Zijn contract verplichtte hem niet de prooien van de knobbelige man in bescherming te nemen. En ze waren gekomen als binnendringers.
Ik heb ook nog een interstellair waarnemingsstation aangewezen,’ zei Verst-in-de-achterhoede. ‘Een van de mijne. De Conservatieven weten er niks van, wed ik.’
‘Juist. Knobbelmans, ik sta bloot aan de verleiding je Dracula te noemen. Dracula was bij ons het prototype van alle vampiers in de verhalen.’
‘Ga gerust je gang.’
‘Nee, dat zou goedkoop zijn. Jij bent een beschermheer, het puikje van de vampiersoort. Laat ons Bram tegen je zeggen. Kun je me vertellen wat je van mij verlangt?’
Ik verlang datgene wat het beste is voor mijn soort. Vampiers staan op dit moment bloot aan drie bedreigingen, en alle drie bedreigen ze alles onder de Boog, inclusief jullie beiden.’
De knobbelige man bestudeerde Louis’ gezicht terwijl hij sprak. In de eerste plaats: wanneer vampiers te talrijk worden, roeien we onze prooi uit. Intelligente humanoïden zouden zelfs een manier kunnen vinden om óns uit te roeien. Ik wil niet dat welke vampiersoort dan ook te veel de aandacht trekt. En jullie willen niet dat vampiers zich overal verspreiden.’
‘Die vampierjagers, heb jij daar een handje geholpen? Nee, dat lijkt me onzin. Tenslotte hadden ze het op je eigen soort gemunt.’
‘Nee, Louis, het was niet mijn eigen soort. Er moeten op Ringwereld wel honderd verschillende typen vampiers zijn.’
‘Aha. En waar woont jouw variant?’
Op die vraag ging Bram niet in. ‘Louis, ik heb het bondgenootschap dat het Schaduwnest te lijf ging niet gevormd. Maar het heeft een elegante oplossing gevonden, vind je niet?’
‘Ja.’
‘Ten tweede: deze invasievloot uit de ruimte bedreigt de structuur van Ringwereld zelf.’
Louis knikte. ‘Een interstellair oorlogsschip kan meteoorachtige inslagen als wapen gebruiken. Houd vooral de kometen goed in de gaten!’
‘De derde bedreiging is die van de beschermheren, of liever, hun onderlinge duels.’
‘Hoeveel beschermheren hebben we eigenlijk al?’ vroeg Louis.
‘Drie of meer zijn er betrokken bij het herstel van de randmuurinstallaties. Ze schijnen ieder een duidelijke taak te hebben, maar ze moeten niettemin in het oog gehouden worden.’
‘Van welke soort zijn ze, weet je dat?’
‘Zeker, dat is een belangrijk aspect. De leiders zullen vampiers zijn. Eventuele andere beschermheren zouden helpers kunnen zijn die ze uit lokale volken hebben gerekruteerd. Louis, het is denkbaar —’
‘Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat het op Ringwereld opeens krioelt van de vampier-beschermheren?’
‘Dat is een ingewikkeld verhaal, maar waarom zou ik het vertellen?’
Louis had zichzelf en Verst-in-de-achterhoede welbewust niet verplicht om geheimen te onthullen. Hoe kon hij Bram dan overhalen de zijne te vertellen? ‘Jij bent aan zet,’ zei hij. ‘Bepaal eerst wat je wilt. Bepaal of wij het kunnen leveren. En bepaal ten slotte hoeveel wij moeten weten om het goed te doen.’
De knokige handen van de beschermheer dansten over het paneel. ‘Jullie houden geheimen voor jezelf,’ zei hij. ‘Waarom zou ik de mijne dan onthullen? Jullie hebben je verplicht mij onvoorwaardelijk te gehoorzamen.’
Probeer het dan zó eens… ‘Jij hebt schepen uit de lucht geschoten. Akkoord, maar stel eens dat je er eentje mist? Jij kunt met geen mogelijkheid beoordelen wat zo’n schip daarna gaat doen. Wij drieën, ikzelf en Acoliet en Verst-in-de-achterhoede, zijn de enige buitenwerelders die je bij de hand hebt. Jij bent van plan onze reacties en ons gedrag te bestuderen en op basis daarvan te extrapoleren wat de binnendringers van plan zouden kunnen zijn. Maar wij reageren niet als we nergens van op de hoogte zijn.’
De felle zonnevlam had een boog gevormd, maar strekte zich nu weer tot een rechte, smallere bundel. ‘Verst-in-de-achterhoede?’ vroeg Bram.
‘De uitbarsting is nu bijna optimaal gericht.’ ‘Wil jij de manoeuvre afronden?’ ‘Alle vier de objecten vernietigen?’
‘Laat die komeet maar met rust. Louis, hoe kun je adequaat reageren als je weet dat je scherp in het oog wordt gehouden?’
‘Als ik word bekeken, dan kijk ik terug. En ik calculeer het in. Bram, wie ben je? Hoe kon een vampier het Reparatiecentrum binnenkomen?’
‘Ik heb kaarten gevolgd.’
Louis wachtte.
‘Heb jij wel eens gezien, Louis, hoe mensen zich gedragen als ze de brandstof van de Machine-mensen hebben gedronken?’ ‘Ik heb het zelf gedaan.’
‘Ik nooit. Stel je nu eens voor dat je dat spul al bij wijze van moedermelk naar binnen hebt gekregen, en steeds daarna, en dat je pas na tientallen falans bij je positieven komt, voor het eerst nuchter. Je bruist dan van energie en ambities. Ik ben geboren… nee, geschapen… zevenduizend en tweehonderd falans geleden. Er lagen lijken overal om me heen, tientallen van mijn eigen soort, al dagenlang dood, en één vreemde figuur die voornamelijk uit knobbels leek te bestaan. Zelf was ik ook een en al knobbels, en geslachtsloos. Ik had het koud, ik had honger, ik was uitgeput van het vechten, maar ik bekeek de wereld om me heen als een grote puzzel, een puzzel die ik kon oplossen. Drie anderen ontwaakten nog; ze waren net zo veranderd als ik.’
‘Jullie hebben een beschermheer verslagen?’ vroeg Louis. ‘Daar zijn vampiers toch niet intelligent genoeg voor?’
‘Deze beschermheer was geboren om verslagen te worden, gemaakt om een dienaar te zijn.’
Gemaakt door… ‘Ga verder.’
‘De stad stond op een rotspiek en een kunstmatige pijler. Ik ben geboren in de schaduw onder de stad. We hadden voortdurend honger. Er bevond zich een wenteltrap om de pijler heen, of eigenlijk een weg, en die leidde naar de geur van prooien, maar we werden steeds tegengehouden door metalen hekken als we de weg naar boven volgden of probeerden over de rotswand te klimmen. Zwevers vlogen af en aan. De wenteltrap werd nooit gebruikt. Toen we beschermheren waren geworden hebben we geprobeerd te raden waarom ons vroegere leven was zoals het was. Ik denk dat we een verdedigingslinie vormden…’
‘Monsters in de gracht,’ zei Louis. ‘Binnendringers zouden eerst moeten afrekenen met vampiers voordat ze de echte bewakers op hun weg vonden.’
‘Plausibel,’ zei de knobbelige man. ‘Er ontstond hongersnood toen er geen zwevers meer kwamen om de stad te bevoorraden. Een verloren oorlog, politieke spelletjes, bandieten die de toevoerwegen afsloten — wie zal het zeggen? Wij, de vampiers, wisten alleen dat er nog maar druppelsgewijs afval naar beneden kwam, en bijna geen rioolwater meer. Degenen die van het afval leefden vertrokken naar elders, en wij, die ten dele afhankelijk waren van het bloed van de aaseters, begonnen te verhongeren. Vele dagen later werden de metalen hekken opgetrokken en kwamen er grote rechthoekige bakken over de weg naar beneden gereden. We probeerden ze open te krijgen om bij het bloed te komen dat we konden ruiken, maar hun wielen verpletterden ons. En bovenop de voertuigen danste een ongelooflijke krijgsvrouwe, die iedereen doodde die het waagde in haar buurt te komen. Ze bleef achter toen de voertuigen al weg waren en ze doodde iedereen die de achtervolging wilde inzetten. Ze gaf geen gehoor aan ons smeken…’
‘Smeken?’
‘Ze was immuun voor onze geur en blind voor onze lichaamstaal. Dat wekte onze woede op. We hadden nog nooit een beschermheer gezien. We waren stom en kwaad en hongerig. We wisten de knobbelvrouw uiteindelijk te vellen, en we stortten ons op haar en zogen het weinige bloed op dat ze in het gevecht nog niet verloren had, en we hadden nog genoeg honger om daarna onze eigen gesneuvelden leeg te zuigen. Toen viel iedereen in een slaap als de dood — en ik ook. En toen ik wakker werd, was ik veranderd. Maar ik herinnerde me alles, en dat was op zichzelf al iets nieuws. Velen van ons hebben die dag het bloed van een beschermheer geproefd. De meesten stierven in hun slaap. Vier beschermheren ontwaakten. Naar de geur te oordelen was een van hen mijn favoriete paargenoot — dus wij herkenden elkaar.’