Ze kwamen weer naar buiten en liepen in de schaduw verder naar boven. Het topje van de Stad, de grote schoorsteen, was nog in duister gehuld. Wilden ze naar boven klimmen om hun territorium te bekijken?
Maar terwijl Tegger behoedzaam, zigzaggend verder naar boven sloop, zag hij hun contouren nog steeds niet op de schoorsteen verschijnen, en dat maakte hem nog voorzichtiger.
Het geluid dat hij vervolgens hoorde was luidruchtig: metaal op steen.
Hij klom via een ladder naar boven en gluurde over de rand van een chemische tank naar de schoorsteen; zijn gestalte ging schuil in de schaduw van een wirwar van buizen.
De Demonen stonden aan de voet van de schoorsteen. Het was nog steeds te donker om te zien waar ze mee bezig waren. Hij hoorde dat in een regelmatig tempo stenen werden gekliefd — zo te horen door een zaag. Hij liet zich van de ladder zakken en begon stilletjes naderbij te kruipen.
Ze waren niet op zoek naar voedsel. Waarnaar dan wel? Hij kwam achter de bescherming van een tankwand vandaan — en Treurbuis greep hem bij zijn pols.
Hij zorgde ervoor dat hij geen aanstalten maakte om naar zijn zwaard te grijpen. Ik ben het, Tegger,’ fluisterde hij.
Treurbuis riep het hardop: ‘Het is Tegger!’ Ze grijnsde hem aan en zei: ‘Je hebt een poos liggen slapen. Er zijn nieuwe ontwikkelingen. Valavirgillin is ervan overtuigd dat er schijnwerpers gericht zijn op het bouwsel onder de zwever. Die hoeven alleen maar ontstoken te worden. Wij denken hetzelfde, maar de schakelaars bevinden zich daar beneden.’
‘Waar, in de fontein?’
In de fontein, achter het toneel, ergens boven het toneel, op het podium… Ze wilden die schakelaars natuurlijk dicht bij de hand hebben. Valavirgillin heeft de toevoer van de zonnekracht hersteld door middel van een lang snoer.’
‘En ze moesten natuurlijk ook een manier hebben om naar beneden te gaan,’ zei Harpist. Hij was onhoorbaar genaderd. Wat betreft het besluipen van een prooi konden Roden nog heel wat leren van Demonen! Ik dacht dat we misschien een trap zouden kunnen vinden — iets voor mensen, voor bezoekers. De hellingbaan is daar niet geschikt voor.’
‘Die baan is bedoeld voor voertuigen. Mensen zouden er zich bedreigd voelen,’ zei Treurbuis.
‘Daarom zochten we naar een trap aan de binnenkant of buitenkant van de schoorsteen, omdat we al wisten dat deze tamelijk diep naar beneden reikt. Maar Treurbuis heeft inmiddels een beter idee.’
‘Die schoorsteen komt uit op een oven,’ zei Tegger.
‘Veel ovens, overal in de stad. Er komen van alle kanten kleine schoorstenen op uit. We hebben gekeken.’ Harpist grijnsde zijn grove vierkante tanden bloot. ‘Kom je mee? Of sluip je liever achter ons aan?’
‘Er is hierboven weinig vermaak,’ zei Tegger, ‘en weinig afleiding voor een hongerige Rode.’
‘Dat laatste heb je opgelost,’ zei Harpist. ‘Je at immers —’
‘Kom dan mee,’ zei Treurbuis haastig, ‘dan zullen wij voor je vermaak zorgen.’ Ze liep naar beneden, bij de schoorsteen vandaan, op weg naar de eetzaal. Haar hand lag onwrikbaar om Teggers pols.
Ik wéét wat ik gegeten heb,’ zei Tegger.
‘Jawel, maar aan wie zou je het vertellen? Je paargenoot?’
‘Ja.’
Treurbuis bleef in de deuropening staan. ‘Heus?’ ‘Natuurlijk moet ik het Warvia vertellen.’
‘Er liggen vier vampiers op de hellingbaan,’ zei Harpist. ‘Drie heb je er gedood. De vierde, een vrouw, heb je voor de veiligheid de tanden uit de mond geslagen. Je hebt met haar gevrijd en daarna een stuk spierweefsel losgehakt. Het lijkt me duidelijk dat je dat hebt opgegeten.’
Ik kon beneden de kruisers zien,’ zei Tegger. ‘Ze reden de schaduw in. Ik moest de hellingbaan op om de bestuurders licht te geven. De geur maakte me gek en mijn honger maakte me gek en ik heb navenante dingen gedaan. Maar ik heb de fakkels en de brandstof naar beneden geworpen!’
Uiteindelijk was het Harpist die zijn gezicht afwendde.
Er vielen een paar tafeltjes om toen zij de reusachtige treden beklommen. De Demonen keken hier niet goed uit waar ze liepen. ‘Nadat de baas over die lampen had gesproken,’ zei Treurbuis, ‘ben ik gaan nadenken over andere dingen die ze daar beneden bij de hand zouden willen hebben. Voedsel, dacht ik.’
Harpist duwde een deur open en wachtte tot de anderen bij hem waren.
Het was smoorheet in de kamer. ‘Kom nergens aan,’ zei Tegger. Ik had die apparaten moeten uitzetten.’
‘Als je nog weet welke schakelingen niet voor de lampen zijn,’ zei Treurbuis.
Tegger knikte. Hij begon sommige Vala-draden los te trekken, hetgeen steeds gepaard ging met geknetter en felle vonken van zonnekracht.
‘Er werkten mensen onder ons, in die kantoren,’ zei Harpist. ‘En andere mensen zaten in halfronde rijen naar toneel te kijken. Zouden ze geen honger krijgen? Omnivoren hebben vaak last van honger.’
‘Misschien niet alleen omnivoren. Ook andere humanoïden,’ zei Treurbuis. ‘Daarmee moet je misschien rekening houden in diplomatieke betrekkingen.’
‘Het lijkt me een wel erg omslachtige manier van doen,’ zei Tegger. ‘Eerst voedsel verbouwen of vangen op de begane grond, dan het spul invliegen vanaf de boerderijen. En verder? In stukken hakken, braden en koken, kruiden toevoegen? Best. Maar waarom hierboven, als het daarna toch weer naar beneden moet?’
Treurbuis zuchtte. ‘Dat is een goede vraag van de Rode.’
‘Inderdaad. En wij hebben nog niets kunnen vinden, maar het licht hier is dan ook onfatsoenlijk schel en verblindend,’ zei Harpist. ‘Kijk jij eens wat je kunt zien, Tegger.’ Hij opende een volgende deur.
Het was de provisiekamer die Tegger al eerder had doorzocht. Er gloeiden felle lampen aan het plafond. Tegger had aan alle wanden deurtjes en ladekasten aangetroffen, deurtjes die maar een armlengte hoog waren, of kleiner, maar hij had niet alles laten openstaan, zoals nu het geval was. Vala’s voltallige horde moest hier aan het snuffelen zijn geweest!
Er bevonden zich voorraadkasten achter de deurtjes, maar dan zonder echte voorraden. Hier en daar wat uitgedroogde planten, verschillende soorten, sommige beschimmeld…
‘De Grasreuzen en Sprokkelaars hebben hier een paar uitgedroogde wortels gevonden, verder praktisch niets,’ zei Harpist. ‘Maar deze lampen zijn voor ons oogverblindend en als we ze uitdoen lijkt het alsof we begraven zijn.’
‘Harpist, jullie kunnen toch zien in het donker?’
‘Het Nachtvolk kan zien in de nacht. Als er Booglicht is, al is het maar een beetje. Zelfs in een onweersbui is het niet zwart.’
Geen van deze kastdeurtjes was groot genoeg om zelfs maar een Sprokkelaar door te laten. ‘Hebben jullie nog meer deuren gevonden?’
‘Niets van een menselijke maat.’
‘Wat dachten jullie van Hangmensen?’ riep een opgewekte stem. Tegger schrok. Het was Warvia!
Ze keek vanaf een hele wand van dozen op hen neer. ‘Warvia! Waar kom jij vandaan?’ riep hij.
Ze lachte gevleid. Ik ben je gevolgd vanaf de kade. Toen je prooi bleef staan heb ik snel een duik genomen in een zwembad. Daarna kon ik nog dichterbij komen.’
‘Heel verstandig,’ zei Harpist. ‘Ons reukvermogen is waarschijnlijk heel wat beter dan jullie vermoeden. Zullen we je dan maar deelgenoot maken van ons raadselspel?’
Ze sprong naar beneden. Op haar rug droeg ze een van Valavirgillins alcoholvlammers. ‘Het meeste heb ik gehoord. En ik heb ook al iets opgelost. Kom maar eens mee.’
‘Wij volgen je.’
Warvia bracht hen terug naar de hitte. ‘Weet je,’ zei ze, ‘het rauwe voedsel kwam waarschijnlijk van beneden, via de kade en de wegen naar boven. Wat ze hier ook uitvoerden, het moet een soort chemische behandeling zijn geweest — iets wat wij geen van allen ooit zouden doen met voedsel. Maar het voedsel dat vervolgens naar beneden ging moet uit kleine, afgepaste hoeveelheden hebben bestaan.’