Vledder antwoordde niet. Hij zweeg. Toen de regen toenam, versnelden ze hun pas. Bijna doorweekt stapten ze de hal van het bureau Warmoesstraat binnen.
Jan Kusters leunde geamuseerd over de balie.
‘Jullie zijn aardig nat geworden,’ constateerde hij met een brede grijns op zijn gezicht.
De Cock gebaarde om zich heen.
‘Als je hier blijft zitten word je niet nat. Maar de vis wordt op zee gevangen.’
Jan Kusters lachte om de oude recherchekreet.
‘Er zit boven een jongeman op jullie te wachten. Ik weet niet meer hoe hij heet, maar ik heb hem hier wel meer gezien.’
De Cock nam zijn natte hoedje af en slingerde plagend regendruppels naar de wachtcommandant. Daarna stormde hij lachend de trappen op. Vledder volgde.
Op de bank bij de toegangsdeur van de recherchekamer zat Christiaan Cornelissen in een beige regenjas. Zijn natte blonde haren plakten op zijn hoofd. Toen hij de rechercheurs in het oog kreeg, kwam hij nerveus overeind.
‘Ook… ook… ook Nicolaas van Noordeinde is dood en zijn hele klokkenverzameling is weg,’ sprak hij struikelend over zijn woorden. ‘Net als bij oom Christiaan.’
De grijze speurder reageerde niet direct. Hij vatte de jongeman bij diens arm en loodste hem de recherchekamer in. Daar liet hij hem op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen. Hij hing zijn natte hoedje en regenjas aan de kapstok en ging achter zijn bureau zitten.
‘Hoe kom je aan die wetenschap?’ vroeg hij vriendelijk.
Christiaan Cornelissen nam een zakdoek uit zijn broekzak en veegde daarmee zijn gezicht droog.
‘Nabor en zijn zuster Nanette zijn gisteravond bij mij op bezoek geweest… de neef en de nicht van de heer Van Noordeinde. We hebben samen de zaak besproken en zijn tot de conclusie gekomen dat er parallellen zijn… overeenkomsten tussen de dood van onze ooms.’ Hij keek De Cock vragend aan. ‘Daar moet u toch uit kunnen komen? Er wordt van u gezegd, dat u een bekwaam rechercheur bent.’
De grijze speurder glimlachte.
‘Er zijn momenten dat ik daar zelf aan twijfel.’ Hij boog zich naar de jongeman toe. ‘Hebt u al eens iets van uw neef Carry gehoord?’
Christiaan Cornelissen schudde zijn hoofd.
‘Ik heb ook geen moeite gedaan om hem te bereiken. Toen een paar jaar geleden oom Crispijn stierf, heb ik werkelijk van alles geprobeerd om hem op te sporen. Ik vond toen, dat hij van de dood van zijn vader op de hoogte moest worden gebracht… mogelijk de begrafenis moest bijwonen. Maar nu…’ De jongeman maakte zijn zin niet af. ‘Carry was niet zo familieziek.’
De Cock keek hem scherp aan.
‘Ze hebben hem gezien.’
Christiaan Cornelissen keek hem verward aan.
‘Wie?’ riep hij ongelovig. ‘Neef Carry?’
‘Ja.’
‘Waar?’
‘Hier in Nederland.’
Christiaan Cornelissen schudde zijn hoofd.
‘Dat kan niet,’ reageerde hij beslist. ‘Dan was hij toch naar mij toe gekomen? Hij weet waar hij mij vinden kan. Ik woon nog steeds in hetzelfde huis… het huis van mijn ouders.’
De Cock schoof zijn onderlip vooruit.
‘Misschien bestaat er voor hem een dringende reden om zich niet te laten zien,’ suggereerde hij. ‘Misschien vindt hij het toch raadzaam om zich voor u schuil te houden.’
Christiaan Cornelissen schudde opnieuw zijn hoofd.
‘Onzin. Carry en ik gingen ondanks het verschil in leeftijd vrij goed met elkaar om. Er is pas een breuk gekomen toen hij naar Amerika ging.’
‘Om kunstgeschiedenis te studeren.’
‘Precies.’
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
‘Hebt u ergens in een oud album nog een foto van neef Carry uit die tijd… ik bedoeclass="underline" kort voor hij naar Amerika vertrok?’
Christiaan Cornelissen trok een bedenkelijk gezicht.
‘Dan zal ik eens op zolder moeten kijken… tussen de oude spullen. Als ik mij goed herinner, dan hielden mijn ouders wel zo’n album bij.’
De Cock glimlachte.
‘Wilt u dat eens voor mij nakijken… het liefst op korte termijn? Als het kan… vanmiddag nog? Als u vanmiddag mij zo’n foto aanreikt, heb ik voor u mogelijk een verrassing.’
Christiaan Cornelissen keek hem verward aan.
‘Een verrassing?’
De Cock knikte.
‘Aan de hand van de gegevens van de mensen, die menen uw neef Carry hier in Nederland vrij recent nog te hebben gezien, wordt er op dit moment een compositiefoto gemaakt. Ik wil u die foto graag tonen voor ik er verder mee op pad ga.’
Er kwam een diepe denkrimpel in het voorhoofd van Christiaan Cornelissen.
‘U denkt dat neef Carry iets met de verdwijning van de echte schilderijen van Marc Chagall te maken heeft en zich daarom voor mij verborgen houdt?’
De Cock knikte traag.
‘Ik houd met die mogelijkheid terdege rekening.’ De oude rechercheur zweeg even. ‘U bent het enige familielid van Carry dat nog in leven is?’
‘Inderdaad.’
‘U… eh, u ging als familieleden… als neven… met elkaar om?’
Christiaan Cornelissen glimlachte.
‘Ik trok wel eens met hem op… beschouwde hem min of meer als mijn grote broer… mocht wel eens met hem mee… naar voetballen of hockey. Carry deed veel aan sport.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen naar elkaar toe.
‘Had Carry ook vrienden… ik bedoeclass="underline" vrienden van zijn eigen leeftijd?’
Christiaan Cornelissen zette grote ogen op.
‘Zeker… Jurgen… Jurgen Jaarsveld.’
De mond van De Cock viel open.
‘Jurgen Jaarsveld, de journalist?’ herhaalde hij geschrokken.
Christiaan Cornelissen knikte nadrukkelijk.
‘Dat was zijn boezemvriend.’
De Cock voelde zich gespannen. Hij vroeg zich af of hij alles goed had georganiseerd… of in de fuik, die hij had opgezet, niet ergens een zwakke plek zat of een scheur. Wilde hij tot een sluitende bewijsvoering komen, dan mocht er niets misgaan. Bovendien begreep hij nog niet wat er zou gaan gebeuren… hoe het precies in zijn werk ging.
Hij keek opzij naar Vledder. In het donker kon hij de contouren van zijn jonge collega slechts vaag onderscheiden. Met hulp van Franciscus Froombosch hadden zij samen de ruime achterkamer totaal verduisterd. Ook de ramen van de schuifdeuren waren afgedekt. Alleen door twee kleine plekken in het Mondriaanse glas-in-lood was het mogelijk om een blik in de goed verlichte voorkamer te werpen.
De Cock had zich opnieuw verzekerd van de hulp van zijn vrienden en collega’s Appie Keizer en Fred Prins. De twee doorgewinterde rechercheurs zaten in de laadruimte van een oude bestelwagen, die als observatiepost was ingericht. Vanaf een uitgelezen plek aan de wallenkant van de Brouwersgracht hadden ze een goed zicht op het statige grachtenhuis met de fraaie trapgevel. Via de mobilofoon stonden ze in verbinding met Vledder en verder met de centrale post op het hoofdbureau van politie aan de Elandsgracht.
Eventueel kon via de centrale post nog de hulp van de Surveillancedienst worden ingeschakeld, maar de oude rechercheur hoopte vurig dat hij daarvan geen gebruik hoefde te maken. Het liefst knapte hij dergelijke zaken in eigen vertrouwde kring op.
De Cock boog zich iets voorover en keek door een plekje in het glas-in-lood. In de verlichte voorkamer zat aan de ovale tafel in een ruime armstoel de krasse Franciscus Froombosch. Hij was keurig gekleed in een grijs flanellen kostuum. De oude heer had zijn degenstok graag binnen handbereik willen hebben, maar dat had De Cock hem verboden. De grijze speurder wilde niet het risico lopen, dat Franciscus Froombosch daarvan in een noodsituatie gebruik zou maken.
Voor hem op tafel lag een open boek. De oude heer wilde het doen voorkomen alsof hij rustig zat te lezen, maar De Cock had hem al een kwartier lang geen blad zien omslaan.