Выбрать главу

Dus ze testten elkaar met het oog op hun paringsprivileges, zoals ook de Vruchtbaarheidsraad dat op de Aarde deed. Verst-in-de-achterhoede hield zijn kundigheden op peil. Maar hij had gezegd… ‘Wie kun je nog horen?’

‘Valavirgillin en haar gezelschap. Hoewel de toegangsdeur tot de container dicht is, kan ik hun stemmen nog verstaan. Ze organiseren de verdediging van hun kruisers. De wagens zijn in beweging, maar ze worden van alle kanten belaagd door vampiers. Wil je het horen?’

‘Zo meteen. Ik vraag me af wat onze Demonische waarnemers van jouw gedans vinden.’

‘De kleine wisselt voortdurend van positie. De grote beweegt zich niet. Zou je hem willen vangen?’

‘Nee…’

‘Houd je vertaalapparaat tegen de kern van mijn netwerkoog. Ik zal zorgen voor een vertaling.’

Louis waadde door de ondiepe poel naar de rotswand. Het venster bood nog steeds een schemerige, naar de randen toe wazig wordende aanblik van een hele horde dansende Poppenspelers, maar vlak voor zijn neus zweefde nu een zwarte klont — ter grootte van een onregelmatig gevormd hart — waar Louis zijn vertaler tegenaan drukte.

Hij hoorde stemmen: menselijke, soms half dierlijke; bassen en tenoren en hoger; woede en opwinding en paniek. Opeens een kreet van verrassing, gemengd met pijn, nog meer kreten, en toen de doffe plof van een lichaam dat op het netwerkoog zelf viel. Een keer herkende hij Valavirgillins stem; ze brulde orders zoals ze dat in zijn aanwezigheid nooit had gedaan. Verder was het een onontwarbare chaos van geschreeuw en andere geluiden.

De volgende minuten nam het vampiergekrijs langzaam af. Toen klonk er — Louis vond het een akelige, schokkende ervaring — een koel, zangerig, verleidelijk geluid, een stem die niet echt praatte… Abrupt brak dit geluid af, en er volgde een griezelige stilte.

Vala leidde haar expeditie stroomafwaarts, want stroomopwaarts krioelde het van de vampiers die terugkeerden van hun jacht. Ze liet de kruisers nog een tiendeel van de dag doorrijden nadat ze de laatste vampiers hadden afgeschud. Gladde, zwarte koppen doken op in de rivier: de Thuisvloed-mensen wisten haar bij te houden.

Kruiser Een reed nog steeds toen Beedj de achterdeur van de container opende en naar binnen kroop.

Vala wachtte.

Er werd iets zwaars naar buiten gerold.

Paroom. Ze hadden zich massaal op hem gestort en geprobeerd hem in stukken te scheuren, terwijl zijn vrienden van boven en opzij op de vampiers inhakten. Een andere vampier had Perilack zwaar gewond met zijn klauwtjes.

Beedj klom naast haar op de bestuurdersbank. ‘Dood,’ zei hij.

‘Perilack ziet er niet slecht uit. Ik heb zijn snijwonden gewassen met brandstof. Helpt dat echt?’

Vala knikte. Ze vroeg zich af of Treurbuis en Harpist aanstoot zouden nemen… of ze zouden begrijpen dat Parooms lichaam beter kon worden achtergelaten voor vreemden dan dat het aan hen beiden, zijn vrienden, werd gegeven. Ze zei niets tegen de beoogde opvolger van de Thurl. Het was allemaal zijn eigen beslissing.

Er strekte zich een weidelandschap uit naast de rivier dat eruitzag als veelbelovende jachtgrond. Valavirgillin hield iedereen dicht bij elkaar, alle soorten humanoïden die ze bij zich had, en dwong iedereen een handdoek voor het gezicht gebonden te houden. Er konden nog vampiers in de buurt zijn.

Vala had uit de kadeloodsen een aantal stapels stof meegenomen. Ze had Rooballabl en Fudghabladl een grote, langwerpige lap van een gaasachtige stof gegeven om hem als visnet te gebruiken. Dat hadden ze met veel succes gedaan, zodat er nu een overvloed was voor iedereen die vis kon eten.

De Grasreuzen hadden een eetbare soort riviergras gevonden. Er waren prooidieren in de omgeving. Roden en Sprokkelaars hoefden niet te wachten tot er een vuur was aangelegd. De Machine-mensen hadden een grote kookpot boven het vuur gehangen, die ze volstopten met wortels en vis.

Haar mensen hadden eindelijk weer te eten.

Valavirgillin nam het gezelschap op terwijl ze zat te wachten. Tegger zag er stukken beter uit nu zijn maag gevuld was. Forn en Barok waren samen bezig het eten te bereiden. Misschien dat ze eikaars aanraking vermeden, maar dat was moeilijk te zeggen.

Treurbuis en Harpist hadden zich een twintigtal manshoogten verwijderd, en dat was maar goed ook, want ze zaten ginds geknield te eten. De Demonen hadden een humanoïde van het Boerenvolk gevonden, misschien een gevangene van de vampiers die onderweg naar het Schaduwnest was bezweken. Even had het erop geleken dat de Demonen het lijk helemaal tot binnen het kamp wilden slepen!

Op de passen in de verte wemelde het nog steeds van de vampiers. Ze werden aangetrokken door het tumult rond het Schaduwnest. Uiteindelijk zou Vala achter hun linies moeten zien te komen.

Geleidelijk werd haar stemming somberder; misschien kwam het door de honger. In een rare opwelling liep ze naar de Demonen.

Treurbuis zag haar naderen. Ze kwam haar tegemoet, maar bewaarde een beschaafde afstand. ‘Je hebt nog niet gegeten,’ zei ze.

‘Dadelijk.’

‘Het zal je opkikkeren. We zijn ontsnapt, Valavirgillin. We zijn vrij en we hebben een verhaal te vertellen waar geen enkele andere humanoïde aan kan tippen.’

‘Treurbuis, wat hebben we hier eigenlijk bereikt?’

Ik begrijp niet wat je bedoelt.’

‘We zijn tot hier gekomen. We hebben een weg naar boven gevonden. We hebben het grootste deel van Louis Wu’s magische stof opgebruikt. We hebben ons vrij baan naar beneden gevochten. We hebben een stel vampiers gedood en de rest naar buiten gejaagd, de regen in. We zijn een kruiser kwijtgeraakt, en Paroom. Waar kan ik verder nog over snoeven?’

‘We hebben Foranayeedli gered. Jij hebt tien mansgewichten aan perfect geconserveerde antieke stoffen in je kruiser geladen.’

Vala haalde haar schouders op. Zeker, ze zou een flinke winst maken dank zij de spullen die ze uit de loodsen had meegenomen — en niet alleen de stoffen. En Forn… ja, inderdaad.

De Demonvrouw Het een afgekloven rib op de grond vallen en kwam iets dichterbij. ‘Baas, we hebben een eind gemaakt aan de vampierplaag!’

‘Ach, Treurbuis, we hebben de vampiers alleen verjaagd. Nu zullen ze zich verspreiden over alle landen om ons heen. De vampierplaag wordt er alleen maar erger door!’

‘De volgende generatie, veertig of vijftig falans na vandaag, zal veel minder talrijk zijn,’ merkte Treurbuis onverstoorbaar op. ‘Je mag gerust nu al snoeven! De tijd zal je gelijk geven.’

Ik zie niet in hoe —’

‘Valavirgillin, je hebt de aantrekkingskracht van de vampiergeur ervaren. Geen enkele humanoïde kan die weerstaan, zelfs een Rode Herder niet. Is het nooit bij je opgekomen dat ze diezelfde geur ook gebruiken om een paargenoot te verleiden?’

‘Hoezo?’

‘Vampiers scheiden hun geur af wanneer er prooi in de buurt is. Maar na het eten is het tijd voor de voortplanting. En ook als ze de veilige beschutting van een grot hebben gevonden is het tijd voor de voortplanting — en in zo’n grot, waar ze met velen bij elkaar hokken, blijft de geur geconcentreerd hangen. Het was hun paringsgeur in de tijd dat hun voorouders leken op die van ons, en het is nog steeds hun paringsgeur. Maar nu hebben we hun grot afgepakt en het hele stel de regen in gejaagd, een regen die al voortduurt sinds Louis Wu een zee heeft laten koken, baas. De regen spoelt hun paringsgeur af.’

Valavirgillin dacht erover na tot ze het geloofde. Toen richtte ze zich op en juichte: ‘Ze zullen zich nauwelijks meer voortplanten!’

De dag liep ten einde. Voor het nacht werd moesten de kruisers buiten het bereik van de vampiers gebracht zijn. De volgende ochtend wilde ze brandstof van Kruiser Twee overhevelen om met Kruiser Een naar huis te vertrekken.

‘En jullie,’ zei ze, ‘jullie hebben het bronzen web.’

‘Ergens onder de Boog kan Louis Wu via dat netwerkoog dingen zien en horen. Er is iets dat we de tovenaar beslist willen laten zien… als de tovenaar nog leeft, en de moeite wil nemen om te kijken, en als het web nog steeds functioneert als een venster.’