Выбрать главу

Vledder grinnikte.

‘Maar volgens neef Wladimir Wiardibotjov ging diezelfde oom Zadok toch heel familiaar met de niet-deugende Carry Cornelissen om.’

Voordat de oude rechercheur kon reageren kwam het verkeer weer langzaam in beweging en via de Paleisstraat de Dam, achter het monument om, bereikten ze de smalle Warmoesstraat.

Vledder parkeerde de Golf nabij de ingang van het politiebureau, waar nog net een plekje vrij was. De beide rechercheurs stapten uit en glipten, zonder dat Jan Kusters hen opmerkte, de hal door en liepen de trap op naar de tweede etage.

Op de bank bij de deur naar de grote recherchekamer zat een jongeman. Zodra hij de beide rechercheurs in het oog kreeg, stond hij op en wachtte tot ze waren genaderd.

Toen wendde hij zich tot De Cock.

‘Ik ben Nabor,’ sprak hij licht buigend, ‘Nabor van Noordeinde. Mijn zuster Nanette heeft mij gebeld en gezegd dat ik mij, in verband met de dood van mijn oom Nicolaas, bij u moest vervoegen.’

De grijze speurder knikte en ging hem voor naar de recherchekamer, waar hij hem op de stoel naast zijn bureau liet plaatsnemen. Hij zwiepte zijn hoedje naar de kapstok, miste, maar nam niet de moeite om het hoofddeksel op te rapen. Met zijn regenjas nog aan ging hij achter zijn bureau zitten en nam de jongeman naast zich nauwkeurig op. De Cock schatte hem op begin dertig. Hij was keurig gekleed in een groene trenchcoat, waaronder een donkergrijs kostuum. In zijn donkere haren zat gel, waardoor de scheiding werd geaccentueerd.

De oude rechercheur trok een ernstig gezicht.

‘Ik condoleer u,’ sprak hij plechtig, ‘met het verlies van uw oom.’

Nabor van Noordeinde knikte traag.

‘Dank u.’

‘Ik heb van uw zuster Nanette begrepen,’ ging De Cock op zakelijke toon verder, ‘dat u de financiën van uw oom beheerde.’

‘Dat klopt.’

‘Had u dikwijls contact met uw oom?’

‘Vrij geregeld.’

‘Wist u, dat uw oom voor zijn klokkenverzameling een nieuwe verzekering wilde afsluiten?’

Nabor van Noordeinde schudde zijn hoofd.

‘Dat moet een persoonlijk initiatief van mijn oom zijn geweest. Hij heeft met mij nooit over een nieuwe verzekering gesproken. Hij heeft mij daarover ook geen enkel advies gevraagd.’ De jongeman verschoof zich iets op zijn stoel. ‘Begrijpt u mij goed: oom Nicolaas stond niet bij mij onder curatele. Ik beheerde zijn financiën omdat oom Nicolaas een hekel aan bankzaken had en ik daarin beter thuis was dan hij. Verder kon oom met zijn geld doen en laten wat hij wilde. Hij behoefde daarvoor aan mij geen verantwoording af te leggen.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Hebt u uw oom de naam Carry Cornelissen wel eens horen noemen?’

Nabor van Noordeinde schudde zijn hoofd.

‘Ik heb de naam Carry Cornelissen vanmiddag voor het eerst gehoord uit de mond van mijn zuster. Blijkbaar heeft mijn oom wel met haar over een nieuwe verzekering voor zijn klokkenverzameling gesproken. Ik weet wel dat oom Nicolaas een vriend had die Cornelissen heette… een verzamelaar van schilderijen, die een paar dagen geleden is overleden.’

De Cock reageerde niet op de opmerking.

Nabor van Noordeinde frommelde in een binnenzak van zijn colbert. ‘Ik heb voor u wel een lijst met een omschrijving van de antieke klokken, die oom Nicolaas in zijn bezit had. Die lijst hebben we vorige week samen opgemaakt.’

De Cock nam de lijst van hem aan en borg die in een lade van zijn bureau. Daarna keek hij naar de jongeman op. ‘Heeft uw oom wel eens het plan geopperd om zijn klokkenverzameling te verkopen?’

Nabor van Noordeinde schudde resoluut zijn hoofd.

‘Nooit. Hij zou er nooit afstand van hebben kunnen doen. Die klokken waren zijn lust en zijn leven. Ik heb ooit lachend tegen hem gezegd: “Oom, je hebt geen hersenen in je hoofd, maar een uurwerk.”’

De Cock glimlachte.

‘Genoot uw oom een goede gezondheid?’

Nabor van Noordeinde trok een bedenkelijk gezicht.

‘Hij had een zwak hart… was al jaren onder behandeling van een specialist… Sietse Schuringa.’

14

Nadat Nabor van Noordeinde in zijn groene trenchcoat uit de recherchekamer was vertrokken, viel er een diepe stilte. De geluiden van de straat drongen slechts flauw door, gedempt door de regen kwamen ze van heel ver.

De Cock steunde met zijn ellebogen op het blad van zijn bureau en liet zijn kin in het kommetje van zijn handen rusten. Hij keek naar de beregende ruiten en op zijn gezicht lag een sombere trek.

De oude rechercheur maakte zich zorgen. Het derde maillot-slachtoffer had zijn geestelijke weerstand aangetast. Hij voelde zich minder gespannen, minder strijdbaar dan bij vorige zaken, die hij in zijn lange carrière als speurder had behandeld. Zijn gevoel vertelde hem, dat noch Zadok van Zoelen, noch Christiaan Cornelissen, noch Nicolaas van Noordeinde een natuurlijke dood was gestorven. Maar dat gevoel werd gesmoord in de kille, feitelijke constateringen van doodschouwer Den Koninghe en de patholoog-anatoom dokter Rusteloos. Dat verlamde zijn spirit, zijn denken. De Cock vroeg zich af hoe hij zich kon opkrikken… welke middelen hij nog had om te klauteren uit een diep dal van onvermogen.

Het leek alsof Vledder zijn gedachten raadde. De jonge rechercheur zwaaide in zijn richting.

‘Je hebt het lijk van deze Nicolaas van Noordeinde niet naar Westgaarde laten afvoeren,’ constateerde hij nadenkend. ‘Ik bedoeclass="underline" je hebt het niet in beslag genomen voor het doen van een gerechtelijke sectie.’

De Cock trok zijn hoofd tussen zijn schouders.

‘Ik heb er nog wel even over gedacht. Maar het heeft geen enkele zin. Ik weet bij voorbaat de uitslag: hartverlamming.’ Hij grijnsde. ‘Bovendien zou commissaris Buitendam zich dan terecht afvragen of ik gek was geworden om opnieuw een gerechtelijke sectie te laten verrichten op iemand die een natuurlijke dood is gestorven.’

Vledder keek hem onderzoekend aan.

‘Zijn ze dat?’

‘Wat bedoel je?’

‘Zijn die drie mannen in hun maillot een natuurlijke dood gestorven?’

De Cock reageerde wrevelig.

‘Je weet wat dokter Den Koninghe zegt… je weet wat dokter Rusteloos zegt… wat moet ik dan nog?’

Vledder boog zich iets naar hem toe.

‘Daar leg je je toch niet bij neer? Jij denkt er toch zelf anders over?’

De Cock ademde diep.

‘Ik weet zo langzamerhand niet meer wat ik ervan denken moet,’ sprak hij traag, moedeloos. ‘Het verbaast mij werkelijk, dat ik nog steeds geen moeie voeten heb… dat de pijn nog niet in mijn kuiten kruipt. Naar mijn idee hebben wij er nog nooit zo hulpeloos en hopeloos voorgestaan als nu.’

Vledder spreidde zijn handen.

‘Er moet toch iets zijn?’ riep hij geëmotioneerd uit. ‘Men kan toch niet meer van toeval spreken, dat telkens wanneer zo’n man een natuurlijke dood sterft, zijn kostbare kunstverzameling is verdwenen?’

De Cock schonk zijn jonge collega een vermoeide glimlach.

‘Wat is het dan? Moord?’ reageerde hij gelaten. ‘Een geraffineerde… niet te bewijzen… moord? Zo geraffineerd, dat uiterst bekwame en ervaren mensen als dokter Den Koninghe en dokter Rusteloos tot geen andere conclusie kunnen komen, dan dat de slachtoffers aan een hartverlamming… dus een volkomen natuurlijke dood zijn gestorven?’

Vledder sloeg met zijn vuist op het blad van zijn bureau. ‘We moeten zien te bewijzen,’ sprak hij krachtig, ‘dat zowel dokter Den Koninghe als dokter Rusteloos ongelijk had.’

De Cock grinnikte vreugdeloos.

‘Hoe?’

Vledder maakte een hulpeloos gebaar.

‘Dat weet ik niet. Jij bent altijd de man van de invallen… de ideeën. En als jij…’ De jonge rechercheur maakte zijn zin niet af. Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt. Vledder maakte een korzelig gebaar en riep: ‘Binnen!’