Выбрать главу

‘Denk je?’ vroeg Treurbuis. ‘Waarom?’

Warvia bewoog zich tussen de tafels en de hete platen en deurtjes. ‘Stel, jullie zitten naar een toneelstuk te kijken. Of jullie zijn bezig met onderhandelingen over gewichtige onderwerpen — weide- en waterrechten of zoiets. Of jullie Thurl houdt een redevoering over de toekomst van de stam. En daar komt je maaltijd naar beneden, en het is een complete smerp. Zwart verbrand van buiten, helemaal droog en gaar van binnen, precies zoals je hem het lekkerste vindt, en groot genoeg om tien mensen te voeden, maar jullie zijn vijftien man sterk! Wat nu?’

Ze had dit allemaal uitgewerkt nadat ze het antwoord had gevonden, vermoedde Tegger. Ze amuseerde zich geweldig.

‘Je gaat vechten voor je aandeel. Of je probeert de smerp in gelijke stukken te verdelen, maar vier of vijf anderen proberen dat ook. Je vergeet het toneelstuk of het gebekvecht of de toespraak. De spelers worden kwaad, of anders de Thurl wel. Maar als er individuele porties naar beneden komen hoeft niemand ruzie te maken.’

Er bevond zich hier een deurtje dat in de wand zelf was aangebracht, een stevige deur met een venstertje erin. Erachter zagen ze twee horizontale plankjes in een soort doos zonder voorkant. Warvia trok het deurtje open en stak haar hand naar binnen.

‘Heet!’ riep Tegger waarschuwend.

Ik heb eerst even aan het deurtje gevoeld, liefje.’ Ze duwde tegen de achterkant van de doos, en de doos begon te schommelen. ‘Kijk.’ Ze deed het deurtje dicht en haalde een schakelaar over.

De doos viel naar beneden en Het een leeg gat achter.

‘Nu kan het deurtje niet meer open,’ zei ze, en ze demonstreerde het.

‘Hoe ver naar beneden gaat dat kastje?’ vroeg Harpist.

‘Tot waar ze het voedsel wilden hebben, neem ik aan. Toen ik jullie zo hoorde praten heb ik me afgevraagd of het wel nodig was dat mensen naar beneden gingen. Dus heb ik alle deurtjes betast of ze heet waren, en als dat niet zo was heb ik ze geopend, en zo heb ik deze schacht gevonden. Toen hoefde ik alleen nog uit te zoeken waar ik een Vala-draadje moest vastmaken.’

Harpist zette de schakelaar in de middelste stand, daarna in de bovenste. ‘Dit kastje is te klein voor een mens.’

Ik pas er in, als we de plankjes eruit halen.’

Tegger zou er even gemakkelijk in passen, maar hij nam niet de moeite dit aan te bieden. Warvia’s raadsel, Warvia’s oplossing. Rode Herders waren zeer vertrouwd met territoriumaanspraken.

De twee dwars planken bleken gemakkelijk verwijderd te kunnen worden. Misschien hadden de oude Stedenbouwers af en toe inderdaad een complete smerp of wat dan ook naar beneden laten zakken. Warvia probeerde de nu ontstane ruimte binnen te klimmen, maar het lukte niet.

De nacht-mensen tilden haar op en trachtten haar in de kast te proppen door haar lichaam in diverse standen te kantelen en haar armen en benen in de vreemdste hoeken te wringen, maar alles zonder resultaat: steeds bleven op zijn minst haar benen buiten boord. Tegger overwoog de bovenkant van de kast eraf te slopen om te kijken of er in de schacht nog wat ruimte was, maar ten slotte beperkte hij zich tot een constatering: ‘Zelfs drastische amputaties kunnen er niet voor zorgen dat er plaats is voor jou en een paar wapens.’ Ik zou naakt gaan!’

‘Je past niet,’ zei Treurbuis. ‘Dit is een kastje voor een Sprokkelaar. Probeer het maar zolang je wilt, Warvia. We hebben geen haast. Harpist, mijn lieve, onze rol hier is uitgespeeld. Sprokkelaars worden pas wakker als het klaarlichte dag is.’

De nacht-mensen praatten wat tijdens hun gezamenlijke terugkeer naar de kade.

‘We zouden vóór onze gezant eerst iets anders naar beneden moeten laten zakken,’ zei Harpist. ‘Een volle kruik brandstof? Zo neergezet dat ze moet omvallen — voor het geval dat de weg naar de schakelkast wordt versperd door een stel vampiers. Een snelle vuurbol, en…

Wham!

Tegger was niet in de stemming om te praten en Warvia zei helemaal niets. Ze kropen onder hun luifel en wachtten tot Treurbuis en Harpist uit het zicht verdwenen waren.

Toen nam Warvia Tegger bij de hand. Aan de andere kant Heten ze zich weer onder de luifel uit glijden en ze renden naar de plek waar de kade zich versmalde om Randstraat te worden. ‘We hebben onderzoek gedaan toen jij lag te slapen,’ fluisterde Warvia. ‘Kom mee.’

Ik moet je iets vertellen,’ zei Tegger.

‘Wat er op de hellingbaan is gebeurd? Je bent gek geworden. Ik ben gek geworden. We zijn nog steeds paargenoten. Alleen ben ik bang, liefje, dat we nooit meer naar huis kunnen terugkeren.’

Tegger zuchtte, opgelucht dat een zo akelige nachtmerrie zo gemakkelijk verjaagd kon worden. ‘Mee, waarheen?’

‘Ik heb een bepaald vermoeden. Kom.’

Ze renden een zigzagkoers door het stratenplan, en klommen in en op buizen en pijpen steeds verder naar boven. Warvia ging voor over de koepel van de eetzaal, toen naar beneden, en vervolgens weer naar boven, tot vlak achter de schoorsteen. Daarvandaan kropen ze voorzichtig, op hun buik, naar de andere kant — de kant waar het geluid van metaal op steen te horen was.

Het geluid verstomde.

Warvia gebaarde Tegger dat hij zich moest terugtrekken. Zelf ging ze staan en liep ze naar voren. ‘Keurig. Maar hoe krijgen jullie het beneden?’

Harpist en Treurbuis lieten de grote stenen plaat die ze in hun handen hadden langzaam op de grond zakken. De losgezaagde plaat was hoogstens een duim dik en moest zeer breekbaar zijn. De bovenkant was bedekt met een bronzen web — een ingewikkeld netwerk van geometrische patronen.

‘We zijn verzot op onze geheimen,’ zei Harpist. ‘Maar deze plaat is niet naar beneden te krijgen, behalve op een kruiser. We zullen de baas dus moeten inlichten. Wel. Hoeveel weet jij?’

Ik zag jullie zagen. Heb het ding bekeken toen jullie met Tegger wegliepen. Wat is het? Waarom willen jullie het hebben?’

‘Wij denken dat het een oog en een oor en misschien nog meer zintuigen is,’ zei Harpist. ‘We denken dat het behoort bij Louis Wu en zijn metgezellen van buiten de Boog.’

‘We denken ook dat zij degenen waren die onze zon weer in het midden hebben teruggezet,’ vervolgde Treurbuis. ‘Dat zou betekenen dat ze buitengewoon machtig zijn. Wij zouden hun kunnen vertellen hoe ze die macht moeten gebruiken, mits we met hen in contact kunnen komen.’

‘Maar Louis Wu verdween in een of andere vliegende koker. Later hebben onze bronnen die koker, of misschien een andere, bij het Schaduwnest zien zweven. Nacht-mensen hebben elders op de Boog meer van zulke netwerkogen waargenomen. Ze moeten bedoeld zijn voor spionage.’

‘Gaan jullie proberen ermee te praten?’ vroeg Warvia.

‘Dat zullen we proberen. Maar als er geen antwoord komt zullen we het oog naar een plek brengen waar het kan zien wat wij gezien willen hebben.’

‘Tegger en ik kunnen niet meer naar huis terug,’ zei Warvia behoedzaam. ‘Als er Demonen zouden zijn die getuigden dat wij een soort helden zijn geweest, kunnen we misschien worden opgenomen in een andere stam van Rode Herders. Welnu, dat in het achterhoofd gehouden — welke kant reizen jullie op?’

Harpist begon bulderend te lachen. Treurbuis foeterde hem uit. ‘Stommeling! Ze hoeven toch niet helemaal op hun knieën! Warvia, wij… Nee, zeg me eerst iets anders. Kun je tegen een stootje?’

Warvia wenkte en Tegger kwam te voorschijn. Verbergen had trouwens geen zin meer, want hij proestte van het lachen. ‘Als je denkt dat je ons tweeën nog kunt choqueren,’ zei hij, ‘wel, ga gerust je gang en probeer het maar!’ Harpist begon te praten.

17. De oorlog tegen het Duister

Reusachtig vergrote, scheef vertekende gezichten keken vanuit de rotswand. Twee Rode Herders en twee zelfs nog grotere leden van het Nachtvolk bespraken geheimen die niemand kon horen, voor een pubhek dat…