’
‘Laat maar zitten,’ bitste Vala.
‘Waarom een ophijsbare hellingbaan?’ vroeg Manack. ‘Waarom niet gewoon de hele stad een eindje hoger laten stijgen?’ Maar hij mocht dan van een andere soort zijn, hij verstond Vala’s lichaamstaal. ‘Laat maar zitten,’ zei hij dus haastig.
De hemel was zwart en de regen gutste naar beneden toen Tegger de schaduwstraat in liep.
Hij ontstak een fakkel zodra dat mogelijk was, maar het licht reikte niet ver. Het bescheen een nietszeggende ronde uitsnede van de weg naar beneden. Hij liep een kabaal als van een stortbui binnen. Hij bewoog zich voorzichtig naar rechts, waar hij een reling vond die tot zijn borst reikte.