Plots weerklonk Elistans stem duidelijk in het vertrek. ‘Vaarwel, Tanis Halfelf. Breng mijn liefde ook vooral over aan Laurana. Garad en de anderen,’ hij knikte richting gang, ‘zijn volledig op de hoogte van mijn wensen inzake mijn opvolging. Ook weten ze dat ik deze kwestie aan jou toevertrouw. Ze zullen je waar mogelijk bijstaan. Vaarwel, Tanis. Moge Paladijns zegen altijd met je zijn.’
Tanis kon geen woord meer uitbrengen. Hij greep de hand van de oude geestelijke, knikte, wilde toch nog iets zeggen maar gaf het uiteindelijk maar op. Toen draaide hij zich abrupt om, passeerde de donkere gestalte in de hoek en verliet het vertrek, zijn ogen vol tranen.
Garad vergezelde hem naar de hoofdingang van de Tempel. ‘Ik weet waar Elistan je mee belast heeft en geloof me, ik hoop van harte dat zijn wens uit mag komen. Maar ik hoor dat Vrouwe Crysania momenteel een soort pelgrimstocht onderneemt die wel eens heel gevaarlijk kon zijn?’
‘Ja,’ was het enige wat Tanis durfde te zeggen.
Een diepe zucht van Garad was diens antwoord. ‘Dan zullen wij voor haar bidden. Ze is een sterke vrouw en de kerk kan zulke jeugd goed gebruiken, met alle kracht die dat met zich meebrengt. Als je hulp nodig hebt, Tanis, dan kun je altijd een beroep op ons doen.’
De halfelf mompelde slechts een beleefd antwoord en Garad spoedde zich weer terug naar zijn stervende meester. Tanis probeerde zichzelf weer onder controle te krijgen alvorens hij naar buiten stapte. Terwijl hij daar even alleen stond met zijn meest persoonlijke gedachten, ving hij een woordenwisseling op die bij de Tempelpoort gaande was.
‘Het spijt me, meneer, maar ik mag u geen toegang verlenen,’ sprak een jonge acoliet gedecideerd.
‘Maar ik kom hier voor Elistan,’ klonk het gepikeerde en uiterst knorrige antwoord.
Tanis leunde even tegen de muur en sloot zijn ogen... hij kende die stem. De herinneringen overspoelden hem, zo intens en pijnlijk, dat hij heel even niets kon zeggen of zich kon verroeren.
‘Als u eerst nou even uw naam noemt,’ sprak de acoliet geduldig, ‘dan kan ik hem vragen...’
‘Ik heet, eh... de naam is...’ Hier haperde de stem, enigszins verward. ‘Gisteren wist ik het nog...’
Tanis hoorde het geluid van een houten staf die geïrriteerd tegen de traptreden van de Tempel tikte. De stem ging in toonhoogte ineens aanmerkelijk omhoog. ‘Ik ben een heel belangrijk persoon, jongeman. En ik word doorgaans niet met zoveel onbeleefdheid bejegend. Ga nou maar opzij voor je me dwingt iets te doen wat ik zal betreuren. Ik bedoel wat jou zal betreuren. Nou ja, een van ons zal het in elk geval betreuren.’
‘Het spijt me ontzettend.’ Het geduld van de acoliet begon op te raken. ‘Zonder uw naam kan ik u niet toelaten...’
Op dat moment klonk er een geluid dat op een echt handgemeen leek, vervolgens stilte en toen kon Tanis duidelijk de onheilspellende geluiden horen van boekpagina’s die werden omgeslagen... Door zijn tranen heen lachend, liep de halfelf terug naar de deur. Daar zag hij een oude tovenaar op de trap staan. Gekleed in muisgrijze mantels, met zijn misvormde hoed wankel op zijn hoofd, bood de stokoude magiër niet bepaald een florissante aanblik. Hij had zijn simpele staf even tegen de muur gezet en speurde nu koortsachtig naar een bepaalde pagina in zijn spreukenboek, waarbij hij de briesende acoliet volkomen negeerde. ‘Vuurbal... hoe ging die vermaledijde spreuk nou ook alweer?’
Zachtjes legde Tanis zijn hand op de schouder van de acoliet. ‘Dit is echt een uiterst belangrijk persoon. Laat hem maar binnen. Ik neem alle verantwoording op me.’
‘Meent u dat?’ vroeg de jongeman vertwijfeld.
Bij de klank van Tanis’ stem, keek de tovenaar op en keek eens om zich heen. ‘Hè, wat? Een belangrijk persoon? Waar dan?’ Maar toen hij Tanis zag, leek hij ineens wakker te schrikken. ‘Meneer, hoe maakt u het?’ Hij wilde beleefd zijn hand uitsteken, maar raakte hopeloos verstrikt in zijn mantels en hij liet zijn spreukenboek precies op zijn voet vallen. Al bukkend stootte hij zijn staf om, die kletterend van de trap stuiterde. En in alle opwinding viel zijn hoed ook nog van zijn hoofd. Tanis en de acoliet hadden vervolgens alle moeite om de oude man weer overeind te krijgen.
‘Au! Mijn teen... verdorie! Stomme staf! En waar is mijn hoed?’
Uiteindelijk stond hij weer min of meer toonbaar voor de poort. Hij borg zijn spreukenboek maar weer op en zette de hoed iets steviger op zijn oude hoofd (nadat hij beide handelingen eerst in verkeerde volgorde probeerde te verrichten). Helaas voor hem schoof de hoed nu zo diep over zijn ogen dat hij helemaal niets meer zag.
‘Mijn god, ik ben blind!’ riep de oude tovenaar, wild om zich heen maaiend.
Ook deze kwestie werd vlot opgelost omdat de acoliet, die Tanis nu met nog veel meer twijfels aankeek, de hoed voorzichtig terug drukte over de witte haren van de grijsaard. De oude man keek de acoliet vervolgens zwaar ontstemd aan, maar richtte zich al snel tot Tanis. ‘Belangrijk persoon? Zal best... denk ik. Kennen wij elkaar?’
‘Inderdaad,’ antwoordde Tanis. ‘Maar ik bedoelde u, hoor, mijn beste Fizban.’
‘Ben ik dat?’ Heel even leek de oude man van zijn stuk gebracht. Toen, nogmaals met de staf op de grond stampend, keek hij de jonge geestelijke woedend aan. ‘Natuurlijk, dat zei ik je toch! En nu opzij!’ beval hij de acoliet.
Toen hij de Tempel betrad, keek de oude man Tanis eens goed aan vanonder de rand van zijn brede hoofddeksel. Ineens legde hij zijn hand op de arm van de halfelf en zijn permanent verbaasde blik gleed weg van zijn gezicht. Hij keek hem intens aan.
‘Nimmer heb je zwaardere tijden gekend, Halfelf,’ sprak de tovenaar ernstig. ‘Er is hoop, en de liefde moet overwinnen.’
Dat gezegd hebbende, stommelde hij voort en liep met veel bombarie een kast in. Twee geestelijken schoten hem te hulp en leidden hem de goede kant op.
‘Wie is dat?’ vroeg de verbijsterde acoliet.
‘Een vriend van Elistan,’ sprak Tanis binnensmonds. ‘Een heel oude vriend.’
Toen hij de Tempel wederom verliet, hoorde Tanis een stem in de verte mopperen: ‘Mijn hoed!’
Hoofdstuk 8
‘Crysania...’
Er volgde geen antwoord, slechts een laag, klagend geluid.
‘Shh... het komt goed. Je bent gewond geraakt, maar de vijand is nu weg. Drink hier maar wat van, dat helpt tegen de pijn.’
Hij nam enkele kruiden uit een buidel en mengde ze met kokend water, hielp Crysania enigszins overeind van haar geïmproviseerde en bebloede bed van bladeren en bracht de mok naar haar lippen. Al snel leek ze minder gepijnigd en opende haar ogen.
‘Inderdaad...’ mompelde ze, tegen hem aan leunend. ‘Dat is beter.’
‘Welnu,’ vervolgde Raistlin opgeruimd, ‘je moet onmiddellijk tot Paladijn bidden om je te laten genezen, Eerwaarde Dochter. We moeten snel verder trekken.’
‘Ik – ik weet het niet, Raistlin. Ik ben zo zwak... en Paladijn lijkt zo ver weg hier.’
‘Bidden tot Paladijn?’ klonk een ernstige stem. ‘Dat is godslastering, Zwarte Mantel!’
Fronsend en hevig ontstemd keek Raistlin op. Zijn ogen werden groot. ‘Sturm!’ stamelde hij.
Maar de jonge ridder hoorde hem niet; hij staarde Crysania aan en zag tot zijn afgrijzen hoe de wonden over haar lichaam langzaam heelden, hoewel nog niet volledig. ‘Hekserij!’ schreeuwde de ridder, terwijl hij zijn zwaard trok. ‘Hekserij!’
‘Geen hekserij, ridder!’ zei Crysania geschrokken. ‘We beoefenen geen hekserij. Ik ben een geestelijke van Paladijn. Bekijk het medaillon dat ik draag maar eens goed!’
‘Je liegt!’ riep Sturm haar heftig toe. ‘Er zijn helemaal geen geestelijken meer! Die zijn allemaal verdwenen tijdens de Catastrofe. En als je al de waarheid spreekt, wat doe je dan in het gezelschap van deze boosaardige tovenaar?’
‘Sturm, ik ben het! Raistlin!’ De aartsmagiër kwam overeind. ‘Kijk dan! Herken je me niet?’
De jonge ridder richtte zijn zwaard nu op Raistlin, en de punt raakte diens keel. ‘Ik weet niet met welke zwarte magie je mijn naam te weten bent gekomen, maar als je hem nog eens in de mond neemt, zul je het met je leven moeten bekopen. We maken korte metten met heksen, hier in Soelaas.’