Выбрать главу

Het draadlemmet had Louis niet in tweeën gesneden. Pure mazzel. Maar zijn handen en polsen voelden aan alsof ze verbrijzeld waren, en zijn evenwicht was nu helemaal ver te zoeken, en de knobbelige man kwam op hem af. Een beschermheer!

Louis het zich van de stapschijf naar een hoekje van de cabine rollen, en probeerde daar overeind te komen. Zijn rechterpols was één bonk stekende pijn. De linker was alleen gevoelloos.

Op de plek waar hij zich had bevonden verscheen nu opeens iets reusachtigs op handen en voeten. En dit wezen verhief zich vervolgens op de achterpoten: een grote oranje beer met een klein kanon in een van de kolossale handen.

De knobbelige man draaide zich om, dook naar de vloer en zwiepte met Louis’ variantmes naar de enorme indringer… een Kzin. Diens wapen vloog weg, met de grote klauwvingers er nog omheen geklemd. De Kzin bevroor in een gehurkte beweging en begon luid te brullen. De knobbelige man hield nu ook de flitser in zijn hand — dreigend. ‘Niet bewegen,’ zei hij tegen de Kzin. ‘Jij ook niet, Netwerkhuizer. Louis Wu, beweeg je niet. Verlangt je contract dat je sterft?’

De lippen van de knobbelige man waren achteruitgeweken en het tandvlees, boven en beneden, was vergroeid en had zich verhard tot puntige uitsteeksels die op elkaar sloten als een stompe snavel. Zijn stem klonk hees en vervormd, maar sprak Interspraak. Hoe had deze knobbelige man ooit Interspraak kunnen leren? Door Verst-in-de-achterhoede af te luisteren?

Contract!

De werkelijkheid begon tussen de pijnscheuten door tot hem door te dringen. Elf jaar geleden dat hij zo in de nesten had gezeten. Om tijd te winnen zei Louis: ‘Jazeker, onder omstandigheden die exclusief aan mij ter beoordeling zijn. Aanvaard je mijn contract?’

‘Ja.’

Na wat was voorgevallen was dit toch verbazingwekkend te noemen.

De mannelijke Kzin bloedde hevig aan de hand waarvan alleen de duim nog over was. Hij betastte die arm en probeerde de aderen af te knellen. Zijn blik was op Louis gericht. ‘Wat moet ik doen?’ vroeg hij.

‘Steek je arm boven je hoofd. Blijf de pols afknijpen. Probeer de bloedvaten dicht te drukken. Probeer vooral niet te vechten. Dat daar is een beschermheer. Verst-in-de-achterhoede, zet… hé daar! Verst-in-de-achterhoede, je middagdutje is voorbij. We moeten trouwens allemaal wakker worden.’

De Poppenspeler ontwarde zijn kluwen van lichaamsdelen. ‘Zeg het maar, Louis.’

De zwarte kist… ‘Jouw medisch wonderapparaat… Je kon het instellen om er een Kzin mee te genezen?’

‘Ja.’

‘Doe dat dan! Daarna kun je me vertellen wat er gebeurd is. Mijn tijd telt nu driedubbel, tussen haakjes, want dit lijkt toch echt verdacht veel op een noodtoestand.’

Verst-in-de-achterhoede was nog niet op zijn best. ‘Een gewonde, wildvreemde Kzin genezen?’ vroeg hij. ‘Nu meteen.’ ‘Maar, Louis —’

‘Ik sta onder contract! Het is in ons beider voordeel. Begrijp je dan niet wie dit moet zijn?’

De Poppenspeler knielde voor de kist en begon het bedieningspaneel in te stellen met zijn monden. De beschermheer had nog steeds de flitser en het variantmes in zijn handen. Louis kon niets bedenken om daar iets aan te doen, of aan de vreemde Kzin die was opgedoken, of aan het hinderlijke flikkerlicht van dansende Poppenspelers in zijn ooghoeken. Dus nu eerst maar eens één verrekt ding tegelijk!

De Kzin. ‘Hoe heet je?’

‘Acoliet.’

‘Zoon van Chmee,’ gokte Louis. Hij was vergeten hoe groot een mannelijke Kzin werd als je vlak naast hem ging staan. Deze kon niet ouder zijn dan elf jaar, en was dus nog niet helemaal volwassen. ‘Geen ware naam?’

‘Nog niet. Oudste zoon van Chmee. Ik daagde uit. Vader won. Leer wijsheid, zei hij tegen mij. Sluip achter Louis Wu aan. Acoliet.’

‘Ah… Verst-in-de-achterhoede, hoe lang duurt het om dat apparaat in te regelen voor het Kzin-metabolisme?’

‘Minuten. Geef de Kzin een drukverband.’

Louis liep naar de textiel verstrekker, langzaam — zijn handen duidelijk zichtbaar voor de beschermheer. Zijn rechterhand en pols waren lelijk gezwollen. Hij hield die arm boven zijn hoofd. Zijn linkerhand voelde verdoofd aan, maar functioneerde nog wel, meende hij.

De keukenwand bestond uit een reeks menu’s voor voedsel (zowel voor mensen als Kzinti), dieetvereisten, allergie-onderdrukkers, kleren, wasgoed enzovoorts. Louis had geen medicijnenmenu gezien, maar hij twijfelde er niet aan dat ook dat beschikbaar zou zijn als de nood aan de man kwam. Verst-in-de-achterhoede had de voormalige draadverslaafde natuurlijk geen toegang willen geven tot verleidelijke farmaceutische speeltjes.

Louis koos Sol/Noords/Formeel en vervolgens Stropdassen. Hij weerstond een paar kinderachtige opwellingen en koos een exemplaar met oranje en gele patronen die wel mooi zouden staan bij de vacht van een Kzin. Zelfs zijn blik dwaalde geen moment af naar het kleine Slavenhalers-graafwerktuig dat hij een eeuwigheid geleden met plakband onder het aflevervak had vastgeplakt.

De geur van de Kzin was zwak. Acoliet moest zich door vaak te baden nagenoeg geurloos hebben gemaakt om Louis Wu ongemerkt te kunnen volgen. Zijn oranje bont werd doorsneden door drie evenwijdige, borstelachtige strepen over zijn buik. Voor de rest waren de schaarse merktekens van zijn vacht een ratjetoe: de punten van zijn beide oren waren chocoladebruin, bijna zwart; er liep een brede chocoladebruine streep over zijn rug naar beneden, en een smallere, in de vorm van een komma, over zijn staart en zijn bovenbeen.

Hij was kleiner dan Chmee, ongeveer twee meter tien, maar even breed: een halfbloed. Zijn moeder was ongetwijfeld een van de archaïsche Kzinti op de Kaart van Kzin.

Acoliet ging zitten en stak zijn arm uit. Louis bond de dikke pols af met de stropdas, gebruik makend van zijn linkerhand en zijn tanden. Het bloeden nam af tot een traag druppelen.

‘Wie is mijn aanvaller?’ kreunde de Kzin.

‘Al sla je me dood, maar als ik moest raden… Hallo, knobbelige man?’ ‘Spreek.’

‘Verst-in-de-achterhoede en ik vermoedden allebei dat er een beschermheer in het Reparatiecentrum moest zijn. Je hebt binnenvallende schepen neergeschoten. Het tijdsverloop van die acties maakte duidelijk dat je hiervandaan aan het werk was. Verst-in-de-achterhoede heeft overal stapschijven gemonteerd. Een beschermheer zou een van die schijven zo kunnen herprogrammeren, dat ze verbonden werd met deze hier zodra iemand deze schijf zou gebruiken.’

‘En dan zou je hier vlak vóór mij kunnen opduiken. Pietepeuterige timing! Je had mij nodig als afleidingsmanoeuvre en je rekende op de vaste reflexen van Poppenspelers. Interessant, Verst-in-de-achterhoede, vind je ook niet? Je had een moment om te ontsnappen, maar in plaats daarvan deelde je een trap uit?’

‘Dat oude verhaal weer! Jawel, bij wijze van reflex keerde ik het gevecht de rug toe. Tevreden?’

Louis grijnsde. Zijn pijn was inmiddels wel uit te houden, maar hij was wat dronken van de adrenalinereactie. ‘Acoliet,’ zei hij. ‘Dit is een beschermheer. Bekijk hem goed. Ze zien er allemaal zo knobbelig uit, en ze zijn allemaal briljant en levensgevaarlijk.’

‘Zag eruit als gewoon een of andere humanoïde.’ De Kzin schudde zijn grote, met bont bedekte hoofd.

‘Hoe lang heb je me in het oog gehouden?’ vroeg Louis.

‘Nu twee dagen. Ik dacht: laat me eerst van u leren voordat ik me vertoon.’ ‘Wijsheid?’

‘Vader heeft over u gesproken. Hij gelooft dat hij datgene wat hij aan wijsheid bezit van u heeft geleerd. En dat ik dat ook zou kunnen. Maar een van de aaseters heeft me gezien.’

‘De jongen?’

‘Ja. U noemde hem Mirarp.’

Ik heb ook met zijn vader gesproken.’

‘De jongen en ik hebben met elkaar gepraat. Zijn vader was niet ver weg, luisterde mee, dacht dat hij zich verstopt had. Ik heb verteld wat ik van u weet. Ik ken geen geheimen die het bewaren waard zijn. Ik heb niet gesproken over Verst-in-de-achterhoede.’