Выбрать главу

Louis Wu was de enige die lachte.

Louis rukte zijn blik los van de show die Verst-in-de-achterhoede voor hen opvoerde. Voor de lokale bevolking moest het lijken alsof ze goden gadesloegen die over hun lot aan het beslissen waren.

De Zeilers waren op de loop gegaan.

Hij zag geen spoor van Fagot of Mirarp.

Hij was omringd door Wevers, maar de meeste ervan sliepen. Doezelige Weverskinderen probeerden hun ogen open te houden, maar morgen zouden ze weten dat ze alles hadden gedroomd. Louis Wu was feitelijk het enige publiek dat deze reuzengezichten aanschouwde. Ten gerieve van Verst-in-de-achterhoede gebruikte hij Interspraak. ‘Deze Demonen hebben wel erg veel moeite gedaan om een netwerkoog te stelen! Ze willen echt graag met je praten, zou ik denken.’

Het beeld veranderde. Een oogwenk lang werd het een infrarode weergave van de dorpspoel en omgeving: zwart water, vaag opgloeiende lichamen van Wevers die op lage tafels lagen te slapen, de iets helderder gloed van Louis Wu’s naakte huid… en een gearceerde lichtvlek achter hem plus een tweede van dat soort naast het raadhuis.

Mirarp en Fagot, die zich verborgen hielden in hoog gras. Dus de Demonen kijken mee. Zouden ze zichzelf herkennen?

De grotesk vergrote gezichten vervaagden. Het netwerkoog en de dunne stenen plaat waarop het bevestigd was werden op een donkere plek opgeborgen. Nu was de rotswand alleen nog maar donker gesteente.

De zon was pas een smal strookje bleek licht achter de wolken toen Valavirgillin zich naar buiten het rollen om te kijken wat de commotie te betekenen had.

Het bleek te gaan om Roden en Demonen die vier Grasreuzen aanwijzingen gaven. Deze droegen met hun vieren een losgezaagd stuk muur over de Trappenstraat naar beneden. Op de stenen plaat was een bronzen web gespreid. Een zware last, aan hun manier van bewegen te zien. Ze sjouwden de plaat naar Kruiser Twee, zetten haar schuin tegen de treeplank en rustten uit.

De Demonen begonnen te praten. De Roden wilden er af en toe tussenkomen, maar kregen nauwelijks de kans.

Toen al het gepraat achter de rug was, lag het netwerkoog met plaat en al op de vloer van de vrachtcontainer van Kruiser Twee. Slaperige Sprokkelaars hadden zich vertoond om te kijken waar al die opwinding vandaan kwam. Slaperige Demonen kropen onder hun zeil. En de weg naar beneden leek bijna open te liggen.

Ergens achter die zwarte wolken moest de opzij schuivende schaduwplaat een steeds groter deel van de zon ontbloten, maar het enige licht dat in de storm tot hier beneden doordrong was dat van furieuze bliksemschichten.

Vier Sprokkelaars en Valavirgillin liepen door de striemende regen naar de top van de Trappenstraat. Daar gingen ze de koepel binnen, op de voet gevolgd door alle humanoïden behalve de Demonen. Ze klommen over de reusachtige treden naar de verbazingwekkende keuken.

Silack nestelde zich in het bewegende kastje. Alleen de andere Sprokkelaars wisten hoe en waarom hij was uitgekozen. De vlammer paste moeiteloos tussen zijn armen.

‘Vuur ermee op een muur. Of een vampier, maakt niet uit,’ droeg Manack hem op. Hij was zenuwachtig en had een handgeweer van de Machine-mensen vast, waarvoor hij allebei zijn handen nodig had. Ik kom meteen na jou naar beneden met niets anders dan dit ding bij me, en als ik beneden ben wil ik licht hebben. Ik wil zien wat op ons af komt! Dus het eerste wat je doet als je buiten bent is zorgen voor licht!’

Ze deden het deurtje achter Silack dicht en zetten de schakelaar in de onderste stand. Er was genoeg licht om de draagkabel te zien trillen. En er was ook geluid genoeg.

Toen verstomde het motorgeruis.

Ze wachtten.

Manack probeerde de schakelaar naar boven te zetten, maar deze gaf niet mee. Vala weerhield hem ervan grof geweld te gebruiken.

De schakelaar klikte uit eigener beweging naar boven. De kabel begon weer te trillen. Ze wachtten tot het kastje voor hun ogen opdook.

Silack liet zich naar buiten rollen en hapte naar adem voor een luide kreet. ‘Licht!’ brulde hij.

Perilack wierp zich op hem voor een knellende omhelzing. Hij sprak over haar schouder. ‘Manack, het spijt me, maar het schakelpaneel zat vlak voor mijn neus, en ik bedacht dat ik misschien snel weg zou willen wezen als de lampen eenmaal brandden, en, flup, dat had ik goed bekeken! Want toen ik klaar was bleken alle lampen aan te gaan, tegelijk, en ik —’

‘Zijn ze aan?’ gilde Perilack.

‘Ja!’ juichte Silack, en zijn hele gehoor rende weg.

Valavirgillin hijgde en strompelde toen ze bij de Baanstraat was aangekomen. De Sprokkelaars en de Roden snelden ver voor haar en de andere Machine-mensen uit. De Grasreuzen kwamen bonkend achter hen aan.

De lichten van de Baanstraat waren ondanks de regen in alle helderheid te zien. Het hele gezelschap liep in een drom naar beneden.

Er was nu ook onder de zwever licht en ze zagen een verkeerschaos als uit een nachtmerrie. Het centrale bouwwerk, het toneel, de vensters, de watervallen en alles eromheen baadden in een genadeloze lichtgloed. Het Schaduwnest was lichter dan het gedempte daglicht buiten. Vampiers die in het schijnsel gevangen zaten probeerden weg te komen en vampiers die terugkeerden van hun jacht probeerden binnen te komen.

‘Meteen toen de lampen brandden schoten de vampiers alle kanten op,’ riep Silack. ‘Twee of drie tientallen kwamen op de gedachte dat de kantoren een soort grot vormden. Er is daarbinnen een open ruimte die aan de ene kant uitzicht biedt op het toneel en aan de andere kant op het sprekerspodium — dat heeft Harpist goed voorspeld — en die in verbinding staat met alle kantoren. Er kwamen van drie kanten vampiers op me af. Manack, ik heb het deurtje open laten staan toen ik uit het bewegende kastje was geklauterd. Al meteen toen ik beneden was aangekomen wist ik dat ik het kastje nooit zonder mij mocht laten vertrekken!’

‘Jij hebzuchtige flupwroeter, jij —’

Ik weet het, Manack.’

‘Jij wilde alle eer alleen voor jezelf!’

Ik was dolblij dat het kastje nog beschikbaar was! Ze bestormden mij, ik vuurde en ik maakte dat ik wegkwam!’

Er ontstonden nu moordende gevechten tussen vampiers die weg wilden en vampiers die naar binnen wilden. Drie windingen hogerop stonden de Grasreuzen de vechters luidkeels aan te moedigen. Nog even en ze zouden onder elkaar weddenschappen gaan afsluiten!

‘Allemaal luisteren!’ riep Valavirgillin. ‘Volgens mij is dit het beste moment om weg te komen. De meeste vampiers zijn nog op jacht en degene die hier rondlopen zijn in verwarring en half blind. Als we nog een tiendeel van een dag aarzelen zijn de jagers terug en dan moeten we wachten tot het weer nacht wordt! Daarvoor heb ik te veel honger! Dus we gaan nu!’

Als ik gek ben, leg dan uit waarom!

Ze keken haar aan in een stilte die alleen werd verbroken door het gekrijs van duizenden vampiers.

‘Nu!’ herhaalde ze, en haar mensen begonnen te rennen.

Louis zag drie Zeilers over de dakrand van het raadhuis kijken. Ze toonden moed, maar ze zagen niet meer dan hijzelf zag. Het venster in de rotswand was nog steeds een donker stukje rotswand, verder niets. Het spionageweb van Verst-in-de-achterhoede lag nog steeds in de duisternis van een gesloten vrachtcontainer op een zeswielige kruiser.

Verst-in-de-achterhoede meldde zich in Interspraak. Ik kan hen nog horen, Louis. En ruiken.’

De donkere rotswand werd een donker venster. Een Piersons-poppenspeler stond te dansen en ontelbaar veel andere bewogen zich op de achtergrond in grillige patronen: een schemerig woud van eenogige slangen.

Louis was geamuseerd. ‘Dans je in het donker?’

Verst-in-de-achterhoede maakte een pirouette. ‘Een vaardigheidstest. Lang, heel lang geleden was duisternis heel gewoon. Het is niet onmogelijk dat iemand van ons ooit opnieuw met duisternis te maken krijgt.’