Выбрать главу

Vala wachtte.

‘Stedenbouwers zijn hier vast komen te zitten na de Val der Steden. Ik heb hun botten gezien. We weten dat de vampiers zich in de schaduw onder de Stad hebben gevestigd. Ze moeten via de hellingbaan naar boven zijn gekomen. Wat zou jij hebben gedaan?’

‘We hebben gepraat over de mogelijkheid dat de hellingbaan op een of andere manier omhoog kon worden gebracht.’

Tegger knikte vergenoegd. ‘Alle watertorens leeg. Maar de Val der Steden vond plaats lang voordat Louis Wu een zee aan de kook bracht. Ze moesten een watervoorraad hebben gehad, maar ze waren banger voor de vampiers, dus ze hebben al die watermassa’s laten weglopen, met als gevolg dat de stad omhoogging!’

‘En jij hebt de stoppen van de reservoirs…’

‘Er lagen een paar zware metalen platen op de kade. Die heb ik gebruikt om de afvoergaten te bedekken.’

‘En toen hoefde je alleen nog maar te wachten tot er genoeg regen was gevallen om de stad te laten zakken.’

‘Precies.’

‘Bedankt voor het licht.’

Tegger begon te lachen. ‘Ha, ik dacht wel dat jullie dat op prijs zouden stellen. Ik heb al mijn fakkels aangestoken en ze naar beneden gegooid. En vervolgens heb ik een flinke veldfles vol brandstof op de vlammen gemikt.’

‘Hoe nu verder?’

‘Nu we hier zijn,’ zei Tegger, ‘kunnen we iets ondernemen. En nu heb ik vijftien knappe vrienden bij me om iets te bedenken.’

Vala knikte. Tegger wist het antwoord ook niet, maar hij had al een paar wonderen verricht.

15. Stroom

In de helderheid van een klaarlichte dag leidde Tegger hen via de Trappenstraat naar boven om hun zijn ontdekkingen te tonen.

Hij vond het een frustrerende ervaring. Warvia dook telkens huizen binnen, of jungles van sierplanten, of halflege zwembaden, en kwam dan terugrennen met de ene vraag na de andere. Tegger kon niet met haar mee, want hij moest zijn looptempo aanpassen aan dat van de rest van het gezelschap. Sprokkelaars waren zelfs nog sneller dan zij was en ze konden plekjes bereiken die te klein waren voor een Rode, en ook zij kwamen voortdurend terugsprinten om hun ervaringen met de Grasreuzen en de anderen te delen.

‘Dit gras hier lijkt me geschikt voor jullie,’ zei Tegger tegen Waast, omdat zij op dat moment de enige Grasreus in zijn buurt was. Ze nam een handvol van hem aan, glimlachte naar hem en liep vervolgens, kauwend en wel, achter Perilack en Silack aan een half ingestorte woning binnen.

Ik heb geen planteneters aangetroffen,’ zei hij tegen Coriack. Ik heb uitwerpselen gezocht. Niets. Ach, we vinden wel iets te eten. Er zijn hier in ieder geval webspinners, als het moet. Hebben we insecteneters meegebracht?’ Hij praatte nu tegen Valavirgillin. ‘Je zou toch denken dat er dieren moeten zijn die de planten opeten, maar ik heb tot nu toe niets anders kunnen vangen dan vogels, hoewel ik hier nog geen enkel insect gezien heb.’

‘Kadavers?’ vroeg Vala.

Hij raadde haar bedoeling. ‘Oude verdroogde botten. De Demonen zullen niets te eten hebben tot wij sterven van de honger. Maar ik heb deze gevonden. Appels. Een hele rij appelbomen. Hier.’

Vala brak een appel open en begon te eten. Ja, Machine-mensen konden zich ermee voeden, een poos. ‘Tegger, wat produceerden deze fabrieken?’

Ik heb een pakhuis vol stoffen gevonden. Misschien maakten ze die hier. Maar ik heb nog niet echt gekeken, Vala.’

Vala had belangstelling voor de fabrieken. Met haar rugzak vol magische Louis Wu-stof zou ze misschien een paar machines aan de gang kunnen krijgen. En zelfs als dat niet lukte, omdat alles te veel in verval was geraakt, dan nog zou ze hier misschien wonderen vinden van vóór de Val der Steden, opgeslagen in de fabrieken zelf of in loodsen, klaar om verscheept te worden…

Maar Tegger zelf moest uitgehongerd zijn. Haar ploeg had voedsel nodig. Bewaar dat zoeken naar winstmogelijkheden maar voor later! En als je een weg naar beneden hebt gevonden!

Het verspreide groepje klom langzaam naar de top van de Trappenstraat, tot bij de koepel die daar stond, en ging naar binnen.

Wat voor Tegger raadsels waren geweest bleek voor Machine-mensen meteen helder te zijn. Barok glimlachte en leidde iedereen over de treden naar boven tot in de vertrekken die zich daar bevonden. ‘De grote eetzaal,’ verklaarde hij. ‘Stedenbouwers zijn omnivoren. Ze bakken en koken, en ze zijn dol op afwisseling in hun maaltijden. Kijk eens naar al deze hulpmiddelen!’

‘Allemaal kastjes en platen die gloeiend heet worden,’ zei Tegger.

‘Ja, en een tafel om het spul in stukjes te hakken.’

Alleen de schoorsteen en de spiraaltrap daaromheen staken nog boven de Trappenstraat uit. Warvia was op de rand van de schoorsteen geklommen; haar onderbenen bungelden in de lucht. Ze keek neer op de zwevende stad zelf en op het land dat eronder lag. Ze leek schaamteloos gelukkig.

Ik zie onze Rivier-mensen zwaaien. Rooballabl! Hé daar, iemand van jullie moet naar boven komen om te bewijzen dat we het hebben gehaald! Anders denken ze dat ik alleen weer Tegger ben.’

Vala klom via de wenteltrap naar haar toe; onderweg zag ze een bronzen netwerk dat aan de stenen muur kleefde. De twee vrouwen schoven een eindje op om plaats te maken voor degenen die volgden: Coriack, Manack, Paroom, Barok. Tegger bleef even op de trap staan om het web te bestuderen, maar voegde zich toen bij hen.

Op het topje zitten van… ach, het geeft niet wat… geeft iemand een bijzonder gevoel van macht.

Praktisch gesproken was het echter zo dat Vala de interessantste dingen hiervandaan niet kon zien: het krioelen van de vampiers in het Schaduwnest en aan de randen daarvan. Maar in de verte zag ze horden bleke vampiers over de bergpassen komen en naarmate ze verder stroomafwaarts, naast de Thuisvloed, naderbij kwamen werden het individuele stipjes: duizenden vampiers op weg naar huis.

De rivier en de sneeuwkappen op de bergen glinsterden in het zonlicht dat in brede banen naar beneden viel. In een van die banen waren twee gedrongen, zwarte gedaanten te zien die tegen de glinstering afstaken. Vala en de anderen zwaaiden. Gerustgesteld Heten RoobaHabl en Fudghabladl zich weer onder water zakken.

Het fabriekscomplex was echter in zijn geheel zichtbaar. Tegger had overal lichten laten branden. Aan weerszijden van de Trappenstraat was een gebroken groene strook te zien, maar verder was er nergens groen te bekennen, ook niet rond de schoorsteen. Wat zou een webspinner eten?

De platte daken van de loodsen en fabrieken, en de halfronde afdekkingen van de tanks, waren allemaal glinsterend grijs. De enige uitzonderingen waren de huizen aan de Trappenstraat; hun platte daken waren bedekt met grond, met plantengroei en hier en daar zwembaden. Maar de trappen zelf waren glinsterend grijs.

‘Valavirgillin?’ vroeg Paroom. ‘Zie je die grijze daken?’

‘Ja?’

Ik heb me afgevraagd waarom de lichten nog steeds werken. Alle vlakken die loodrecht op het zonlicht staan hebben dezelfde zilverige grijze kleur. Dat materiaal moet zonlicht opslaan!’

‘Ja!’ riep Tegger.

Paroom glimlachte. ‘Die vraag heeft je dwars gezeten?’

‘Ja, maar het ligt voor de hand als je… Hoor eens, ze hebben niet erg veel licht gehad sinds er zoveel bewolking is, maar anderzijds is er tot mijn komst helemaal geen stroom verbruikt. Honderden falans lang! Dat betekent —’

‘Dat de stroom op kan raken. We kunnen de lampen overdag maar beter uitdoen.’

‘De vrachtplaat had dezelfde kleur — de plaat waarvan ik de besturingskoepel heb losgerukt. Daarom was er nog steeds energie! Dus bliksemkracht is ook zonlicht… Uitdoen, zei je? Waarom moeten we stroom sparen?’

Ik weet het niet,’ zei de Grasreus, ‘maar ik houd niet van verspilling. Maar laat de lampen op de kade branden, zou ik zeggen. Daar zouden vampiers naar boven kunnen komen.’