Hij keek over de rand, maar zag niets.
Ze moesten hem hebben gezien. Misschien hielden ze niet van zijn fakkel, maar het was wel een manier om op te vallen. Hij had er nog negen bij zich. Wat zou er gebeuren als hij er een, brandend en wel, naar beneden Het vallen?
In plaats daarvan boog hij zichzelf ver over de reling en mikte de fakkel zodanig dat deze op het wegdek van de winding onder hem terechtkwam. Hij bleef even kijken of de vlam niet doofde en liep toen een eindje verder over de hellingbaan naar beneden. Tot nu toe had hij iets meer dan een volle draai afgelegd.
Nu kon hij zijn ogen aan hun nachtzicht vermogen laten wennen.
Deze geuren herinnerden hem aan de nachten waarin hij samen met de anderen had zitten wachten tot de Demonen zich zouden melden. De geluiden deden ook denken aan wat ’s avonds in de grote hut van de Thurl te horen was geweest: huiselijke klanken, vage stemmen, oplaaiende ruzietjes, alles in een onverstaanbare taal — maar hier tegen de achtergrond van een geluid als van een waterval. Zo erg als hij het zich verbeeldde was het in werkelijkheid daar beneden vast niet…
Tegger keek over de rand.
Het platte onderstuk van de spiraalbaan hing hoog boven de grond. Er was iets in Tegger dat die constatering grappig vond. Hij zag bleke driehoekige gezichten naar boven kijken, en ook dat was lollig. Tegger begon te giechelen.
Ginds, diep in de schaduw, stortte water in een verticale rivier naar beneden — een zeer grootschalige waterval. Alle regenwater dat op de Stad viel stortte daar neer op een of andere grote zwarte massa en stroomde vervolgens weg in de Thuisvloed.
Hij bevond zich aan de rand van de Stad. De waterval moest ergens in de buurt van het centrum naar beneden plenzen, maar het lawaai was zelfs hier nog luidruchtig. Het water stortte op, nee in, een groot, complex bouwsel, en stroomde daarvandaan via kleinere watervallen en beekjes naar de Thuisvloed. Tegger zag weinig anders dan donkere en net iets minder donkere contouren, maar hij had hier voor zich… een fontein. En het was een fontein van een formaat dat alleen de oude Stedenbouwers zelfs maar konden verzinnen.
De Thuisvloed stroomde aan weerszijden om de fontein heen. Daar leek haar bedding in een betonnen keurslijf geperst. Waar het beton ophield, onder Teggers uitkijkpositie, waren er stroomversnellingen. Het water dat naar beneden viel, gevoegd bij het momentum van de Thuisvloed zelf, had hier een diepe kloof uitgesleten, waarvan alleen de zijwanden te zien waren in het felle tegenlicht dat daar onder de rand van de Stad binnenviel.
En natuurlijk waren er overal vampiers.
De meeste sliepen; ze lagen knus bij elkaar, zo te zien in gezinsverband. Wacht eens… was dat daar iemand van de Machine-mensen?
Moeilijk te zien, zo in het donker. Een vrouw, ondanks de snor; ze had borsten. En geen kleren aan. Ze was het middelpunt van een groepje vampiers.
Het kwam Tegger voor dat ze haar beschermden tegen andere vampiers: tegen dieven. Het groepje bestond uit vier vampiers van een volwassen maat, twee andere, klein genoeg om kinderen te zijn, en een baby, die een van de vrouwen in haar armen hield. Alles bij elkaar genoeg om de Machine-mens te beschermen.
Er waren ook Machine-mensen gevangengenomen tijdens de aanvallen op de Thurl en zijn volk. Tegger bleef kijken.
De baby ontwaakte en probeerde een tepel te vinden.
De vrouw werd nu ook half wakker. Ze gaf de baby aan de Machinevrouw. O, flup, de Machinevrouw bracht het hoofdje van de baby naar haar nek!
Tegger Het zichzelf in het donker als een vaatdoek over de reling leunen. Hij had al een poos niets gegeten, maar oud vogelvlees in zijn maag probeerde alsnog een weg naar boven te vinden.
Waarom verzamelen vampiers gevangenen?
Hoe zogen vampiers hun baby’s?
Tegger wilde er verder niets van weten.
Soms is het de kunst een probleem gewoon even van je af te zetten. Tegger was al bijna terug in het licht van de bovenstad, toen in zijn geest opeens alles op zijn plekje viel.
Water. Hellingbaan. Lampen. Vampiers onder de zwever, in de val zittende Stedenbouwers erbovenop. De kruisers!
Er moest meer informatie worden verzameld, maar Tegger wist in ieder geval wat hij nu behoorde te doen. En de rest… wel, uiteindelijk zou hij hulp hebben.
Overal op het zwevende fabriekscomplex waren er lampen gaan branden.
Valavirgillin snakte naar wat slaap en ze zou nu snel haar bed gaan opzoeken, maar wat waren ze mooi, die lichten! Haar geest dwaalde af.
Het voedsel werd schaars, hier op dit hoge punt. Er was weinig gras, en prooidieren waren zeldzaam en watervlug. De Sprokkelaars konden genoeg voedsel vinden. De Riviermensen hadden vissen gevangen — meer dan genoeg om anderen erin te laten delen. Kruiser Een had hele manden vol meegebracht. Die vissen zouden iedereen voorlopig voeden, behalve de Demonen en de Grasreuzen. Ook de Machine-mensen zouden iets anders dan alleen vis nodig hebben, maar nog niet meteen.
Een paar vampiers waren op jacht in de omgeving van de vuilnisbelt naast het Schaduwnest. Ze moesten honger hebben, dacht Vala, maar ze hadden enig succes. Warvia meldde de aanwezigheid van lijkeneters die geen Rode ooit eerder had gezien. Misschien doodden Demonen alle concurrerende aaseters die ze tegenkwamen.
Fudghabladl had gezegd dat ze vroeger lijken in de Thuisvloed gooiden. In die tijd moest het aantal vampiers kleiner zijn geweest. Nu legden ze de lijken een eind bij de rivier vandaan op een stapel. Op die lichamen kwamen aaseters af en deze werden op hun beurt om hun bloed belaagd door uitgehongerde vampiers.
De kruisers stonden nu weer rug aan rug opgesteld en er werd wacht gehouden. De vampiers hadden hen de eerste nacht genegeerd. Ze hebben de hele dag gehad om ons te bekijken. Zoals wij hen hebben bekeken.
Over een dag of twee zou de meegebrachte grasvoorraad op zijn. De Grasreuzen zouden dan op de vlakte nieuwe voorraad moeten halen, uiteraard onder bewaking en alleen overdag. De Demonen zouden ook wel mondvoorraad kunnen vinden. Van de gevangenen die de vampiers meebrachten moesten er onderweg een aantal omkomen.
Treurbuis sprak. ‘Energie kan niet stromen zonder de hulp van een bepaald, zeldzaam materiaal.’
Valavirgillin sprong niet op en keek ook niet om zich heen. Ik weet het.’
‘Zeldzaam. Een aantal draden moet de Val der Steden hebben overleefd, of is misschien later onder de Boog gebracht. Waar zou een Rode Herder het vandaan kunnen halen?’
‘Uit mijn rugzak, denk ik,’ zei Valavirgillin. Demonen kenden alle geheimen. ‘Een bof voor Tegger. Anders zou hij daar bij de rivier gestorven zijn.’
‘Ja.’
Valavirgillin verbrak de daaropvolgende stilte. ‘Louis Wu gaf me bij het weggaan een voorraad… het heeft een lange naam… supergeleiderdoek. Ik heb het verkocht aan Stedenbouwers die een zwevende stad bewoonden. Zij gebruikten het om hun lampen en watercondensators weer in werking te stellen. En ik was rijk. Ik heb toen Tarablilliast als paargenoot genomen. Ik heb drie kinderen gebaard. Mijn geld heb ik geïnvesteerd in een project om het materiaal te produceren dat Louis Wu had beschreven. Plastic. Tarablilliast heeft nooit geklaagd dat ik ons geld verspilde.’ Behalve één keer, herinnerde ze zich. ‘Uiteindelijk was het trouwens mijn geld. Hij heeft bij onze paring weinig ingebracht.’
‘Dit plastic.’ Treurbuis sprak het woord precies zo uit als ze het Valavirgillin had horen doen. ‘Heeft het een naam in een van onze talen?’
Ik denk van niet. Louis beschreef een materiaal dat kon worden gemaakt van de smerige afval- producten die je overhoudt als je brandstof produceert. Het is geurloos. Kan elke vorm aannemen. Hij heeft me een paar voorwerpen van plastic laten zien. Voor de rest moest ik op de gok werken. Tarbavala Labs heeft resultaten geproduceerd… antwoorden gevonden… maar niets dat we konden verkopen. Tarb en onze ouders zorgen voor onze kinderen en ik probeer geld bij elkaar te schrapen om onze onderneming draaiende te houden. Ik dacht dat een handelsmissie me verder zou helpen. Andere humanoïden overhalen om alcohol te produceren levert een bonus op. Handel kan bijkomende winsten opleveren.’