Выбрать главу

Er dook een bleek gezicht op en ze vuurde met beide handen aan het geweer, maar ze had de stuurstok weer in de hand voordat de kruiser van richting kon veranderen. Andere schoten klonken. Barok ruilde haar geweer voor een ander, geladen exemplaar.

Het lawaai joeg de vampiers achteruit en de kruisers reden de duisternis binnen.

De rand van de zwevende fabriek was nog een lichtend randje boven haar hoofd, maar hier beneden zag ze bijna niets meer. Ze wist echter waar de hellingbaan was en daarheen zette ze koers.

Hoe goed zouden deze afgeslagen vampiers kunnen vechten nu zij de enige waren die iets konden zien?

Ze reed een zwarte stank binnen die op alle begraafplaatsen onder de Boog welbekend was. Haar walging zou een soort verdediging moeten zijn, maar ze was het niet. Nee, echt niet. Zoals steeds was er maar één echte vijand: een groeiende aandrang om midden in een oorlog een paringspartner op te zoeken.

Harpist onderbrak zijn angstaanjagende muziek. ‘Baas!’ riep hij. ‘Baas! Naar links. Links en dan scherp naar rechts, de baan op! Baas, er zijn vampiers op de hellingbaan!’

Vala draaide linksaf, verder het donker in.

De kruisers hadden hun eigen vampiers bij zich. De schaduwen die tegen hen vochten waren kinderen, kreupelen en mismaakten, bejaarden, zwangere vrouwen — iedereen die niet was meegegaan met de horde jagers. In het holst van de nacht waren zij op het toppunt van hun alertheid. Vala had overwogen te wachten tot de dageraad, maar dan zouden de jagers, hoe uitgeput ook, in overweldigende aantallen zijn teruggekeerd. En degene die ze nu bevocht zouden een halve nacht tijd hebben gehad om Tegger te bereiken.

Vlak voor haar stortten meteoren neer.

De vampiers die ineengedoken tussen de kruisers en de hellingbaan op de loer hadden gelegen sprongen krijsend op en probeerden weg te kruipen. Er vielen nog meer vuurbollen — het waren fakkels — en sommige daarvan gingen uit, maar zes bleven er branden. Een cadeau van Tegger.

Ze reed nu op de baan en Kruiser Twee zat vlak achter haar. Van alle kanten stroomden vampiers toe. Een ervan verscheen vlak naast haar op de bank; ze schoot hem neer en legde haar geweer weg. Het kanon bulderde en een stormvlaag van vuur en kiezels veegde de baan vóór haar schoon.

Achter haar vlamde een licht op alsof de zon zelf uit de Boog naar beneden was gestort. De vampiers verstijfden en probeerden hun ogen te bedekken tegen de verzengende gloed. Ze waren een gemakkelijke prooi: geweren knalden en kruisbogen zoefden van overal om haar heen.

De bank schudde. Vala draaide zich opzij; ze werd bijna gek van de vampiergeur en beschikte alleen over een leeg geweer om zich te verdedigen. Het verwrongen gezicht van een Machine-mens beantwoordde haar blik: Foranayeedli, die eruitzag als een krankzinnige, klampte zich aan de bank vast met haar handen, haar voeten en haar tanden.

Vala reed door.

De ene winding na de andere. Een schaduw achter het licht gaf seinen met twee armen. Een hand zwaaide met een zwaard. Ze reed op het licht af.

De roodhuid Tegger (naakt; waarom?) deed een paar stappen opzij om de kruisers langs te laten.

Ze zag Warvia van de kruiser naar beneden springen. De schok waarmee ze tegen Tegger opbotste deed zijn zwaard door de lucht vliegen. Warvia’s tuniek vloog er meteen achteraan. Vala hoefde de kreten van haar metgezellen niet te horen om te weten dat ze het tijd vonden voor een feestje, tijd voor rishathra.

Iemand moest het hoofd lang genoeg koel houden om het losgeslagen gezelschap te beschermen!

Vala stopte een eindje verderop in het felle licht van de kade. Ze hoorde vechten. Vampiers? Nee, ze hoorde er woorden bij…

Foranayeedli had haar vader gevonden. Ze schreeuwden elkaar dodelijke beledigingen toe.

Vala probeerde te beoordelen of ze elkaar zouden vermoorden. Er volgde een moment waarop ze allebei eventjes stil waren om op adem te komen. Vala raakte hun schouders aan… Trek hun aandacht, kom snel te hulp, praat, praat snel… ‘Forn, nee, Barok, echt, het was mijn schuld! Onze schuld! Ieder van ons had kunnen snappen wat er zou gebeuren! Moeten we de schuld dan niet samen dragen?’

Vader en dochter keken haar geschokt aan.

‘Jullie hadden niet bij elkaar mogen zijn toen de vampiers kwamen. Ik had jullie moeten scheiden. Het is mijn fout. Begrijpen jullie het niet? We hebben allemaal gepaard! We konden er helemaal niets aan doen! Barok, de anderen weten het nog steeds niet van jou en Forn, of wel?’

‘Geloof van niet,’ mompelde Barok.

‘Maar we kunnen nooit meer naar huis!’ jankte Forn.

‘Ga met iemand rishen,’ zei Vala.

‘Baas, snap je niet —’

‘Nu meteen, dwaze meid. Paroom ziet er versierbaar uit. Zorg dat je het uit je bloed jaagt, dan kun je daarna weer denken. Ga!’

Forn begon opeens te lachen. ‘En jij dan, baas?’

Ik zal het moeten opzouten. Barok, ga Waast zoeken.’ Maar nu hoorde ze de stem van Waast; zij was al gevonden, en door meer dan één manspersoon! ‘Of wie dan ook. Wegwezen!’ Ze duwde de twee van zich af, allebei een andere kant op, en ze gehoorzaamden.

Wat nog meer? De Roden schenen zich verzoend te hebben. Misschien was het wel blijvend. Tegger moest de macht van de vampiergeur inmiddels aan den lijve ondervonden hebben. Die geur bruiste nog steeds in Vala’s neus en in haar geest, maar ze had veel ergere aanvallen meegemaakt, dus ze kon weerstand bieden. Of weerstand, dat was misschien wat veel gezegd…

Er stond een bleek kind voor haar, half zo groot als zij, dat haar met half dichtgeknepen ogen en zonder woorden smekend aankeek.

Vala deed een stap haar kant op.

En opeens stak er een kruisboogpijl in de borst van het kind. Het gilde en rende wankelend de schaduw in.

Vala draaide zich om. Het was Paroom. Ik was van plan de geweerkolf te gebruiken,’ zei ze. ‘Het kind was te jong om een geur te verspreiden.’

De Grasreus slikte het. ‘Misschien hebben we nog meer passagiers meegebracht. Ik heb alleen dit kind gezien.’ ‘Heb je in de tunnel gekeken?’

‘Daar lagen vier vampiers die door zwaardsteken waren gedood. Teggers prooi, denk ik.’ ‘Dat zal helpen.’

‘Van een ervan waren alle tanden uit de mond geslagen. En… wat zei je? Ja, natuurlijk, vampiers houden niet van de stank van hun eigen doden. Ze zullen er niet langs willen gaan.’

‘Dan… hebben we het gered. We zijn veilig!’

‘Veilig genoeg,’ beaamde Paroom en hij trok haar in zijn armen.

Het feestje liep ten einde. Vala wenste het niet op te merken. Ze was bezig aan een vurige seksgemeenschap met Kaywerbrimmis. Het leek haar wel veilig. Ze zou het anders ook hebben gedaan, maar na al zijn activiteiten in de afgelopen halve nacht, dacht ze, moest hij wel een mannelijk wonder zijn om nog een kind te kunnen verwekken!

De zon was een vaag vlekje achter de grijs-witte wolken. Alle vier de Sprokkelaars lagen in een hoopje op elkaar te slapen. De Demonen hadden zich al vroeg teruggetrokken onder hun zeil. De Grasreuzen waren begonnen elkaar nader te onderzoeken dan binnen het rishpatroon hoorde (zoals zijzelf en Kaywerbrimmis dat nu deden) en Tegger en Warvia zaten te praten, alleen maar te praten.

Kaywerbrimmis ontspande zich in haar armen en viel bijna meteen in slaap.

Vala maakte zich van hem los, rolde Kay’s tuniek op en legde het kussentje onder zijn hoofd. Ze kuierde (hinkte, eigenlijk) over de kade naar de Roden toe, attent op signalen van hun lichaamstaal. Ze schenen echter niet ongenegen te zijn met haar te praten.

‘Vertel eens op, Tegger,’ zei ze. ‘Hoe laat je een zwevende fabriek naar beneden zakken?’

Tegger grijnsde van trots en Warvia, volgens Vala, evenzeer. ‘Het is een puzzel,’ zei hij. ‘Je ziet de stukjes ervan overal om je heen. Er zijn zwembaden en watertorens, maar toen ik hier kwam waren ze allemaal leeg.’