Выбрать главу

Vala draaide zich om. Zelfs Demonen zouden waarschijnlijk niet in staat zijn een zwevende fabriek te verplaatsen.

Harpist drukte zich nu weer uit in de handelstaal. ‘… zoiets als de bodem in een kom, een diepste punt in een magnetisch veld. We zouden de zwever uit die kom kunnen trekken als we over voldoende kracht beschikten, maar met alleen twee stoomkruisers… Flup, ik wilde dat niemand van jullie ooit had gehoord van Louis Wu!’

Standbeelden; rijen vensters; een toneel; een kunstmatige waterstroom. ‘Wat ontbreekt er?’ vroeg Vala zich hardop af.

Treurbuis hoorde het. ‘Baas?’

‘Vertel me wat je ziet,’ zei Vala.

De vrouwelijke Demon gehoorzaamde. ‘Een kantoorgebouw. Publieke zaken en contacten, wed ik. Ze hebben het hier beneden gebouwd om te voorkomen dat ze klanten en belangengroepen boven zouden moeten uitnodigen. Het theater is er voor toespraken en conferenties, maar ook voor toneel. Dit was een cultureel centrum.’

Ik zou graag een kijkje nemen aan de andere kant,’ zei Harpist.

‘Wat denk je daar aan te treffen?’ vroeg Vala.

Ik vermoed… een ander soort podium. Dit toneel is geschikt voor theater, maar niet voor toespraken, en trouwens ook niet voor muziekuitvoeringen. Ik wed dat iemand een prijs heeft gewonnen voor de manier waarop de fontein in dit alles in geïntegreerd. Zie eens hoe fraai dit theater zou zijn als we de vampiers konden wegwerken!’

Ik heb het!’ riep Vala opeens. ‘Lampen!’

De ogen van de Demonen gloeiden in de schemering.

‘Lampen! Toneel, muziek, toespraken, kantoren voor van alles en nog wat, bekroonde sculpturen…’ Het zingen van de vampiers zwol aan tijdens Vala’s opgewonden betoog, maar haar strijdmakkers konden haar allemaal verstaan. ‘Alleen een Demon kan denken dat dit alles zich in het donker zou afspelen! Warvia, Tegger moet weten waar de lichtschakelaars zijn.’

Warvia was nu klaarwakker. ‘Hij zou ze hebben ontstoken.’

‘Flup.’

‘Baas, misschien bevinden de schakelaars zich daar beneden.’ ‘Flup! Dat zou beroerd zijn.’

Ik zie het,’ zei Harpist. Hij wees naar boven. ‘Warvia, die beeldengroep daar helemaal bovenaan. Krijgshaftige Stedenbouwers, stuk voor stuk drie manshoogten groot. Allemaal met een speer in de hand…’

Vala zag daarboven een aantal mensachtige gedaanten, maar verder niets. Het binnenvallende daglicht reikte niet zo hoog.

‘Het is voor mij weinig meer dan een donkere vlek,’ zei ze.

‘Ze staan er echt,’ zei Treurbuis. ‘En de bovenste… Nog groter dan de rest. Een speer ter dikte van mijn been, maar zonder punt. De bovenkant verdwijnt in het dak. Het moet een toevoerpijp voor de stroom zijn! Het spijt me, baas.’

‘Flup! Niet voor water? Nee, allicht niet, ze hebben hier water in overvloed. Wel, dat weten we dan. Laten we eerst maar vanaf de bovenkant gaan zoeken, daar kunnen we gemakkelijker bij. Tegger moet ons laten zien wat hij gevonden heeft. En dan gaan we kijken waar hij nog niet gekeken heeft.’

Warvia stond niet toe dat ze Tegger wakker maakten. ‘Baas, hij heeft je alles laten zien wat hij weet!’

Harpist en Treurbuis trokken zich al vroeg terug. Niemand mocht immers van Demonen verlangen dat ze konden raden waar een vreemde mensensoort lichtschakelaars zou aanbrengen!

De andere leden van de expeditie verspreidden zich over de stad. Valavirgillin sneed een van de lapjes stof die ze van Louis Wu had gekregen — ooit een onbetaalbare schat — in reepjes en deelde deze uit als confetti. Ze gingen aan het werk in de schakelkastjes die Tegger hun had gewezen en al gauw baadde de hele stad in een licht dat gemakkelijk kon wedijveren met dat van een bewolkte hemel.

Er liepen smalle stroken zilverig-grijze materie van de zilverig-grijze daken via de zijwanden van de gebouwen naar beneden. Sommigen volgden deze stroken om te zien waar ze bij elkaar kwamen. Toen Twuk Valavirgillin had gehaald om te komen kijken, zag ze een gat, niet ver van het centrum van de stad, met ongeveer de dwarsdoorsnede van een dijbeen. Ze wreef over stofrestjes die ze binnenin aantrof en rook aan haar vinger. Ze kon niet met zekerheid vaststellen of het vergane supergeleider was, maar Vala twijfelde niet aan de aard van hun ontdekking.

Ze haatte wat er nu moest gebeuren, maar er zat niets anders op. De pijp was misschien wel tien manshoogten diep. Vala sneed alle overgebleven lapjes Wu-stof in reepjes, knoopte ze aan elkaar en bond het ene uiteinde van het zo ontstane snoer aan een stuk muur, waarna ze het andere in de pijp liet zakken tot het snoer slap werd.

Waardoor werd het gestuit, daar in de onderste punt van de speer van een van de standbeelden? Het kon een nog functionerende stroomtoevoer zijn. Ze had gedaan wat ze kon. Nu gebruikte ze twee afgebroken takken om er het bovengrondse uiteinde van het snoer tussen te klemmen en naar de plek te brengen waar de verschillende zilverig-grijze stroken bij elkaar kwamen. De bodem was daar vlak, maar ze kon het koord vastzetten onder een puinblok dat alleen door drie samenwerkende Grasreuzen kon worden getild.

De hemel werd donkerder en het begon druilerig te regenen. De verkenners trotseerden de nattigheid een poos, maar keerden uiteindelijk toch een voor een terug naar de kade. Allemaal wierpen ze ook een blik in de donkere Baanstraat. De Grasreuzen bleven het langst zoeken. Toen ze terugkeerden vertelden de anderen hun wat ze hadden gezien, maar de Grasreuzen wilden het met eigen ogen vaststellen.

Het Schaduwnest was nog steeds in duisternis gehuld.

16. Het spionageweb

Er gleed een schaduw door het licht, een schaduw die op zijn gesloten oogleden viel.

Tegger was net wakker genoeg om te genieten van de zachte druk en behaaglijke warmte van Warvia’s rug tegen zijn borst en buik, en van de geur van haar haren. Als hij zichzelf toestond wakkerder te worden zou hij honger gaan voelen.

Honger. Hoe moest hij Warvia van voedsel voorzien? De aasetende vogels waren gevlucht voor het lawaai en de alcoholdampen en de helden. Er waren vampiers — zijn geheugen onderdrukte een misselijkmakende herinnering — maar wat moest een carnivoren roodhuid hier beginnen?

Jaag de vampiers weg. Ga naar beneden. Jaag.

Overdag viel het zonlicht recht naar beneden en waren de schaduwen altijd piepklein. Het moest dus nacht zijn geworden en wat hij zag was een schaduw in het licht van de kadelampen. Wie zou hier ’s nachts langskomen? Tegger deed zijn ogen open.

Twee bontachtige ruggen bewogen op de grens tussen licht en donker; ze verwijderden zich via de Randstraat.

Tegger maakte zich voorzichtig los van Warvia. Hij vond een deken, waarmee hij haar bedekte. Harpist en Treurbuis sloegen nu de Trappenstraat in. Tegger sloop achter hen aan.

Demonen waren een gesloten volkje. Ze hadden het volste recht op hun geheimen, maar Roden waren nu eenmaal sluipers.

De nacht-mensen bewogen zich in een zee van kunstmatig licht. De andere leden van Vala’s expeditie moesten schakelaars hebben gevonden die Tegger over het hoofd had gezien, ’s Nachts waren Demonen in hun element, maar deze nacht waren zij het die half blind waren. Zouden ze er last van hebben? Demonen moesten zich voor een belangrijk deel laten leiden door geuren.

De woningen aan weerszijden van de Trappenstraat vormden onregelmatige, vervallen rijen. Het was geen kunst om dekking te vinden. Tegger verschool zich achter puinhopen, bomen en muren, en hield een ruime afstand aan. Waar waren de Demonen gebleven?

Daar kwamen ze uit een vensteropening naar buiten, zachtjes mopperend in hun eigen taal. Tegger had in die woning een hele verzameling skeletten aangetroffen. Waren de Demonen snuffelend op zoek naar lijken? Ze zouden niets anders dan botten vinden.

Aan het einde van de Trappenstraat gingen ze de koepelvormige eetzaal binnen. Daar zouden ze ook niets van hun gading aantreffen, herinnerde Tepper zich. Hij wachtte in een leeg zwembad, zijn ogen vlak boven de rand.