Выбрать главу

Een oude weg, half onder het zand, leidde naar boven, naar de as van het platform. Vanuit het middengedeelte strekten zich drie korte armen uit met onderlinge hoeken van honderdtwintig graden. De wigvormige platforms werden naar het einde toe iets breder en zweefden vrij in de lucht. Het ronde centrale gedeelte was een woud van aanlegpalen, metalen rails, hijskranen en kabels. De gebouwen die er stonden leken er later tussen gepropt te zijn. Ze waren leeg en zwaar geteisterd door eindeloze zandstormen: loodsen, een grote eetzaal, een soort herberg. Precies door het middelpunt liep een diepe voor, waarvan de bodem vol schoon, helder water stond.

Op een van de brede passages tussen de gebouwen hadden de Zandmensen hun doden uitgestald. Dat moesten ze al generaties lang gedaan hebben. Er lagen honderden skeletten. Een dozijn lichamen aan de buitenrand had meer weg van mummies dan van skeletten. Enkele andere lijken waren zo te zien van nog recenter datum.

‘Precies zoals Karker het verteld heeft,’ zei Sabarokaresh. ‘Warvia, heeft Karker je gezegd hoe —’

‘Karker heeft me gezegd hoe ik een krijsersdorp kan vinden,’ zei Warvia. ‘Zandmensen eten geen krijsers, maar wij kunnen dat wel, zo heb ik hem laten weten.’

‘Je gokte?’

‘Wel, dat was niet zo moeilijk. Tegendraaiwaarts van de begraafplaats…’ Warvia wees die kant op en keek toen nog eens goed. Nog geen dertig passen bij haar vandaan ging de effen zandvlakte over in een chaotische verzameling van kleine en grotere zandhopen. Het deed haar denken aan een half vergane miniatuurstad.

‘We zullen de Demonen niet wekken,’ besloot Sabarokaresh. ‘Ze worden vanzelf wel wakker en hoeven dan alleen maar hun neus te volgen.’

Ze parkeerden hun kruiser in de buurt van de begraafplaats — maar niet te dicht bij de uitgestalde doden — en gingen het krijsersdorp van dichtbij bekijken.

Het was niet het merkwaardigste dat Warvia ooit had gezien, maar iets raars was het zeker. Op deze kale, platte zandvlakte stonden honderden min of meer kubusvormige zandhopen. Het zag eruit als een half weggezakte stad die gebouwd was door mensjes van een voet hoog. Elke zandhoop bezat een opening. En al die openingen zaten in de wand die naar de buitenkant van het zandstadje gericht was.

Toen de vampierdoders tussen de zandkubussen door hepen, kwam er uit al die gaten een leger te voorschijn, dat posities innam.

De krijsers waren groot genoeg om een dagmaaltijd te zijn, stelde Warvia vast. Ze hadden platte snuiten. Ze kwamen op voor- en achterpoten uit hun hol gekropen, maar richtten zich dan op, zwaaiden met hun naar verhouding grote klauwtjes, die meer bedoeld waren voor graafwerk dan voor gevechten, en begonnen te krijsen. De snerpende toon daarvan deed Warvia pijn aan de oren.

‘Stokken?’ stelde Forn voor.

Tegger wuifde de suggestie weg. ‘Als we zomaar de massa in lopen met een knuppel zullen ze ons onder de voet lopen. Ik heb in de buurt van de kruiser een paar stapels touwen en kabels gezien. Lag daar niet ook een net bij?’

Opnieuw nam de garde posities in om haar zandstad te verdedigen. Barok en Tegger wierpen het net. Het was een sterk, ruw vlechtwerk dat bedoeld was om zware lasten naar boven te hijsen. De meeste wachters wisten zich los te werken en gingen in de aanval. De Roden en de Machine-mensen renden toen weg, maar sleepten het net mee. Een eindje verderop stopten ze om het net dicht te slaan rond de overgebleven wachters. De andere krijsers bleven ook staan. Ze krijsten naar de aanvallers, maar keerden toen terug naar hun posten. Vier grote exemplaren bleven gevangen.

De Roden hadden al gegeten en de Machine-mensen waren hun vangst aan het braden voordat het eerste stukje schaduw voor de zon gleed. De nacht-mensen vertoonden zich. Ze keken om zich heen en volgden toen hun neus. Warvia en Tegger kropen de container binnen om te slapen.

‘Mummies geworden, de meesten,’ liet Harpist de volgende ochtend weten. ‘Te ver heen om zelfs maar als noodrantsoen te kunnen dienen. De meesten zijn op oude leeftijd gestorven. Zandmensen leiden kennelijk een goed, gezond leven. Maar het gaf niet, want er was ook een —’

‘Herder.’ Treurbuis maakte de zin voor hem af. ‘Gedood door zijn eigen kudde, neem ik aan. We hoeven maar zelden honger te lijden.’ ‘Goed,’ zei Warvia.

Het schijfje zon was al te fel voor het Nachtvolk. Ze zaten onder een luifel, terwijl de anderen het zonlicht opzogen en wachtten tot de ochtend zijn kilte kwijt zou zijn.

‘We hebben de Zandmensen ondervraagd over deze plek,’ zei Foranayeedli. ‘Ze groeien op in haar schaduw, maar ze weten er niets van — behalve dat het hun dodenakker is.’

‘Het is veel meer dan dat,’ zei Harpist. ‘Wat we nu moeten doen is: onze kruiser ergens op laden en stevig vastbinden. Verder hebben we voedsel voor vijf dagen nodig, voor jullie alle vier.’

‘Wij verlaten jullie hier,’ zei Sabarokaresh.

Warvia en Tegger hadden dit zien aankomen. ‘Bedankt dat jullie zo lang bij ons zijn gebleven,’ zei Warvia. ‘Het zou er bijzonder raar hebben uitgezien — Rode Herders die een kruiser van de Machine-mensen besturen! Zijn jullie plannen veranderd?’

‘We keren in ons eigen tempo terug, richting bakboord. We kunnen die reis zelf verdienen door verhalen te vertellen en informatie te geven. En we zullen sommige stammen leren brandstof te maken.’ Barok kneep zijn dochter in de arm. ‘En als we dan ten slotte weer onder de Machine-mensen zijn, zullen we zoveel bonussen hebben verdiend dat we Forn een bruidsschat kunnen geven.’

‘En ook voor de lessen, bedankt,’ zei Tegger behoedzaam.

Het meisje schonk hem een wellustige glimlach. ‘Jij was geen moeilijke leerling!’ Ze keek even naar haar vader. ‘Hé, er zijn dingen waar we het nog niet over hebben gehad…’

‘Hofmakerij,’ zei Barok.

‘Ja. Onthoud hoe je elkaar het hof moet maken,’ adviseerde Foranayeedli. ‘De meeste humanoïden hebben daar hele rituelen voor. Probeer niet deze te doorgronden. Houd je aan je eigen gewoonten. Daardoor blijven jullie op je gemak en zij geamuseerd. Weten jullie nog hoe je elkaar het hof moet maken?’

‘Een beetje,’ zei Warvia.

‘Bij ons duurt de hofmakerij maar kort, en er zijn dan al onderhandelingen aan voorafgegaan. Ik veronderstel dat andere humanoïden ons verlegen of koel vinden.’

‘Hmm… tja…’

Treurbuis kwam vastberaden tussenbeide. ‘De tijd begint te dringen. We moeten de wagen laden. Barok, Forn, willen jullie daarbij helpen voordat jullie vertrekken?’

‘Zeker. We hebben ook geschikt voedsel gevonden. Wat is jullie bedoeling?’

‘We moeten de kruiser stevig vastzetten op het voertuig aan de stuurboordkant van dit platform.’ Is dat een voertuig}’

Het was een van de drie zwevende, wigvormige platforms. Tegger zou het eerder hebben aangezien voor een met zand bedekte dansvloer, of een toernooiveld, een schietbaan… Het dak was transparant. De vloer was vlak, en vijf keer zo breed als de wielbasis van de kruiser. Sterke, dikke ringen van aluminium, zo groot als zijn romp, staken op vele plaatsen uit de vloer.

Ze reden de kruiser naar het midden van het platform. Harpist en Treurbuis gaven aanwijzingen vanonder hun luifel en de anderen trokken kabels door de aluminium ringen en over de vrachtcontainer. Ze gebruikten lieren om die kabels strak te spannen, totdat ten slotte geen enkele kracht onder de Boog nog in staat leek de kruiser aan het schuiven te brengen.

Rond het middaguur waren ze klaar. Barok en Forn begonnen zich klaar te maken voor hun eigen reis.

‘Jullie hebben voedselvoorraden nodig,’ zei Tegger. ‘Zullen we een paar krijsers voor jullie roken?’

‘Goed. En ik heb onderweg iets gezien.’ Hij nam hen mee naar zijn ontdekking: een metalen plaat van drie manshoogten lang en twee breed, met lage opstaande randjes, en aan alle vier de hoeken voorzien van een gat waar de lus van een kabel doorheen stak. Hij tilde de hele bak moeiteloos op.