Выбрать главу

‘Louis Wu, je bent veel te jong om op de geur van de wortelen te reageren. En het is hier maar een zwak geurtje.’

Ik ben te oud! De wortel zou me doden!’ Louis werkte zich op zijn knieën. Hij kon zijn rechterarm niet gebruiken. ‘De vorige keer dat ik het heb geroken heb ik maar net kunnen wegkomen.’ Met hulp van Acoliet wist hij overeind te komen en hij strompelde naar de stapschijf.

Ooit had hij zich weten te bevrijden van zijn draadverslaving. De geur van levensboom had zijn geest van het ene moment op het andere bedwelmd, maar ook daarvan had hij zich weten te bevrijden. De geur was toen, elf jaar geleden, veel sterker geweest dan nu.

Iemand anders dan een voormalige draadverslaafde zou dat nooit zijn gelukt!

Een hand als een zak vol walnoten greep hem bij de pols. ‘Louis Wu, ik heb hem drie keer een muzikaal akkoord horen fluiten en ik ben hem alle drie de keren gevolgd. De ene schijf leidt naar een valluik en een bergplaats met wapens, de tweede naar een val vanaf het plafond en de laatste flitst je naar de plaats waar wij gevochten hebben. Daar groeien hele velden levensboom onder het licht van een kunstzon…’

Louis begon te lachen. Zijn brein was beneveld door de geur van levensboom en de enige uitweg leidde naar de plek van zijn strijd op leven en dood met Teela Brown!

Fagot bestudeerde hem. ‘Te oud in falans misschien,’ zei hij toen, ‘maar er is iets met je lichaam gedaan.’

Bram probeerde te lachen. Het klonk afschuwelijk. Ik heb de gegevens bekeken. Nanotechnologie. Een experimenteel programma, gestolen van de Aarde, nogmaals gestolen, en door Algemene Producten op Fafnir gekocht van de dief. Het medisch apparaat van de Poppenspeler, Louis!’ Zijn stem was er niet voor gemaakt en zijn longen functioneerden nog maar nauwelijks, maar toch lachte hij. ‘Tachtig falans, Louis. Negentig. Meer niet. Onthoud mijn woorden!’

Fagot en Acoliet stonden Louis Wu aan te kijken.

De geur hing in zijn neus, maar bedwelmde hem niet. Hij was meester over zijn geest. Maar dat betekende…

Hij legde het uit. Ik was erg ziek. Het medisch apparaat moet me grondig hebben genezen. Alles vervangen. Elke cel, elke cel.’ Bram had gelijk. Twintig jaar, vijfentwintig hoogstens — ouder was zijn lichaam niet.

‘Je zou een beschermheer kunnen worden,’ zei Fagot. ‘Het is een optie, meer niet.’

Bram was dood. Kon een beschermheer zijn hart tot stilstand dwingen? Brams laatste woorden waren er dubbelzinnig genoeg voor geweest… ‘Het is een optie,’ herhaalde Louis. Zijn laatste krachten begonnen hem te verlaten.

‘Je bent ziek,’ zei Fagot.

Hij ging op de vloer liggen. De Kzin hielp hem. Fagot onderzocht hem met zijn knobbelige handen. De kleine autodok was niet in staat geweest alle verwondingen op magische wijze te verhelpen — een paar spieren, het middenrif, een achillespees. Zijn schouder was lelijk opgezet rond vijf diepe steekwonden. Fagots arm, die slap en gezwollen in een provisorische strik hing, was er zo te zien nog veel erger aan toe, maar de beschermheer besteedde er geen aandacht aan.

Ik ken jouw soort niet. Ik geloof niet dat je kunt lopen en ik vermoed dat je binnenkort koorts krijgt. Wat zou je normaliter doen om te genezen, Louis?’

‘Terug naar het schip. Het grote medische apparaat in. Dat geneest alles.’

Fagot vertrok; hij nam de Kzin met zich mee. Ze waren snel terug. Ze tilden Louis op en legden hem weer languit neer. Hij voelde dat hij omhoog zweefde.

‘Hiermee kunnen we je dragen. Roep nu de magische deur op.’

Had de Demon-beschermheer een soort draagbaar uitgevonden? Nee, kennelijk hadden ze een lastschijf gehaald, plus een touw om haar achter zich aan te trekken.

‘Ik kan de commandotaal van Verst-in-de-achterhoede niet zingen,’ zei Louis.

‘Zitten we hier dan vast?’

‘Niet helemaal.’

Ze lieten de schijf tot op de vloer zakken. ‘Louis,’ vroeg Fagot, ‘wat moet ik doen om mijn zoon te vinden?’

‘O… verrek. Ik was Mirarp in alle commotie totaal vergeten! Hangt hij nog ergens bij de Wevers uit? Heeft hij daar familieleden in de buurt?’

‘Er waren nacht-mensen bij ons toen ik destijds hierheen flitste. Zij zouden hem terugbrengen naar zijn moeder. Mijn angst is dat hij misschien toch mijn voorbeeld heeft gevolgd.’

‘Ai, verrek! Nee, wacht, je zou hem geroken hebben. Het herkennen van je bloedlijn is een onvervreemdbaar vermogen van je brein. Fagot, mij zal hij herkennen. Het is beter mij te sturen. Ga niet zelf.’

Ik zou hem de stuipen op het lijf jagen. Louis, zal ik gewoon eens wat willekeurige fluit akkoorden uitproberen?’

‘En dan? Bram heeft overal vallen uitgezet. Fagot, we hebben de stapschijven helemaal niet nodig. Ik ben ooit eerder hiervandaan teruggekeerd naar de naald, te voet, met hulp van Verst-in-de-achterhoede. Ik heb toen een tunnel gegraven. Die is er nog.’

‘Hoe lang?’

‘Een paar dagen. Jullie zullen me op sleeptouw moeten nemen. We hebben water en voedsel nodig.’

‘Er is water genoeg in de levensboomkwekerij,’ zei Fagot. ‘Wat voedsel betreft…’ Hij en Acoliet liepen naar het lichaam van Bram en bleven daar staan. Fagot zei: ‘Mij is geleerd dat anderen me niet behoren te zien als ik aan het eten ben.’

‘Hij is nog niet echt een kadaver,’ zei Acoliet.

‘Vriend van mijn leraar, slechts weinigen zijn er die met de nacht-mensen over onze eetgewoonten willen praten, maar ik merk dat jij oprechte belangstelling hebt. Wij kunnen verse doden eten. Vaak geven we daaraan zelfs de voorkeur, maar sommige lijken zijn in het begin nog te taai, en bovendien was dit een beschermheer. Ik zou hem op een tweede lastschijf kunnen leggen en achter ons aan trekken, aan een langer touw natuurlijk.’ Ik heb nu honger, Fagot. Ik wil u niet beledigen door in uw aanwezigheid aan mijn maal te beginnen…’ ‘Neem wat je nodig hebt.’

Louis draaide zich met zijn rug naar het vervolg van het tafereeltje, maar hij kon een brede grijns niet onderdrukken. De geluiden vertelden het verhaal. Een jonge Kzin werd kennelijk geacht te vechten voor zijn voedsel, al was het maar verbaal. Nu probeerde Acoliet zijn met bravoure verworven portie van Brams lichaam los te rukken, waarbij hij de hulp van zijn wtsai nodig had — tsjak! En daarna trok hij zich met zijn buit, welke dat ook was, terug in de schaduwen.

Fagot kwam naar Louis toe en ging met gekruiste benen naast hem zitten. ‘Vaste gewoonten van kinderen zijn nogal hardnekkig. Zal Acoliet nu voortaan naar mij luisteren?’

‘Het likt me een goed begin.’

‘Er is ook voedsel voor jou, Louis Wu. Volgens mij kun je zonder risico gekookte levensboomwortelen eten.’

De gedachte deed hem huiveren, maar hij zei: ‘Zoete aardappelen en andere knolgewassen zijn vergelijkbaar. We poffen ze meestal.’

‘Dat wil zeggen?’

‘Maak een vuurtje. Leg de wortelen in de as, maar op een niet al te hete plek.’

‘We zullen in de levensboomkwekerij wel iets brandbaars vinden.’ Fagot wendde zich in de richting van knarsende tanden en steeds luider wordend gegrom van frustratie. De Kzin probeerde nog altijd iets voedzaams af te kluiven van het lijk van een beschermheer. ‘Acoliet, er is prooi in de levensboomkwekerij. Kleine dieren, lekker snel. Ik denk niet dat iemand anders dan een Demon-beschermheer ooit Bram kan eten, en dan niet eens vandaag al.’

‘Wel, laat me dan jagen!’

‘Je hebt mij nodig om terug te komen.’ Fagot floot een commando en samen flitsten ze weg.