Выбрать главу

De jonge Baveling merkte de vreemde gestalte eerst op, toen sterke handen zich om zijn keel sloten. Onwrikbaar in een wurgende greep. Het boek viel uit zijn handen en gleed langs zijn knie op de vloer.

Het duurde even voor het begrip bezit van hem nam… voor hij besefte, dat de gestalte voor hem onverbiddelijk zijn dood wenste.

Hij zette zijn handen op de ronde armleuningen van de fauteuil en probeerde omhoog te komen, voorbij aan dat vreemd verwrongen grijnzende gezicht, los van de wurgende greep.

Maar zijn krachten waren niet toereikend. Langzaam ebde de weerstand uit hem weg. Een dof gevoel van berusting kroop onder zijn nekharen omhoog naar zijn hersenen, verdoofde de pijn en naam zijn angst voor de naderende dood weg.

Na enige tijd verslapte de greep. Willoos gleed hij opzij, terug in de fauteuil. Op zijn netvlies kwam het beeld van oneindige groene weiden vol felgele paardenbloemen en uitbundige madelieven. En verder was er blauw… heel veel lokkend blauw.

Rechercheur Vledder keek naar De Cock omhoog.

'Is er wat?' In zijn stem trilde een lichte bezorgdheid. 'Je loopt nu al bijna een uur als een getergde tijger op en neer.'

De Cock trok zijn brede schouders op.

' D'r is niets.'

Het klonk wat onwillig.

Vledder maakte een grimas.

'Je kunt mij niets wijsmaken, De Cock. Ik ken je zo langzamerhand wel een beetje. Volgens mij heb je de pest in. Er zit je iets dwars!'

De oude rechercheur schudde zijn hoofd.

'Ik heb alleen zo'n rot gevoel van binnen… dat er iets is gebeurd… iets verschrikkelijks… waarmee wij te maken krijgen.'

Vledder grinnikte vrolijk.

'Bij ons aan de Warmoesstraat gebeurt altijd wat. Ik heb het nooit anders meegemaakt.' Hij wees naar de schrijfmachine op het bureau van De Cock. 'Dat rapport, heb je dat al af?'

'Nee.'

'Het moet morgen klaar zijn.'

De Cock ging weer in zijn stoel zitten. De laatste opmerking van zijn jonge collega was hem ontgaan. Hij zette zijn ellebogen op het bureau en liet zijn kin in zijn handen zakken. Hij staarde voor zich uit.

'Heb jij dat nooit?'

'Wat?'

'Zo'n gevoel, dat iemand contact met je zoekt langs… langs ongebaande communicatiewegen.'

'Larie.'

De Cock keek zijn collega ernstig aan.

'Iemand,' sprak hij zacht, bijna fluisterend, 'had mij in dit laatste uur nodig.'

Vledder reageerde niet. Intuïtie en dat soort gevoeligheden ging hij liever uit de weg. Ze waren hem te subtiel en te weinig tastbaar.

Hij keek omhoog naar de klok aan de wand.

'Het is zo elf uur. De dienst zit er bijna op.' Hij wees nog eens naar de schrijfmachine van De Cock. 'Je krijgt morgen vast gedonder met de Officier. Hij heeft je al een paar maal uitstel gegeven.'

De Cock gromde. Hij was er aan gewend om met zijn superieuren overhoop te liggen. Het deerde hem niet. Ongeduldig wuifde hij voor zich uit.

'Vraag beneden eens aan de wachtcommandant of er nog meldingen zijn binnengekomen.'

Vledder schudde zuchtend zijn hoofd.

'Als ze ons nodig hebben, dan roepen ze ons wel.' Het klonk wat kriegelig. 'Bovendien heb ik nergens zin meer in. Ik ben het gewoon zat. Ik wil naar huis.'

Plotseling rinkelde de telefoon.

Vledder nam de hoorn op en luisterde. Het duurde nog geen minuut, toen legde hij de hoorn op het toestel terug. Zijn gezicht zag bleek.

De Cock keek hem gespannen aan.

'Wat is er?'

'Een lijk.'

'Waar?'

'In een pensionnetje aan de Prins Hendrikkade.'

De Cock hield zijn hoofd iets schuin.

'Moord?' vroeg hij strak.

De jonge Vledder stond op en knikte traag.

'Verwurging.'

2

De Cock keek naar de scheefweggezakte gestalte in de fauteuil en nam zijn hoed af. De dood, vond hij, verdiende eerbied. Zeker als hij zich, zoals nu, gewelddadig aandiende. Hij kon er niet aan wennen. Het verbijsterde hem steeds weer. Het fenomeen van het plotseling sterven had hem geïntrigeerd vanaf het eerste moment dat hij in zijn beroep met een lijk werd geconfronteerd. Hij had sindsdien vele mysteries opgelost, duistere zaken tot klaarheid gebracht. De dood was voor hem een mysterie gebleven.

De Cock blikte in het jongensachtige gelaat. Innerlijk nog wat verward vroeg hij zich af of deze jongeman degene was die het uur van zijn sterven had voorvoeld en vreemde angstsignalen had uitgezonden… signalen die hem in de recherchekamer zo onrustig hadden gemaakt. Niet zonder moeite zette hij die gedachte van zich af.

Vledder keek hem van terzijde aan.

'Sinds wanneer neem jij je hoed af voor een junk?'

Het klonk spottend.

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

'Een junk?' In zijn stem klonk verbazing. Hij strekte zijn dikke wijsvinger in de richting van de dode. 'Hij ziet er niet uit als een junk. Hij is gewassen en geschoren en hij heeft een schoon hemd aan.'

Vledder lachte.

'Misschien is hij afgekickt. Maar een jaartje geleden zat hij vrij geregeld bij ons in de cel. Diefstalletjes uit auto's en warenhuizen.'

De Cock knikte begrijpend.

'Weet je hoe hij heet?'

Vledder nam zijn notitieboekje uit de binnenzak van zijn jasje en begon te bladeren.

'Ik moet hem hier wel ergens hebben staan. Ik heb hem zelf een paar maal van de straat gepikt.' Hij grinnikte.

'Een keer betrapte ik hem op heterdaad toen hij een camera uit een auto wegnam.'

De Cock wees om zich heen.

'Woonde hij toen ook hier?'

Vledder schudde zijn hoofd.

'Nee. Hij woonde toen feitelijk nergens. Hij stond nog wel bij zijn ouders ingeschreven, maar meestal sliep hij in dat gore kraakpand aan de Monnikenstraat.' Hij tikte met zijn vinger op een blad in zijn notitieboekje. 'Hier heb ik hem… Erik Baveling, oud vijfentwintig jaar, geboren in Heemstede.'

'Heemstede… dat klink deftig.'

'Zeker. De jongen is van goede familie. Ik heb eens met zijn moeder gesproken. Die was naar de Warmoes straat gekomen toen haar zoon vast zat. Een keurige dame. Erik studeerde medicijnen, maar raakte aan de heroïne. Mevrouw Baveling maakte zich grote zorgen om Erik. Ze had al een zoon aan een overdosis verloren. Anderhalf jaar geleden.'

Het gezicht van De Cock verstarde.

'Heroïne,' riep hij grimmig. 'Ik ben tegen lijfstraffen, maar voor de grote genadeloze handelaren in heroïne, die allen verrekt goed weten wat voor een onheil ze aanrichten, zou men op de Dam best weer een lief schavotje kunnen bouwen.'

Vledder grijnsde.

'Laten ze je in Den Haag niet horen.'

De Cock trok achteloos zijn schouders op. Daarna boog hij zich over de jongeman in de fauteuil. De strangulatieplekken aan de hals waren duidelijk zichtbaar. Zelfs de spreiding van de wurgende vingers was te onderscheiden. Hij had in zijn rechercheleven bij vele slachtoffers die plekken van verwurging gezien en wist dat de patholoog-anatoom, dr. Rusteloos, morgen bij de sectie aan de luchtpijp weer enige gebroken kraakbeenringen zou vinden. Hij kwam overeind en keek naar Vledder.

'Wie heeft hem ontdekt?'

Vledder duimde over zijn schouder.

'De pensionhoudster. Ze was woedend.'

'Over deze moord?'

Vledder schudde zijn hoofd. Hij wees naar het elektrisch apparaat op het pluchen tafelkleed.

'Omdat hij stiekem koffie had gezet.'

De Cock staarde hem aan.

'Wat?' riep hij verbijsterd.

Vledder trok een ernstig gezicht.

'Dat is verboden. Ze wil niet dat er op de kamers wordt gekookt of koffie gezet. Daar is ze fel tegen. Dat kost volgens haar te veel stroom.' Hij knikte naar het lijk in de fauteuil. 'Ze had het vermoeden dat deze jongen hier 's avonds wel eens een kop koffie maakte. Als hij alleen was. Ze had iets geroken op het portaal. Daarom was ze vanavond naar boven gekomen om hem te betrappen.'