'Precies.'
Vledder keek zijn oudere collega met grote ogen aan.
'Zou zij…' vroeg hij verschrikt, 'zou zij de vrouw zijn, die Fred Doornekamp het laatst bezocht?'
De Cock wreef met duim en wijsvinger in de ooghoeken. 'Het zou mij niets verbazen,' sprak hij gelaten. 'Het ligt in de lijn.'
Vledder wipte achter het stuur. Er kwam weer wat kleur op zijn wangen. 'Dan heeft ze hem vermoord,' riep hij verbijsterd. Hij draaide zich met een ruk naar De Cock. 'Dan heeft zij Fred Doornekamp vermoord.' Hij slikte, streek met de rug van zijn hand langs zijn droge lippen. 'Dan… dan heeft ze ook het kind.'
De Cock spreidde de foto's voor zich uit. Zijn vriend en journalist Bram Brakel had ze hem snel bezorgd. De heer
Van Molenwijck in vele poses. Er waren ook opnamen van zijn vrouw, genomen bij het in gebruik nemen van een of andere nieuwe vestiging. Ze lachte innemend naar de fotograaf en knipte een lint door.
De grijze speurder keek over de foto's heen naar Robert Antoine. De jonge rechercheur droeg ditmaal statig blauw met een vlag van een stropdas in parelgrijs. Een combinatie, die het conservatieve gemoed van De Cock wel kon waarderen.
'Hoe was de sectie?'
Van Dijk trok zijn schouders op. 'Niets bijzonders,' zei hij wat verveeld. 'Fred Doornekamp werd inderdaad met dat stuk gaspijp vermoord. Volgens dokter Rusteloos bestond daarover geen enkele twijfel.'
'Is het lijk vrijgegeven?'
Robert Antoine knikte. 'Het verlof tot begraven ligt in de lade van je bureau. Ik heb vanmiddag samen met vader Doornekamp de begrafenis geregeld.'
'Nog gesproken over vrouwenaffaires?'
De jonge rechercheur schoof de foto's wat opzij en ging op de rand van het bureau van De Cock zitten. 'Er was,' begon hij wat geheimzinnig, 'onder vele anderen ook ene Marianne de Peuter.'
De Cock trok zijn neus omhoog. 'Een Marianne de… wat?' Robert Antoine lachte.
'De Peuter… een niet zo fraai klinkende naam. Dat vond Marianne ook… daarom liet ze zich door iedereen Van Buuren noemen.'
Vledder kneep zijn lippen op elkaar en snoof. 'Allicht dat ik haar in geen enkel bevolkingsregister kon vinden.'
De Cock keek naar Van Dijk op. 'Verder,' gebood hij wat ongeduldig.
Robert Antoine pakte zijn notitieboekje. 'Marianne de Peuter,' las hij, 'werd in Eindhoven geboren en was al op haar negende jaar een volle wees. Vader en moeder stierven vrij kort na elkaar. Er volgde een martelgang van het ene tehuis naar het andere tot ze op haar vijftiende als pleegkind bij de familie Doornekamp werd opgenomen.'
De Cock streek met zijn hand over het grijze haar en knikte. 'Zo kende ze dus Fred.'
De jonge rechercheur grinnikte. 'En hoe. Ze heeft jarenlang een verhouding met hem gehad. Toen vader en moeder Doornekamp er uiteindelijk achter kwamen, stuurden ze het meisje weg.'
'Wanneer was dat?'
'Ruim tweeënhalf jaar geleden.'
'En Bonny?'
Van Dijk maakte een triest gebaartje. 'Vader Doornekamp wist niet dat er een kind was.' Hij sprong van het bureau, pakte een stoel en ging naast zijn oude collega zitten. 'En weet je… er staat ook nergens een kind van haar ingeschreven.'
'Nergens?'
De jonge rechercheur schudde resoluut het hoofd. 'Ik heb alles afgebeld. Officieel is Marianne de Peuter geen moeder. Maar dat behoeft niet te betekenen dat ze geen kind heeft. Ik heb gesproken met een ambtenaar van het geboorteregister. Hij zei mij, dat er gevallen bekend waren, dat de geboorte van een kind niet was aangegeven. Vooral rondtrekkende woonwagenbewoners willen het nog wel eens vergeten. Het komt meestal aan het licht als er kinderbijslag wordt aangevraagd.'
De Cock kneep zijn ogen halfdicht. 'Schele Riek,' zei hij peinzend. 'Fred Doornekamp wist het.' Hij blikte naar Vledder. 'Weet je nog wat Fred Doornekamp tegen haar zei, toen Schele Riek opmerkte, dat ze geen last wilde hebben met de kinderpolitie of de voogdijraad? Hij zei letterlijk: bij dit kind niet. Je kan er alleen geen kinderbijslag voor aanvragen.'
Vledder hijgde. 'Zou dan Fred Doornekamp de vader zijn… de verwekker van Bonny?'
De Cock schoof zijn onderlip vooruit. Zijn gezicht stond strak. 'Ik begin langzaam te begrijpen,' sprak hij ernstig, 'waarom Fred Doornekamp werd vermoord.' Hij kwam traag overeind en schoof de foto's bij elkaar in een enveloppe. 'Kom we gaan naar Smalle Lowietje.'
Robert Antoine keek hem vragend aan. 'Ik ook?'
De Cock knikte.
'Het wordt tijd, dat je hem leert kennen.'
Ze liepen met z'n drieën weg. Op het bureau van De Cock ratelde de telefoon. Vledder stapte terug, nam de hoorn op en luisterde. Na een paar seconden sloot hij zijn hand om het spreekeinde. 'Beneden voor de balie staat mevrouw Van Molenwijck,' zei hij zacht, bijna fluisterend. 'Ze vraagt naar De Cock.'
De grijze speurder aarzelde een moment, toen stopte hij de enveloppe met foto's in de handen van Van Dijk. 'Ga alleen,' sprak hij gehaast. 'Als je een positieve herkenning hebt, bel je me onmiddellijk.' Hij draaide zich half om naar Vledder. 'Laat haar komen.'
De Cock steunde beide ellebogen op zijn bureau. Over zijn gevouwen handen keek hij haar scherp observerend aan. Hij schatte haar op voor in de veertig. Een knappe vrouw, realiseerde hij zich, knapper dan het beeld dat hij van haar in zijn herinnering had: angstig, verkrampt, rennend met wapperende haren. Ze had lichtgroene, haast fosforescerende ogen, kunstig gevat in een rustige make-up. Haar mond was breed, zinnelijk, met een nerveuze wat weifelachtige glimlach. Ze sloeg haar slanke benen over elkaar en klemde haar handen om een tasje op haar schoot. De Cock wreef over zijn brede kin.
'Heeft uw echtgenoot u gestuurd?' vroeg hij halfspottend, 'of was het die zo keurig geklede meester Van Kralingen?'
Ze keek hem strak aan, negeerde zijn spot. 'Ik ben geen vrouw die zich laat sturen.'
De Cock zwaaide met zijn hand in haar richting. 'U komt dus uit eigener beweging.'
Ze knikte traag, ernstig. 'En uit vrije wil. Ik had dit dagen eerder moeten doen. Vanmiddag is mij dat duidelijk geworden.'
'Na mijn bezoek aan Ermelo?'
Ze schonk hem een matte glimlach. 'Ik heb u vanmiddag bij ons huis nauwelijks opgemerkt. Ik heb alleen gezien hoe mijn man reageerde. Hij is tegen dergelijke spanningen niet opgewassen.'
'Hij zal zich toch voor de moord op Colette Maesen moeten verantwoorden.'
Ze schudde bedaard het hoofd. 'Mijn man heeft dat meisje niet vermoord. Ik besef dat de schijn tegen hem is, maar hij heeft het niet gedaan. Hij zou het niet eens kunnen.' Ze zweeg en ademde diep. 'Het is feitelijk alles mijn schuld. Ik ben nogal zelfstandig… laat niet graag iets aan anderen over… zeker niet in een zaak als deze.' Ze keek naar hem op. Haar ogen weerspiegelden angst. 'Ik heb deze moorden niet voorzien, meneer De Cock. En ik begrijp nog niet waarom ze gepleegd zijn.'
De Cock keek haar secondelang aan en boog zich toen naar haar toe. 'Wanneer kreeg u de brief?'
Ze reageerde verschrikt. 'U weet van de brief?'
De Cock wreef langs zijn gezicht. 'Ik… eh, ik nam aan,' sprak hij aarzelend, 'dat er een brief was.'
Ze liet haar hoofd iets zakken.
'Lydia was ons enig kind. Toen kleine Richard werd geboren, waren we daar erg blij mee. Vooral mijn man. Hij was stapel op dat joch. We hadden zelf graag een zoon willen hebben, maar verder dan…' Ze stokte even, friemelde aan de zoom van haar rok. 'U kunt zich voorstellen wat dat ongeval betekende. Het leven had voor ons in een slag alle zin verloren. Er was een gat in onze ziel geslagen… een lege plek. De eerste tijd was verschrikkelijk.' Ze slikte en drukte opkomende tranen weg. 'Toen… na drie maanden, kwam die brief. Je wilt er niet aan geloven, begrijpt u. Je zegt tegen jezelf… het is niet waar… het kan niet. Maar de brief was zo echt… zo overtuigend.'
'U heeft de brief?'
Ze maakte met bevende handen haar tasje open en nam daaruit een grote enveloppe. 'Ik had u hem een week eerder moeten brengen,' zei ze zacht. 'Maar politie is vaak zo ver uit je gedachten.'