Выбрать главу

‘Ambtelijk grootinquisiteur… snood en geniepig belager van weduwen, maagden en wezen,’ schertste hij breed lachend, ‘treed binnen.’

De Cock reageerde niet. Hoofdschuddend stapte hij langs hem heen. Na het voorportaal belandde hij in een hoog, diep vertrek. Het was er schemerig. Het enige licht kwam van een straatlantaarn voor het huis, aan de rand van het trottoir. Het wierp lange schaduwen over ezels met half afgemaakte schilderijen.

Peter Karstens ging De Cock voor naar een trap, die aan het einde van het vertrek draaiend omlaag liep. Na een korte smalle gang kwamen ze in een intieme ruimte met een lage zoldering.

Op een ruwhouten tafel brandden flakkerend een paar kaarsen naast flessen rode wijn en fraai geslepen kristallen bokalen. Twee ervan waren half gevuld.

De Cock keek rond. Plotseling ontdekte hij een jonge vrouw. Hij schatte haar op achter in de twintig. Ze zat schuin op een brede leren bank. In het halfduister had hij haar aanvankelijk niet opgemerkt. Ze was mooi, vond hij, uitzonderlijk mooi. In het schijnsel van het kaarslicht was ze van een bijna serene schoonheid. Haar huid glansde zacht. Boven een korte zwarte rok met een split droeg ze een ruim geplooide blouse, die haar boezem nauwelijks verhulde. Lang zwart haar golfde over haar halfblote schouders. Toen ze even bewoog, zag De Cock dat het split in haar rok tot heel hoog reikte. Het maakte hem wat duizelig. Zijn puriteinse ziel raakte bij een dergelijke aanblik altijd wat in de war.

Peter Karstens wees in haar richting.

‘Mag ik je even voorstellen… Maria.’ De kunstenaar aarzelde. ‘Of was ze er de vorige keer ook al?’

De Cock slikte.

‘Ze… eh, ze was er de vorige keer ook al,’ antwoordde de grijze speurder timide. ‘En… eh, ze is nog steeds even mooi.’

Peter Karstens stak zijn armen omhoog.

‘Luister,’ galmde hij ontroerd, ‘een wonder… een absoluut wonder… een ambtenaar met gevoel voor schoonheid.’

In zijn stem trilde een ondertoon van spot.

De Cock ging er achteloos aan voorbij. De spot deerde hem niet. Hij wist dat de kunstenaar voortdurend met de maatschappij in onmin leefde. Peter Karstens was een vrijbuiter, een boekanier met een ontembare kunstenaarsziel, die niet paste in het keurslijf van een geordende samenleving.

Peter Karstens wees naar de flessen op de ruwhouten tafel. ‘Een verrukkelijke bourgogne,’ riep hij opgetogen. ‘Een Savigny-les-Beaune van een gezegend wijnjaar.’ De kunstenaar pakte een schoon glas en schonk behoedzaam in. Daarna keek hij op. ‘Je drinkt toch een glas mee?’

De Cock knikte nadrukkelijk.

‘Graag.’

De schilder zette de fles op tafel terug en ging tegenover hem op de bank zitten. Om zijn mond gleed een zoete glimlach. ‘Gewoon op bezoek,’ sprak hij spottend. Hij blikte op zijn horloge. ‘Een ambtenaar… op dit uur.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Het spijt me, maar daar geloof ik niet in.’

De Cock reageerde niet direct. Hij pakte zijn glas op en proefde. De wijn was werkelijk voortreffelijk.

‘Je weet,’ sprak hij met het glas nog in zijn hand, ‘dat ik een grote bewondering heb voor schilders van het impressionisme: Monet, Renoir, Cézanne, Toulouse-Lautrec.’ Hij zette zijn glas voorzichtig voor zich neer. ‘Ik heb kort geleden een man ontmoet,’ ging hij verder, ‘die bezeten was van de schilderijen van Marc Chagall.’ De oude rechercheur zweeg even, peilde de reacties op het gezicht van Peter Karstens. ‘Hij kocht ze al toen Marc Chagall nog geen naam had gemaakt… nog niet beroemd was. Toen de man stierf hingen er nog steeds schilderijen van Marc Chagall aan de wanden van zijn huis. Zij waren alleen niet echt meer… niet origineel… maar kunstige vervalsingen.’

De grijze speurder zweeg opnieuw. Hij boog zich vertrouwelijk naar voren.

‘Peter… wie gaf jou die opdracht?’

De kunstenaar glimlachte.

‘Hoe weet je zo zeker dat ik die valse Chagalls heb gemaakt?’

De Cock plukte aan zijn onderlip.

‘Ik weet uit ervaring hoe mooi jouw impressionisten zijn.’

De kunstenaar pakte zijn glas op, keek hem aan, maar antwoordde niet.

Een lichte wanhoop maakte zich van De Cock meester. Hij stak zijn beide handen gespreid naar voren. ‘Peter… er sterven op onverklaarbare wijze mannen gekleed in mallotige maillots… en daarna is hun kunstverzameling weg… gestolen. Ik zoek naar de man of de vrouw die daarvoor verantwoordelijk is.’

Peter Karstens keek hem opnieuw secondenlang aan. Toen, na enige aarzeling, wendde hij zich tot Maria naast hem op de bank. ‘Pak even die visitekaartjes,’ gebood hij haar.

Maria kwam omhoog en sloeg een been over de rug van de leren bank. Een tweede been volgde. De Cock hield zijn adem in. Verbijsterd keek hij toe en het bloed steeg hem naar het hoofd. Onder haar korte rokje droeg Maria niets. Heupwiegend gleed ze naar een notenhouten kabinetje aan de wand. Uit een verticaal vakje nam ze een stapeltje kaartjes en reikte die Peter Karstens aan. De kunstenaar legde de visitekaartjes voor zich op tafel en nam ze stuk voor stuk door.

‘Het was een Engelsman,’ sprak hij zacht, mijmerend, ‘een statige Engelsman met een bijna Amerikaans accent.’ Zijn blik verhelderde. ‘Hier heb ik het… Sir Stephen Warwick-Benson.’

15

Toen De Cock de volgende morgen meer dan een een uur te laat en met een nog zacht gonzend hoofd van de verrukkelijke Savigny-les-Beaune de grote recherchekamer binnenstapte, keek Vledder naar hem op en strekte zijn rechterhand naar hem uit. ‘Ik heb er lang over moeten nadenken, maar ik weet nu bij wie jij gisteravond nog zo laat op bezoek bent geweest.’

De Cock glimlachte.

‘Nou?’ reageerde hij uitdagend.

‘Bij die vriend van jou… die vreemde kunstenmaker op de Noordermarkt… Peter Karstens.’

De Cock zwaaide afwerend.

‘Peter Karstens is geen kun-sten-maker, maar een begenadigd kunstenaar.’

Vledder snoof.

‘Een gore vervalser.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Geen vervalser,’ verbeterde hij geduldig, ‘maar een imitator. Wanneer hem dat vriendelijk wordt gevraagd en de geldelijke beloning voldoende is om er een leuke partij goede bourgognes van aan te kopen, imiteert hij het werk en de stijl van andere kunstenaars… uit welk tijdperk dan ook. En dat doet Peter Karstens op voortreffelijke en zeer kunstzinnige wijze. Ik heb thuis boven het dressoir van hem een Monet hangen, die ik niet voor het origineel zou willen ruilen.’

Vledder lachte smalend.

‘Dat doek is niets waard.’

De Cock hield zijn hoofd iets scheef.

‘Voor anderen misschien niet,’ sprak hij kalm, achteloos. ‘Voor mij wel.’

De oude rechercheur zweeg even en ging achter zijn bureau zitten.

‘Daarom zal ik je ook even uitleggen,’ ging hij op rustige toon verder, ‘waarom ik gisteravond alleen op pad ging. Dat was ten opzichte van jou geen blijk van wantrouwen. Zo moet je dat beslist niet zien. Maar Peter Karstens heeft een gruwelijke hekel aan onze min of meer geordende maatschappij… staat vijandig tegen alles wat naar overheid zweemt en heeft vooral een aversie tegen het gezag.’

Vledder grinnikte.

‘Maar jij vertegenwoordigt toch dat gezag?’

De Cock knikte.

‘Dat weet Peter Karstens heel goed. Daarover bestaat tussen ons dan ook geen verschil van mening. Ik ben mij er terdege van bewust, dat hij mijn functie als gezagdrager… rechercheur van politie veracht… toch vertrouw ik op zijn persoonlijke vriendschap… op de genegenheid, de waardering, die de kunstenaar ondanks dat voor mij koestert… vandaar mijn eenzame missie. Met jou in mijn nabijheid zou hij mij vermoedelijk niets wezenlijks hebben verteld.’

‘En?’

‘Wat bedoel je?’

Vledder gebaarde.

‘Heeft jouw eenzame missie iets opgeleverd?’

Het klonk wat cynisch.