Выбрать главу

‘Dat heb ik me altijd afgevraagd. Zijn vampiers monogaam?’

‘Wat bedoel je?’

‘Hebben ze één vaste partner?’

‘Nee, Louis. Een humanoïde die de geur niet heeft is voor ons prooi. Ik drink haar aderen leeg terwijl we rishen. Haar geur kan een vrouw echter ook markeren als iemand van mijn eigen soort; dan is ze veilig. Maar we waren bijna uitgehongerd, Louis! Zij en ik, mijn paargenoot… hoe zal ik haar noemen?’

Louis verbaasde zich over het vuur waarmee Bram een verhaal vertelde dat hem aanvankelijk met kunst en vliegwerk ontlokt had moeten worden. Was dit misschien de eerste keer dat hij een gehoor had gevonden? ‘Anne?’ stelde hij voor.

‘Anne en ik vonden de kracht onze monden dicht te houden toen we paarden. Natuurlijk hebben we nooit meer gepaard sinds we in veranderde toestand wakker waren geworden, maar we herinnerden ons dat we elkaar vertrouwd hadden.’

Er kwam in Louis een onverhoedse herinnering naar boven en hij rilde even. Een vampier vertrouwen?

Ze had een bronstige engel geleken, bovennatuurlijk begerenswaardig — de vampier door wie Louis Wu twaalf jaar geleden was aangevallen. Zijn handen hadden in haar asblonde krullen een overdaad aan haren gevoeld en een te klein schedeltje. Een andere humanoïde kon de ware aard van een Ringwereldvampier nooit helemaal doorgronden.

Louis zag dat Verst-in-de-achterhoede meeluisterde: zijn ene hoofd was naar Bram en Louis gewend, terwijl hij met het andere het paneel bediende.

‘Akkoord,’ zei Louis. ‘Ga verder.’

‘Wij vieren begonnen de stad te verkennen, samen met tien voortplanters die te jong waren geweest om veranderd te worden. Mijn geest maakte kaarten tijdens onze rondgang. Wigstad vormde een driehoek, waarvan de basislijn werd ondersteund door een rotswand en het topje door de zware pijler, die zich boven de oppervlakte voortzette als een toren. We hebben deuren ingetrapt en ramen ingeslagen, maar de enige humanoïden in de stad bleken degene te zijn die in die toren gevangen zaten. Toen onze voortplanters zich hadden gevoed en onze ergste honger was gestild hebben we een geurspoor naar een beter beschermde plaats gevolgd, een plek waar twee beschermheren hadden gewoond. Eronder lag een verborgen voorraad gele wortelen. Je kent die wortel?’

‘Levensboom.’

‘We herkenden hun aard. Anne en ik begrepen dat die wortel voortaan ons bloed was. We zouden verhongeren zonder. We doodden de anderen.’

‘Die eerste beschermheer —’

Ik heb haar lijk bestudeerd,’ zei Bram. ‘Ze was kleiner dan ik. Haar kaken waren relatief zwaar, kennelijk om bepaalde lokale planten of takken te kunnen kauwen. Haar gereedschappen waren primitief. Ze redde voortplanters van haar eigen, lokale soort. Ze vocht om hen veilig de stad uit te krijgen en tegen de vampiers te beschermen, en daarvoor offerde ze haar leven. Louis, de meeste levensvormen, de meeste dieren en ook de meeste humanoïden kunnen maar in één omgeving overleven. Stel je voor dat je soort strikt afhankelijk is van een bepaald deel van een rivier, of een stuk van een bos, of een afgelegen dal of moeras of woestijn. Als beschermheer word je onafhankelijk van zulke dingen, maar alles wat je lief hebt bevindt zich op één plek. Een beschermheer van een andere soort kan die leefomgeving echter gewoon vernietigen als er niet naar hem wordt geluisterd.’

‘Hebben jullie sporen gezien van —’

‘Ja, natuurlijk! Er waren overal aanwijzingen, je struikelde erover! Er woonden twee beschermheren in het huis boven de wortelen. De ene diende de andere. We hebben lijken gevonden — voortplanters van dezelfde soort als de dienende beschermheer. De meester was van een andere soort. Hij was tachtigduizend falans oud, aanvankelijk beschermheer van een soort die sindsdien gemuteerd of uitgestorven moet zijn. Nog duizenden falans later kon ik mij zijn geur levendig herinneren. De hongersnood heeft hem uit Wigstad verdreven. Zijn bediende bleef achter om haar soortgenoten te redden.’

‘En door haar bloed ben jij beschermheer geworden?’

‘Kennelijk,’ gaf Bram toe.

‘Het virus. Het genen-veranderende virus in de wortel van levensboom. Het is ook aanwezig in het bloed van beschermheren.’ Louis vond dat amusant. Vampiers worden onsterfelijk door het bloed van een onsterfelijke te drinken! De wetenschap dat hij aan de genade van een vampier-beschermheer was overgeleverd amuseerde hem echter in het geheel niet.

De zonnevlam reikte nu tientallen miljoenen kilometers diep de ruimte in. Verst-in-de-achterhoede zweefde op zijn lastschijf tot vlak onder het halfronde dak. Hij hield een hoofd naar beneden gebogen om mee te luisteren, maar de afstand moest veel te groot zijn. Hoewel, misschien had hij een richtmicrofoontje of zoiets…

‘Hoe ben je het Reparatiecentrum binnengekomen?’ vroeg Louis nogmaals.

‘De gevonden wortelen waren toereikend voor honderd falans,’ zei Bram. ‘We moesten aanvulling vinden, anders zouden we sterven. Anne en ik hebben elkaar leren lezen. Geschreven teksten in Wigstad wezen ons de weg naar steden met bibliotheken. We kozen een koud klimaat, zodat we onszelf konden verbergen onder kleding. Ze hielden ons voor bezoekers van ergens ver weg. We betaalden belastingen, kochten een lapje grond en kregen uiteindelijk als burgers toegang tot de bibliotheek van het Deltavolk. Daar hebben we informatie gevonden over herstelfaciliteiten die zich onder de Kaart van Mars zouden bevinden. We reisden naar de Grote Oceaan en staken hem over. We hebben primitieve zuurstofpompen moeten maken om over de Kaart van Mars te kunnen lopen. Ik geef de voorkeur aan jullie ruimtepakken. Maar niettemin zijn we levend en wel weten binnen te komen.’

‘En jullie hebben elkaar niet gedood.’

‘Nee. Vampiers hebben geen geest, Louis Wu. Een vampier-beschermheer begint als een onbeschreven blad, intelligent vanaf zijn geboorte, maar niet gebonden door vooroordelen, oude loyaliteiten of beloften. Een humanoïde die geen beschermheer van zijn eigen soort kan vinden, kan als tweede keus het beste een vampier nemen!’

Jullie zouden elkaar hebben vermoord als het om de laatste levensboomwortel zou zijn gegaan! Louis sprak de gedachte niet uit, want hij wist niet zeker of ze wel juist was. ‘Jullie hebben toen de meesterbeschermheer gevonden. Hoe? Waarom hebben jullie gevochten?’

‘We vochten over de vraag wie de Boog en alles wat onder de Boog leeft het beste kon beschermen.’

‘Maar zijn staat van dienst was toch prima? Hele mensenrassen moeten tijdens zijn regime zijn ontstaan en weer uitgestorven, maar de beschaving als geheel bloeide en groeide tot —’

‘Maar wij hebben gewonnen, Anne en ik.’ Bram wendde zich af. ‘Hoe staat het ermee, Verst-in-de-achterhoede?’

Louis keek naar het staande skelet in de schemering. Hij kon nu wel raden wie dat geweest was. ‘Hoe zijn jullie bij hem gekomen? Hij was tachtigduizend falans oud, heb je gezegd.’ Bijna een miljoen Ring-wereldrotaties, twintigduizend Aardse jaren! ‘Al die tijd… en toen waren jullie er opeens.’

‘Hij moest bij ons komen. Verst-in-de-achterhoede?’

De Poppenspeler riep naar beneden: Ik heb de meteorenafweer op de drie doelwitten gericht. We zullen pas over twee uur resultaten zien. En het duurt drie uur voordat de installatie in de komeet iets waarneemt en eventueel kan reageren. De andere drie hebben dus een paar uur om zich te verplaatsen, maar wie kan een lichtstraal zien aankomen voor het te laat is?’

‘Jouw mening?’

‘Mijn volk prefereert het zijn doelen te bereiken door andere soorten hun zin te geven,’ zei Verst-in-de-achterhoede. ‘Louis Wu, reageer eens.’

‘Je bent aan iets begonnen dat je niet meer kunt stoppen,’ antwoordde Louis. ‘Je hebt twee oorlogsvloten aangevallen. Drie, als je de Vloot der Werelden meetelt. Politieke constellaties worden oud en verdwijnen, Bram, maar informatie gaat nooit meer verloren. Die wordt tè goed opgeslagen. En daarom zal altijd iemand de verdediging van Ringwereld blijven testen — zo lang er protonen zijn.’

‘Dan moet de Boog dus een beschermheer hebben zolang er protonen zijn.’

‘Minstens één. De binnendringers zouden zich niet beperken tot het veroveren van territorium. Ze zouden gaan knoeien, van alles uitproberen, en misschien iets vernielen, zoals de Stedenbouwers dat hebben gedaan toen ze de duwstralen van de randmuurstuwers sloopten om ze voor hun ruimteschepen te gebruiken.’

De knobbelige man wachtte.

‘Een vampier zou een vergissing kunnen zijn.’

‘Het is een vampier die nu de positie inneemt. Hem bestrijden zou weleens een veel gevaarlijker vergissing kunnen zijn.’

Toen Louis niet antwoordde — hij probeerde zijn gedachten te ordenen — viste Bram iets uit een vestzak. Het was een houten fluit, groter dan het instrument dat hij eerder had bespeeld. De klank was dieper, rijker, en werd ritmisch begeleid door het geroffel van Brams vingers op het hout. Het klonk kalmerend, ondanks het feit dat Louis zich geïrriteerd voelde.

Louis wachtte tot het weemoedige gefluit ophield. ‘Je hebt een meteorenwacht voor het verlengde van het vlak van Ringwereld nodig,’ zei hij toen. Ik weet niet hoe dat moet. Je kunt de zonnevlammen niet gebruiken tegen iets dat zich achter de vloer van Ringwereld verbergt of van die kant nadert.’

‘Kom mee,’ zei Bram. ‘Verst-in-de-achterhoede, kom. We komen later wel kijken of ons iets is ontsnapt.’

De hand van de knobbelige man voelde aan als een zak knikkers en de greep waarmee hij Louis bij de pols vasthield was onwrikbaar. Voor hij het wist liep Louis snel met hem mee. Een keer keek hij om naar het skelet dat nog steeds in de aanvalshouding stond. Toen duwde Bram Louis op de stapschijf.

Ze flitsten het landersruim van de naald binnen.

De knobbelige man hielp Louis bij het binnenstebuiten afpellen van zijn ruimtepak. Hij ging voorzichtig om met zijn gewonde arm en zorgde er ook voor dat Louis niet in aanraking kwam met stofdeeltjes die zich aan de buitenkant van het pak konden hebben gehecht. Waar bleef Verst-in-de-achterhoede?

Bram leidde Louis naar de andere schijf en flitste hen beiden naar het bemanningsverblijf. Louis had geen moment overwogen zich te verzetten. Bram was eenvoudig te verrekt sterk!

De beschermheer knielde voor een kaal stukje van de wand. ‘De Poppenspeler was hier aan het morrelen om bepaalde beelden naar zijn eigen domein te projecteren. Eens kijken hoe goed ik hem daarbij geobserveerd heb.’ Hij haalde een paar kleine houten priemen te voorschijn en ging aan het werk.

Er verscheen een schema: het overzicht van de stapschijven.

Vervolgens een beeld van Weversdorp.

Verst-in-de-achterhoede kwam aangeflitst — eerst in het ruim, daarna in de bemanningscabine. ‘Vergeef me de vertraging,’ zei hij.

‘Heb je mijn beveiliging getest? Verst-in-de-achterhoede, wek nu eerst de Kzin,’ zei Bram. ‘Daarna wil ik een beter zicht op de randmuur waar de beschermheren aan het werk zijn. Stuur er je brandstofsonde naar toe.’

Verst-in-de-achterhoede wierp een blik op de schermpjes in de voorwand van de grote autodok en raakte toen iets aan. Hij danste achteruit en het luik in de voorwand zwaaide naar boven.

De Kzin schoot in een vloeiende beweging overeind, klaar om een heel leger te weerstaan.

De knobbelige man was inmiddels gewapend met de flitser en het variantmes, hoewel Louis hem niet had zien bewegen. Bram wachtte tot hij zag dat de Kzin zich ontspande en vroeg toen: ‘Acoliet, wil jij je aan mij verbinden volgens de termen van het contract dat Louis met me heeft?’

De Kzin draaide zijn hoofd opzij. Zijn littekens waren verdwenen en zijn handen zagen er gezond uit. ‘Louis Wu, zal ik dat doen?’ Louis slikte zijn bedenkingen in. ‘Ja,’ zei hij. Ik aanvaard uw contract.’ ‘Kom de kist uit.’

Acoliet gehoorzaamde. Bram leidde Louis naar het apparaat en hielp hem erin stappen.

Verst-in-de-achterhoede was elders bezig. In de kapiteinscabine was een warreling van kleurige stippen en kleine regenboogjes te zien, opgeroepen door de gefloten, muzikale commando’s van de Poppenspeler. Opeens klonk zijn gefluit schril en vals. ‘De sonde!’

‘Wat is ermee?’ vroeg Bram.

‘Kijk! Ze hebben de stapschijf van mijn brandstofsonde gesloopt! Wacht even…’ De Poppenspeler tikte een paar keer tegen de wand. Het uitzicht vanuit de half onder water liggende sonde maakte plaats voor dat vanuit het venster in de rotswand. ‘Daar! Kijk, daar ligt de schijf!’

Het teleportatiemembraam dat aan de wand van de sonde gemonteerd was geweest lag nu plat op de rivieroever, vlak naast het raadhuis.

‘Niemand heeft geprobeerd het ding te verstoppen,’ zei Louis. ‘Het schijfje in de neus, met het deuteriumfilter, is dat er nog?’ Verst-in-de-achterhoede keek. ‘Ja.’ ‘Het is bijna vleiend. Iemand wil mij terug!’ ‘Diefstal is het!’

‘Tja. Laat het maar zo. Je kunt beter de sonde hierheen halen en een nieuwe schijf monteren. Acoliet, Verst-in-de-achterhoede zal je het contract voorlezen. Doe deze twee heden geen kwaad. Wek me zodra het apparaat met me klaar is. De keukenwand heeft faciliteiten om een Kzin te voeden, en Bram hier maakt er ook gebruik van. Kun je het redden?’ ‘Ja.’

‘Akkoord.’ Niet zonder bange voorgevoelens ging Louis languit liggen in dit apparaat, dat akelig veel aan een doodskist deed denken. En het luik in de voorwand klapte dicht.