Выбрать главу

‘Heeft u het gehoord van Elistan?’ vroeg Tanis uiteindelijk.

Gunthar knikte. ‘Ja, we hoorden het vanmorgen vroeg. De ridders willen een eredienst voor hem houden, hier in de Toren. Als we er nog aan toekomen.’

Tanis verslikte zich half in zijn thee en slikte de vloeistof snel door. Slechts een ding zou de ridders kunnen verhinderen om een dergelijke eredienst te houden – oorlog. ‘Er nog aan toekomen? Weet u soms iets wat ik nog niet weet? Nieuws uit Sanctie? Wat melden onze spionnen zoal?’

‘Onze spionnen zijn vermoord,’ meldde Heer Gunthar op vlakke toon.

Tanis draaide zich abrupt om. ‘Wat? Maar hoe...’

‘Hun verminkte lichamen werden door zwarte draken naar het fort van Solanthas gebracht en gisteravond op de binnenplaats gedropt. Vervolgens overviel die vreemde storm ons plotseling – perfecte dekmantel voor de draken en voor...’ Heer Gunthar keek nu fronsend uit het raam.

‘Draken en...?’ vroeg Tanis op scherpe toon. Een verontrustende mogelijkheid begon vorm aan te nemen in zijn gedachten en hij morste hete thee over zijn hand. Vlug zette hij de beker op de vensterbank.

Gunthar wreef eens over zijn snorpunten en de rimpels op zijn voorhoofd werden dieper. ‘We hebben vreemde rapporten ontvangen, allereerst uit Solanthas en vervolgens uit Vingaard.’

‘Hoezo? Hebben ze iets vreemds gezien? Wat dan?’

‘Iets gezien hebben ze niet. Het is veelal iets wat ze horen. Vreemde geluiden, uit de wolken – of wellicht zelfs van boven de wolken.’

Tanis’ gedachten dwaalden af naar Waterwinds beschrijving van het Beleg van Kalaman. ‘Draken?’

Gunthar schudde ontkennend zijn hoofd. ‘Stemmen, gelach, deuren die dichtsloegen, gekraak, gepiep...’

‘Ik wist het!’ Tanis liet zijn gebalde vuist met een luide klap neerkomen op de vensterbank. ‘Ik wist wel dat Kitiara iets speciaals in haar schild voerde! Natuurlijk... dit moet het zijn!’ Bedroefd staarde hij uit het raam. ‘Een vliegende citadel!’

Naast hem stond Gunthar nu hevig te zuchten. ‘Ik had je gezegd dat ik de Hoge Drakenheer respecteerde, maar blijkbaar toch niet genoeg. In één keer heeft ze alle logistieke problemen qua troepenverplaatsingen opgelost. Aanvoerroutes heeft ze niet meer nodig, want ze neemt alles gewoon mee. En deze Toren is ontworpen om grondtroepen te weerstaan, maar ik heb geen idee hoe lang we het uithouden onder een aanval van een vliegende citadel. Destijds bij Kalaman belaagden de draconen de stad simpelweg vanuit de lucht en zaaiden ze dood en verderf in de straten. Zwarte magiërs gooiden vuurballen in het rond en uiteraard had je ook die kwaadaardige draken dan nog.’

‘Niet dat ik er enige twijfel over heb dat de ridders geen stand zullen houden, uiteraard,’ haastte Gunthar zich daaraan toe te voegen. ‘Ik stel alleen dat de strijd een stuk heviger zal worden dan verwacht. Ik heb onze strategie dus enigszins aangepast. Kalaman overleefde de aanval door te wachten tot de meeste vijandige troepen waren geland, waarna onze draken zo veel mogelijk zwaarbewapende manschappen naar boven vlogen, om de citadel over te nemen. Natuurlijk laten we de meeste ridders hier achter om de eerste aanval af te slaan, maar ik heb honderd man klaarstaan om met hun bronzen draken de aanval op de citadel zelf in te zetten.’

Dat was slim, moest Tanis toegeven. Waterwind had hem hetzelfde verhaal verteld over Kalaman. Maar wat ook het geval was, was dat Kalaman de citadel slechts terug kon drijven, maar niet veroveren. Kitiara’s troepen hadden zich op simpele wijze kunnen hergroeperen, waarna ze koers naar Sanctie hadden gezet, waar het hele schouwspel zich opnieuw ontvouwde.

Hij wilde dit punt nog even aanstippen, maar Gunthar onderbrak hem.

‘We verwachten de aanval nu elk moment,’ zei Gunthar, kalm uit het venster starend. ‘In feite...’

Toen greep Tanis hem bij de arm. ‘Daar!’ wees hij.

Gunthar knikte somber en wendde zich tot de wacht bij de deur. ‘Sla het alarm!’

Trompetten begonnen te schallen, trommels roffelden. De ridders namen hun gevechtsposities in op de kantelen van de Toren met grote efficiëntie. ‘We waren er immers de gehele nacht al op voorbereid,’ voegde Heer Gunthar er enigszins overbodig aan toe.

De ridders waren zo gedisciplineerd dat er geen kreet of woord te horen was toen het vliegende fort duidelijk zichtbaar uit de stormwolken tevoorschijn kwam. De bevelhebbers gaven met grote kalmte hun orders, terwijl de trompetten nog steeds het naderende gevecht aankondigden. Hier en daar hoorde Tanis wat gerinkel van een wapenrusting of zag hij een ridder, toch ietwat gespannen, van de een op de andere voet gaan leunen. Toen hoorde hij ver boven zich het klapwieken van bronzen drakenvleugels; Khirsah en de rest van de troep kozen het luchtruim vanuit de Toren.

‘Ik ben je dankbaar dat je me overhaalde om de verdediging van de Toren op te voeren,’ zei Gunthar, nog steeds opmerkelijk kalm. ‘Uiteindelijk kon ik slechts de weinige ridders optrommelen die meteen beschikbaar waren, maar niettemin heb ik er inmiddels tweeduizend hier ter plekke. We zijn welvoorzien, lijkt me. De Toren zal standhouden – zelfs tegen de citadel, daar twijfel ik niet aan. Kitiara kan niet meer dan duizend manschappen vervoeren...’

Tanis had graag gezien dat Gunthar daar niet steeds de nadruk op legde; het klonk namelijk alsof de ridder vooral zichzelf probeerde te overtuigen. En terwijl de citadel steeds dichterbij kwam, schreeuwde een innerlijk stemmetje hem toe, in steeds dringender bewoordingen dat er iets niet klopte...

Maar hij kon zich niet bewegen. Of goed nadenken. De vliegende citadel was inmiddels volledig zichtbaar, nu de stormwolken geen bescherming meer boden. Het vliegende fort vulde zijn blikveld en hij moest onmiddellijk terugdenken aan die eerste keer in Kalaman, waar het schouwspel hem zowel angst aanjoeg als zijn bewondering opwekte. Net als toen stond hij daar maar en staarde...

Na jarenlang hard werken in de diepste krochten van de tempels van Sanctie waren zwarte magiërs, onder leiding van Heer Ariakas – de bevelhebber van de drakenlegers en de genius die de Koningin van de Duisternis bijna de totale overwinning had gebracht – erin geslaagd om een compleet kasteel van zijn funderingen los te wrikken en de lucht in te sturen. De vliegende citadels hadden eerder ook andere steden aangevallen tijdens de voorbije oorlog en zelfs Kalaman, met al haar wallen en versterkingen, was bijna ten onder gegaan.

Zwevend op wolken van boosaardige magie, verlicht door veelkleurige bliksemflitsen, kwam de citadel steeds dichterbij. Tanis kon de lichten in de ramen van de drie torens zien en de joelende en schreeuwende geluiden horen die aan land doorsnee klonken, maar vanuit de lucht vervreemdend en sinister. Stemmen, wapengekletter. Ook hoorde hij de gezangen en de repetitieve spreuken van de magiërs die zich voorbereidden op wat komen zou. Hij zag de draken die lui rondom de citadel cirkelden. Tevens zag hij, bizar genoeg, een half afgebrokkelde binnenplaats, precies op de plekken waar de magie het kasteel van zijn funderingen had getrokken.

Tanis keek met hulpeloze fascinatie toe, en dat innerlijke stemmetje bleef maar tegen hem tekeergaan. Tweeduizend ridders! Op het laatste moment opgeroepen en slecht voorbereid! Slechts enkele draken! De Toren zelf zou hoogstwaarschijnlijk wel stand houden, maar de prijs zou akelig hoog zijn. Niettemin hoefden ze maar een paar dagen stand te houden, want tegen die tijd zou Raistlin wel verslagen zijn. En dan zou Kitiara haar beleg van Palanthas zeker niet door willen zetten. Ook zouden er meer ridders en sterke draken aangekomen zijn en heel misschien konden ze de vijand dan voor eens en voor altijd verslaan.

Zij had immers de breekbare vrede geschonden die er bestond tussen de Hoge Drakenheer en het vrije volk van Ansalon. Zij had Sanctie verlaten om de vrije wereld vijandig tegemoet te treden. Dit was eigenlijk de perfecte gelegenheid; ze konden haar verslaan en wellicht gevangen nemen. Tanis’ keel kneep pijnlijk samen. Zou Kitiara zich levend gevangen laten nemen? Nee, natuurlijk niet... Zijn hand sloot zich om het gevest van zijn zwaard; hij zou erbij zijn als de ridders de citadel aan zouden vallen en wellicht kon hij Kitiara ervan overtuigen om zich over te geven. Hij zou er immers op toezien dat ze rechtvaardig behandeld zou worden, als eervolle vijand...