Выбрать главу

Hij herinnerde zich de liefde in die ogen, haar nabijheid, de kussen op haar gladde huid...

Een voor een verbrandde Raistlin die herinneringen in zijn geest; zijn magie zette ze in vuur en vlam, ze vergingen tot as en de rook loste op in de lucht.

Met zijn andere hand bevrijdde hij zich uit haar greep.

‘Raistlin!’ huilde ze angstig, haar hand in de lege lucht ronddraaiend.

‘Je hebt mijn doel gediend, Eerwaarde Dochter.’ Raistlins stem klonk even kil en scherp als de dolk die hij aan zijn pols droeg. ‘Maar de tijd dringt. Er zijn mensen die me tegen willen houden bij de Poort, in Palanthas. Ik moet de Koningin dus verslaan en zo snel mogelijk de Poort weer betreden voor iemand de kans kan krijgen om me daadwerkelijk tegen te houden.’

‘Raistlin, laat me niet alleen! Niet hier, in dit zwarte niemandsland!’

Leunend op de Staf van Magius, die nu helderder dan ooit scheen, kwam Raistlin overeind. ‘Vaarwel, Eerwaarde Dochter,’ sprak hij zacht sissend, ‘ik heb je niet langer nodig.’

Crysania hoorde slechts het geruis van zijn zwarte mantels toen hij van haar wegliep, het zachter wordende gebons van de Staf op de bodem. En heel zwak, door de zurige geur van rook en verbrand vlees, ving ze iets op van wat op rozenblaadjes leek...

Toen was er stilte. Ze wist nu zeker dat hij weg was.

Ze was alleen, en haar laatste levenskrachten sijpelden door haar aderen, zoals haar laatste illusies haar geest ontgleden.

De volgende keer dat je weer kunt zien, Crysania, is als je verblind wordt door duisternis... oneindige duisternis.

Aldus sprak Loralon, de elfgeestelijke, bij de ondergang van Istar. Crysania had wel willen huilen, maar het vuur had haar tranen en de bron verteerd.

‘Ik zie nu pas echt helder!’ fluisterde ze in het donker. ‘Ik zie alles! Ik heb mezelf bedrogen. Ik betekende helemaal niets voor hem – ik was een schaakstuk dat hij naar believen op het grote bord heen en weer schoof. Maar evengoed als hij mij gebruikte, heb ik hem ook misbruikt!’ Ze kreunde diep. ‘Ik gebruikte hem om mijn trots en mijn ambities op een hoger plan te stellen! Mijn eigen zorgen hebben die van hem slechts verergerd! Hij is totaal verloren en ik heb hem naar zijn ondergang geleid. Want al zou hij de Koningin verslaan, dan betekent het slechts dat hij haar plaats in zal nemen!’

Naar een hemel starend die ze niet kon zien, schreeuwde Crysania van pure frustratie. ‘Ik heb dit veroorzaakt, Paladijn! Ik heb me dit leed zelf aangedaan, en de wereld. Maar, mijn God... wat heb ik hem daarbij aangedaan?’

Terwijl ze daar lag, in het absolute niets, weende haar hart de bittere tranen die haar ogen niet meer konden huilen. ‘Ik houd van je, Raistlin...’ mompelde ze. ‘Ik kon mezelf er nooit toe brengen om het je te zeggen, of het aan mezelf toe te geven.’ Ze schudde mismoedig haar hoofd, wat een pijn veroorzaakte die zo mogelijk nog erger was dan die van de vlammen, zoëven. ‘Was alles dan anders gegaan?’

De pijn werd minder en het leek alsof ze langzaam het bewustzijn verloor.

‘Goed dan...’ dacht ze vermoeid. ‘Ik ben stervende. Laat de dood maar komen en mijn lijden beëindigen.’

Moeizaam haalde ze adem. ‘Paladijn, vergeef me...’

En toen: ‘Raistlin...’

Met een laatste ademtocht: ‘...vergeef me...’

Crysania’s Lied
Water uit stof, oprijzend uit het water, Continenten vormend, abstract als kleur of licht, Voor het verdwenen oog, de aanraking van Paladijns dochter, Die haar witte mantel ziet, ook zonder zicht. Uit het water ontstaat een land, onmogelijk, Als gevolg van een stil gebed, De zon, de zee, de ster, aanvankelijk nog onooglijk, Maar nu goddelijk aan het firmament gezet.
Stof uit water, oprijzend uit het stof, De kleurrijke mantel, culminerend in wit. Herinneringen aan landen, gematigd en dof, Immer terugkerend licht, waar toch kleur in zit. Uit het stof ontspringt een bron van tranen, Ter voeding van het werk onzer handen, Jaren en jaren van eeuwig, reikhalzend verlangen, Naar veelbelovende en immanente landen.

Hoofdstuk 9

Tanis stond buiten de Tempel en overdacht enigszins laatdunkend de woorden van de oude tovenaar. De liefde moet overwinnen!

Zijn tranen wegvegend, schudde hij bitter zijn hoofd. Fizbans magie zou deze keer niet werken; in deze kwestie was de liefde immers ver te zoeken.

Raistlin had al lang geleden de liefde van zijn tweelingbroer puur voor eigen gewin misbruikt en verdraaid, waardoor Caramon uiteindelijk een meelijwekkend figuur werd, die zich dagelijks vol liet lopen met dwergendrank. En kil marmer had nog meer aanleg om iets lief te hebben dan de ijzige Crysania. En ach, Kitiara... had die ooit iemand werkelijk liefgehad?

Tanis had liever helemaal niet aan haar gedacht, niet weer. Maar hoe meer hij zijn best deed om haar naar de donkerste krochten van zijn gedachten te verbannen, hoe vaker ze vrolijk weer tevoorschijn kwam. Hij dacht onbewust vaak weer terug aan hun eerste ontmoeting, in de wildernis nabij Soelaas. Een vrouw die voor haar leven vocht met aardmannen, deed uiteraard de ridder in Tanis ontwaken! Deze vrouw moest gered worden... totdat ze nota bene woedend op hem werd omdat hij al haar plezier kwam bederven!

Vanaf dat moment was Tanis in haar ban. Tot dusver betrof zijn enige noemenswaardige liefde een fragiel elfenmeisje, ene Laurana. Ze waren samen opgegroeid, en haar vader had de bastaard halfelf in zijn gezin opgenomen uit een soort liefdadigheid, nadat de moeder bij de geboorte was overleden. Het kwam deels door Laurana’s kalverliefde – een liefde die haar vader overigens nooit zou toestaan – dat de halfelf zijn thuisland verliet en de wereld in trok met de oude Flint, de dwerg-ijzersmid.

Het leed geen twijfel dat Tanis nog nooit een vrouw als Kitiara had ontmoet – stoutmoedig, heldhaftig, beeldschoon en sensueel. Ze wond er trouwens geen doekjes om, bij die eerste ontmoeting, en liet hem onmiddellijk weten dat ze hem aantrekkelijk vond en hun gekibbel die dag eindigde dan ook in een nacht vol passie tussen Kitiara’s bontdekens. Nadien waren ze vaak samen geweest, samen reizend of in het gezelschap van hun vrienden, Sturm Zwaardglans en Kitiara’s halfbroers, Caramon en zijn fragiele tweelingbroer, Raistlin.

Toen hij zichzelf diep hoorde zuchten, schudde Tanis boos zijn hoofd. Nee! Hij verdreef zijn gedachten en stuurde ze terug naar de donkere nissen van zijn geest, en sloot de deur. Kitiara had nooit van hem gehouden. Ze had hem als aardig tijdverdrijf beschouwd, meer niet. Toen de kans zich voordeed om datgene te grijpen wat ze écht wilde – macht – had ze hem zonder aarzeling in de steek gelaten. Maar al sloot hij haar dan buiten, hij bleef in de verte haar stem horen. Hij hoorde de bewuste woorden weer die ze had gesproken, de avond van de ondergang van de Koningin van de Duisternis, diezelfde avond dat ze Tanis en Laurana had helpen ontsnappen.

‘Vaarwel, Halfelf. En vergeet niet, ik doe dit uit liefde voor jou!’

Plots dook er een donkere gestalte, als de belichaming van zijn eigen schaduw, vlak naast hem op. Een onwillekeurige angst bekroop de halfelf dat hij iets uit zijn onderbewustzijn had helpen materialiseren, maar de gestalte groette hem en Tanis zag dat het een wezen van vlees en bloed was. Hij slaakte een zucht van opluchting en hoopte maar dat de donkere elf niet in de gaten had hoe ver hij met zijn gedachten was afgedwaald. Niettemin vreesde hij dat Dalamar ze sowieso wel kon raden. Opzichtig zijn keel schrapend, bekeek Tanis de magiër in het zwart eens goed.

‘Is Elistan...’

‘...dood?’ zei Dalamar koeltjes. ‘Nee, nog niet. Maar ik voelde een aanwezigheid van iemand die ik als hoogst onaangenaam ervoer, dus ben ik maar gegaan. Mijn diensten waren niet langer nodig.’

Tanis bleef ineens stilstaan op het gazon en keek Dalamar strak aan. Die had zijn zwarte kap nog niet over zijn hoofd getrokken en daardoor waren zijn fijne gelaatstrekken goed zichtbaar in de vredige schemering. ‘Waarom deed je het eigenlijk?’ vroeg Tanis hem.