Tegger haalde zijn schouders op. Plotseling zag hij er uitgeput uit. Warvia leidde hem weg. Ze fluisterde woordjes in zijn oor.
De rest van het gezelschap zag verder geen opmerkelijke dingen. Als een groepje toeristen slenterden ze terug naar de kruisers. De meesten vielen bijna om van de slaap.
Sprokkelaars moesten ’s nachts slapen. Rond dit middaguur waren zij met hun vieren de enigen die er fris uitzagen. Vala zette Manack en Coriack op wacht. Daarna kroop ze onder een luifel.
Ook Forn lag daar, diep in slaap, het arme kind, niet alleen wegens uitputting, maar ook als gevolg van bloedverlies. Niettemin lag ze er vredig bij. Vala depte een handdoek in brandstof en waste de akelig uitziende wonden die Forn in haar nek had. Daarna spreidde ze een deken op de vloer en ging liggen.
Toen Beedj onder de luifel schoof sloot ze haar ogen tegen het licht.
Beedj spreidde twee armen vol vers gemaaid gras op het stukje vloer dat nog vrij was en vlijde zich neer. ‘Slim,’ mompelde hij, ‘wat onze rode vriend Tegger heeft gedaan.’
‘Ja,’ zei Vala.
‘Misschien kunnen we daarmee doorgaan.’ ‘Hè?’
‘Baas, we kunnen nog meer water verzamelen. We laten kuilen in de daken vollopen, bassins in de fabrieken, wat we ook maar vinden. Alles wat we kunnen afsluiten vullen we met water. En we gebruiken doeken als trechters. Laat dan de regen maar komen! Bakken water! Dit fabrieksgeval zou dan verder zakken, nietwaar? En de vampiers vermorzelen!’
Had hij gelijk? Vala was te moe om na te denken.
‘Nee.’
‘Wie spreekt daar?’
‘Foranayeedli. De grond onder de zwever is niet vlak, Beedj. Er staat een bouwsel dat net zo groot is als de Administratie in Centraalstad.’
‘Flup, dat is waar ook, jij hebt beneden geleefd. Wat is dat voor een bouwsel, Forn? Een standbeeld of zo? Een soort woning? Iets dat we zouden kunnen verpletteren?’
Forn begon te antwoorden. Vala kroop naar buiten, het daglicht in, de deken achter zich aan trekkend, en ging het donker van de vrachtcontainer binnen. Ze spreidde haar deken op de vloer en…
‘Valavirgillin,’ zei een stem, ‘dit is een mooi moment om een kijkje te nemen in het Schaduwnest.’ Het was Harpist.
Ik ruik je niet, Harpist.’
‘We hebben onderzoek gedaan voordat we gingen slapen. We vonden een rij huizen, heb je die gezien? En zwembaden. Heerlijk. En gras om onszelf in droog te rollen.’
‘Dat waardeer ik. Harpist, dit is een mooi moment om te slapen.’
‘Ook Nacht-mensen slapen, baas. Overdag. Zelf zou ik ook liever gaan slapen.’ Hij prikte met een klauwtje in haar zijde om haar aandacht vast te houden. ‘Dat geldt ook voor vampiers. Ze moeten nu duf en traag zijn. We kunnen de hellingbaan moeiteloos schoonvegen. Maar ik ben vooral uit op de lichtvoorzieningen. Zal ik een paar Sprokkelaars meenemen?’
Vala probeerde na te denken. Ik heb er twee op wacht gezet. Neem Silack en Perilack mee. En Kaywerbrimmis.’ Deze had in elk geval even geslapen, en het was goed om verschillende opvattingen te vernemen. ‘Vraag Beedj mee.’ De beoogde opvolger van de Thurl was altijd beschikbaar als vrijwilliger. Flup! Vala ging rechtop zitten en tastte naar een geweer en een alcoholvlammer. ‘En mij.’
Ze waren met hun achten: twee Machine-mensen, Beedj, twee Sprokkelaars, Warvia en de Demonen. De laatste liepen voor het lichtbundeltje dat Vala met tiaar vlammer (op de laagste stand) voor zich uit wierp. De anderen volgden, gemaskerd met een handdoek en half blind.
Vala keek naar de vier dode vampiers. Ze had beter moeten uitkijken waar ze liep, want ze gleed bijna uit over een handvol vampiertanden — even puntig als die van de Roden. En inderdaad: een van de vrouwen was tandeloos, zoals Paroom al beschreven had, en… niet alleen doodgestoken. Vala huiverde.
Treurbuis schoot naar voren, uit het zicht. Vala haalde adem om een bevel te roepen, maar nu was ook Harpist verdwenen. Vala bedacht zich en begon ook zelf te rennen. Ze trof de twee Demonen aan bij een vampierlichaam dat aan zijn laatste stuiptrekkingen bezig was.
Ze liepen verder naar beneden. Zware rottingsgeuren wisten binnen te dringen door de peperprei die ze inademde. Langzaam maar zeker begon ze echter in de duisternis weer dingen te onderscheiden.
Het gezelschap hield drie windingen lager halt. Ze waren nog maar tweeëneenhalve winding verwijderd van de bodem — en daar wemelde het van de vampiers.
Een gebroken baan indirect zonlicht — helder genoeg om pijn te doen aan de ogen — viel schuin het Schaduwnest binnen. Ze zagen donkere grond aan weerszijden van de Thuisvloed, verdeeld in lapjes ter grootte van akkers zoals keuterboertjes die bezaten. Deze strekten zich uit in stuurboord-tegendraaiwaartse richting, daar waar de Thuisvloed door donkere schaduwen werd opgeslokt. Er groeiden kolossale paddenstoelen op deze akkers en onder deze paddenstoelen leefden de vampiers. Schaduwboerderijen. Er hadden hier misschien wel honderd soorten zwammen gestaan voordat de vampiers binnendrongen. Deze monsterlijke exemplaren waren misschien te groot geweest om ze uit te roeien.
Aansluitend zagen ze een plaveisel van het materiaal dat de Machine-mensen als wegbedekking gebruikten.
‘Zien jullie wel,’ zei Treurbuis opgewekt, ‘er is licht zat!’
Ik had willen wachten op wat wind,’ klaagde Harpist.
Wind — als dat zou kunnen! Vala voelde waanzin bruisen in haar bloed. De penetrante geur van peperprei was nog enkel een pikante kruiding van de allesoverheersende rottingsgeur. Wind zou die geur verdreven hebben. Ze moesten met tienduizenden zijn, daar beneden, en de eerste begonnen al naar boven te kijken…
Warvia ademde met diepe teugen door haar mond. Ze wist dat ze kon bezwijken. Kay bleef een eind bij Vala uit de buurt; geen onnodige risico’s lopen! De anderen leken geen problemen te hebben. Probeer je te concentreren!Dat bouwsel in het midden…
De fontein was meerdere dingen tegelijk. Er waren vensters in de wand die naar de hellingbaan was gericht, en ook kleine balkons zonder leuning, en buitentrappen. Waarschijnlijk ging het hier om kantoren, niet om woningen.
Schuin ernaast bevond zich een vlakke vloer voor een reeks opklimmende concentrische halve cirkels, voorzien van zetels. Dit moest een toneel zijn. Die stapeltjes vergane stof aan weerszijden waren waarschijnlijk het doek van de voorhang geweest, en die omgevallen, half verrotte platen moesten decorstukken zijn. De dunne achterwand was ingestort, waardoor de honingraatstructuur van de coulissen zichtbaar was. Valavirgillin vroeg zich af of de anderen de functie van dit gebouw herkenden.
Er klaterde water naar beneden; het was een kunstmatige waterval, door schemerige reuzen bewaakt, die het gebouw aan weerszijden van boven tot onder versierde. Het water kwam uit grote kommen die door meer dan levensgrote beelden van de Stedenbouwers werden uitgestort en het vloeide samen achter het toneel — een permanent onderdeel van het decor. In dat vochtige klimaat was achter het kantoorgebouw een woud van felgekleurde paddenstoelen tot wasdom gekomen. Verderop werd het water via een netwerk van pijpen en goten afgevoerd naar de Thuisvloed.
Forn had gelijk gehad. Dit gemetselde gebouw was groot genoeg om een bestuurscentrum te zijn. Het zou de last van een hele zwever waarschijnlijk niet kunnen dragen, maar wel opgewassen zijn tegen de hoeveelheid water die haar groep met man en macht zou kunnen vergaren.
‘Goed, toegegeven, we kunnen de fabriek niet ver genoeg laten zakken om hen te verpletteren,’ zei Perilack. ‘Maar misschien kunnen we de zwever zijwaarts verplaatsen? Hij moet door iets op deze plaats worden vastgehouden. Als we die verankering kunnen opheffen… Want als de fabriek wegzweeft, rennen al die vampiers er natuurlijk achteraan, en dan zijn ze een gemakkelijke prooi voor onze geweren!’
‘Ze heeft in ieder geval ten dele gelijk,’ zei Treurbuis. Tets houdt de zwever op zijn plek, zoiets…’ Ze ging over op haar eigen taal, evenals Harpist.