Выбрать главу

Maar dat was een overeenkomst tussen gelijken geweest… nee, toch niet: Nessus werd geacht, al eeuwenlang, waanzinnig te zijn.

In de gehele bekende ruimte hadden Poppenspelers zich altijd keurig gehouden aan hun afspraken met de verschillende andere soorten.

Hij was Sawur vergeten en hij schrok op toen zij begon te praten. ‘Je hebt mij mijn jeugd gegeven en meteen weer afgepakt, als ik je rare droom moet geloven. Maar ik kan je één ding vertellen,’ zei ze met een bittere ondertoon in haar stem, ‘hoe ouder ik word, hoe meer ik zou geven om weer jong te zijn. Als jij nooit meer iets met de Netwerkhuizer te maken wilt hebben, moet je dat zelf weten. Maar als je dat wel wilt zou het buitengewoon stom zijn daarmee te wachten tot je oud en ziek bent!’

En op dat punt, vond hij, had ze volkomen gelijk.

Die avond bakten ze hun vlees, en de Zeilers hun vissen, en Louis kookte zijn eieren en een wiersoort die eetbaar was gebleken, waarna ze zich allemaal naar de voet van de rotswand begaven.

Louis speurde tussen de struiken naar Fagot. De Demon was nergens te zien, maar luisterde ongetwijfeld mee.

Het zwevende fabriekscomplex was levenloos geweest toen Louis het de vorige keer had gezien, maar het netwerkoog van Verst-in-de-achterhoede toonde hem nu een zwever die overal felle lichten had ontstoken.

‘Je hebt me te pakken,’ zei Louis tegen de lege lucht. Ik wil weten hoe dat heeft kunnen gebeuren.’ Het beeld versprong…

14. Invasie

Puntige klauwtjes beroerden haar pols. ‘Treurbuis?’ fluisterde ze.

‘Harpist. Mijn paargenoot wekt anderen. Valavirgillin, je moet komen kijken.’

Het leek alsof ze nog maar net in slaap was gevallen. Vala kroop onder haar deken uit. Ze zei niet: ‘Het is je geraden dat het echt iets belangrijks is.’ Andere mensensoorten hadden zo hun eigen prioriteiten; een handelaar moest daar rekening mee leren houden.

Een inktzwarte nacht, regen. Het Schaduwnest was een troebele vlek. Harpist was teruggekeerd naar de kruiser. Waast en Beedj kwamen naar buiten, daarna Barok. ‘Wat is er, baas?’ vroeg Barok.

Ik zie niets.’

Warvia kwam naast hen staan. ‘Het is nogal donker daar beneden, Valavirgillin.’ ‘Zeg dat wel!’

‘De hellingbaan. Vala, kun je het echt niet zien? En niet alleen de hellingbaan. De hele stad is een eindje gezakt. Flup, Manack had gelijk!’

De bemanningsleden van Kruiser Twee kwamen allemaal tegelijk naar buiten; ze kwebbelden tussen het gapen door. Zij zagen even weinig als Vala, maar Harpist, die nu naast Warvia stond, zei: ‘Het is geen inbeelding. De vampiers proberen op de baan te springen, maar ze hangt nog te hoog.’

‘Maar dat zal niet lang meer duren!’

‘Het is Tegger!’ riep Warvia. ‘Hij heeft het gedaan!’

‘Maar dan drommen ze straks over de hellingbaan naar boven!’

Is dit echt? Vala vroeg het zich af. Niemand kon de veranderingen zien, behalve Warvia en de Demonen, maar zelfs zij beweerden niet dat de hellingbaan de grond al raakte.

‘Aan boord iedereen!’ gilde Valavirgillin. ‘Wie niet aan boord is wordt hier achtergelaten! Klim aan boord en bewapen jezelf! We gaan naar boven!’

Tegger lag op zijn buik en keek over de kaderand naar beneden. Hij zag niet veel vampiers. Het was geen geschikt jachtterrein voor hen; er was daar geen andere prooi dan een stel versufte gevangenen in de schaduw. Hier vertoonden zich alleen een paar uitgehongerde enkelingen die wanhopig genoeg waren om op het bloed van dieren uit te zijn.

Het was donker daar beneden en de regen belemmerde het zicht, maar de aanblik van de kruisers was onmiskenbaar. Ze reden langzaam. Modder en zand zogen aan hun grote wielen.

Vier vampiers zwermden uit naar de voorste kruiser. Ze waren zo snel als Sprokkelaars en klommen naar de bestuurdersbank.

Toen sprongen er Sprokkelaars uit de geschutskoepel. Ze hadden een handdoek voor hun gezicht en een zwaard in de hand. Paroom naderde vanaf de lastvloer; hij zwaaide met een of andere knots. Het ene moment waren de indringers nog smekende vrijers, het volgende moment waren er twee dood en twee op de vlucht, en een van die twee werd onderweg nog vol geraakt door Parooms lange knots.

Tegger voelde een aangename rilling over zijn rug gaan. Hier had hij op gewacht.

Hij had het grootste deel van de dag doorgebracht met het zoeken naar schakelkastjes. Hij had ze geopend en geprobeerd vast te stellen waartoe ze dienden. Hij had de patronen leren herkennen die wezen op schakelingen die verband hielden met de lichten. Dit hier was een paneel dat de lampen op de kade bediende. Hij had al reepjes Vala-stof aangebracht en haalde nu twee schakelaars over, en meteen baadde de hele kade in kunstmatig daglicht.

Met zijn ogen stijf dicht zocht Tegger zich tastend een weg omlaag door de Baanstraat en de duisternis die daar heerste. Hij wachtte nog een poosje om zijn nachtzicht aan te scherpen en keek toen over de reling naar beneden.

Hij had het schokje gevoeld toen de hellingbaan de grond raakte.

Vampiers kwamen over de windingen van de baan naar boven. Ze waren niet talrijk. Misschien hadden ze van hun neus geleerd hoe weinig ze te verwachten hadden: een eenzaam Rood Herdertje en verder niets.

Tegger begon een fakkel aan te steken — een geduldwerkje. Toen ze flakkerend brandde hield hij haar zo ver mogelijk bij zich vandaan en keek opnieuw naar beneden.

Ongeveer dertig jonge volwassenen en oudere kinderen klommen ongehaast naar boven. Wat waren hun gedachten? Hier hebben we een weg die er eerst niet was, maar we ruiken geen prooi. Toch maar eens kijken, maar liever niet voorop lopen, want licht, ai, dat doet zeer… Ze dromden nu samen, één winding onder hem, en verborgen hun gezicht achter hun armen. Tegger vroeg zich af of ze zouden worden tegengehouden door de kadeverlichting.

Hun geur walmde hem tegemoet.

Zijn reflexen riepen: doe iets! Zijn reflexen riepen ook dat hij naar beneden moest lopen, maar hij kon het niet. Kon het niet. Hij zwaaide zijn fakkel boven zijn hoofd en smeet hem als een vuurbal naar het niveau onder het zijne. Alle bleke gezichten doken weg en de meeste vampiers renden daarna naar beneden, maar een paar zaten er gevangen tussen het licht van de fakkel en dat van de kadelampen.

Tegger vluchtte.

Op de kade gekomen boog hij zich over de rand en zoog zijn longen vol frisse lucht.

De kruisers waren nu dichtbij, nog maar een paar honderd ademhalingen. Ze werden nu aan alle kanten belaagd door vampiers, waarvan er nog steeds meer verschenen.

De krijgers verdedigden vanaf de treeplanken. Daar stonden Sprokkelaars tussen de zuilen van benen van de Grasreuzen door met speren te steken, terwijl de reuzen zelf met hun kruisbogen op verder verwijderde doelwitten schoten. Zwakjes boven het geruis van de rivier uit hoorde Tegger het duet dat de Demonen vanuit de geschutskoepels ten gehore brachten.

Geen kanonschoten? Had Valavirgillin stilte bevolen om de rest van het vampiernest niet te alarmeren? Maar het aantal vampiers nam desondanks nog steeds toe. Het nest had de invasie al opgemerkt!

De rivier stroomde de duisternis in en de kruisers volgden haar loop.

Donker. Het was onder hem zwarter dan de zwartste zonde. Vampiers zouden niettemin goed kunnen zien. Demonen op de bestuurdersbanken zouden misschien in staat zijn richtingaanwijzingen te schreeuwen, maar de rest zou stekeblind zijn.

Maar hij kon iets doen. Het zou moed vragen. En zijn zwaard.

Valavirgillin reed met in de ene hand de stuurstok en in de andere haar handgeweer. Barok zat naast haar op de bank, maar achterstevoren. Ze ademde de peperprei geur van haar handdoek in. Wat dat betreft had de Thurl vanaf het begin gelijk gehad: kruiden waren effectiever dan brandstof.