Выбрать главу

‘Wat is dit?’ vroeg Flint achterdochtig terwijl hij de helm omhooghield, zodat hij hem bij het licht van Raistlins staf kon bestuderen. Het was een helm van oude makelij, vakkundig vervaardigd door een uitstekende smid. Ongetwijfeld een dwerg, besloot Flint terwijl hij er liefdevol overheen wreef. De bovenkant werd gesierd door een lange staart van dierenhaar. Flint gooide de draconenhelm die hij had meegenomen op de grond en zette de nieuwe helm op zijn hoofd. Hij paste precies. Glimlachend deed hij hem weer af, zodat hij opnieuw het vakmanschap kon bewonderen. Tanis keek hem geamuseerd aan.

‘Dat is paardenhaar,’ zei hij, wijzend naar de staart.

‘Welnee,’ wierp de dwerg fronsend tegen. Met opgetrokken neus rook hij eraan. Toen hij niet moest niezen, beantwoordde hij triomfantelijk Tanis’ blik. ‘Het zijn de manen van een griffioen.’

Caramon lachte ruw. ‘Griffioenen!’ snoof hij. ‘Daar zijn er op Krynn ongeveer net zoveel van als—’

‘Draken,’ viel Raistlin hem soepel in de rede.

Meteen viel het gesprek stil.

Sturm kuchte. ‘We kunnen maar beter wat gaan slapen,’ zei hij. ‘Ik neem de eerste wacht wel.’

‘Vannacht hoeft niemand de wacht te houden,’ zei Goudmaan zacht. Ze zat dicht bij Waterwind. De lange Vlakteman had niet veel gezegd sinds zijn flirt met de dood. Een hele tijd had hij naar het standbeeld van Mishakal zitten kijken, in wie hij de vrouw gehuld in blauw licht herkende die hem de staf had gegeven, maar hij weigerde vragen te beantwoorden of erover te praten.

‘We zijn hier veilig,’ zei Goudmaan stellig, met een blik op het standbeeld.

Caramon trok zijn wenkbrauwen op. Sturm fronste en streek over zijn snor. Beide mannen waren te beleefd om Goudmaans overtuiging openlijk in twijfel te trekken, maar Tanis wist dat de krijgers zich geen van beiden veilig zouden voelen tenzij er iemand op wacht stond. Aan de andere kant was het nog maar een paar uur tot de dageraad en konden ze allemaal wel wat rust gebruiken. Raistlin sliep al, gewikkeld in zijn mantel, in een donker hoekje van de zaal.

‘Ik denk dat Goudmaan gelijk heeft,’ zei Tasselhof. ‘Laten we op de oude goden vertrouwen, nu het erop lijkt dat we ze hebben gevonden.’

‘De elfen zijn hen nooit kwijtgeraakt, en de dwergen ook niet,’ wierp Flint met een boos gezicht tegen. ‘Ik begrijp er helemaal niks van. Reorx is volgens mij ook een van de oude goden. We aanbidden hem in elk geval al sinds de tijd voor de Catastrofe.’

‘Aanbidden jullie hem?’ vroeg Tanis. ‘Of roepen jullie hem vol wanhoop aan omdat jullie volk de toegang tot het Koninkrijk onder de Berg is ontzegd? Nee, niet boos worden.’ Tanis zag het gezicht van de dwerg vuurrood worden, en hief bezwerend zijn handen. ‘De elfen zijn geen haar beter. We riepen de goden aan toen ons land werd verwoest. We kennen de goden en we eren hen, zoals je de doden zou eren. De elfenpriesters zijn allang verdwenen, net als de dwergenpriesters. Ik herinner me Mishakal de Genezeres. Ik weet dat ik als kind verhalen over haar heb gehoord. Ik weet ook dat ik verhalen over draken heb gehoord. Verhaaltjes voor het slapengaan, zou Raistlin zeggen. Kennelijk heeft onze jeugd ons ingehaald om ons te kwellen, of mogelijk om ons te redden, dat weet ik niet. Ik heb vanavond twee wonderen aanschouwd, één kwaad en één goed. Ik moet in beide geloven, als ik op mijn zintuigen wil kunnen vertrouwen. En toch...’ De halfelf zuchtte. ‘Toch vind ik dat we vannacht de wacht moeten houden. Het spijt me, edele vrouwe. Ik zou willen dat mijn geloof zo onwankelbaar was als dat van jou.’

Sturm nam de eerste wacht. De anderen strekten zich met een deken over zich heen uit op de tegelvloer. De ridder liep door de met maanlicht overgoten tempel en controleerde de verlaten kamers, meer uit gewoonte dan omdat hij zich bedreigd voelde. Hij kon buiten de felle, koude wind uit het noorden horen fluiten. Binnen was het echter merkwaardig warm en gerieflijk. Te gerieflijk.

Zodra hij aan de voet van het standbeeld ging zitten, voelde Sturm hoe een zoete vredigheid hem bekroop. Geschrokken ging hij rechtop zitten. Tot zijn ontsteltenis besefte hij dat hij tijdens zijn wacht bijna in slaap was gevallen. Dat was onvergeeflijk! Zichzelf streng berispend nam de ridder zich voor om als straf zijn hele wacht, twee uur lang, te blijven lopen. Hij wilde al opstaan, maar verstijfde toen. Hij hoorde een vrouwenstem die zong. Met zijn hand op het gevest van zijn zwaard keek hij wild om zich heen. Toen gleed zijn hand weg. Hij herkende de stem, en het wijsje. Het was de stem van zijn moeder. Even was Sturm weer bij haar. Ze waren op de vlucht geslagen, Solamnië uit, en ze reisden alleen, afgezien van één betrouwbare vazal, die de dood zou vinden voordat ze Soelaas bereikten. Het wijsje was een woordeloos wiegeliedje, ouder nog dan draken. Sturms moeder hield haar kind stevig vast en probeerde haar angst niet te verraden door dat zoete, troostende wijsje te neuriën. Sturms ogen gingen dicht. Hij viel in een gezegende slaap, net als de andere reisgenoten.

Het licht van Raistlins staf scheen fel en hield de duisternis op afstand.

17

De Paden van de Doden. Raistlins nieuwe vrienden.

Het geluid van metaal dat op de tegelvloer kletterde, wekte Tanis uit een diepe slaap. Geschrokken kwam hij overeind, tastend naar zijn zwaard.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Caramon, beschaamd grinnikend. ‘Ik liet mijn borstkuras vallen.’

Tanis slaakte een zucht die overging in een gaap, rekte zich uit en ging weer op zijn deken liggen. De aanblik van Caramon die — met hulp van Tasselhof — zijn wapenrusting vastgespte, deed de halfelf denken aan wat hen vandaag te wachten stond. Hij zag dat ook Sturm zijn harnas vastgespte, terwijl Waterwind het zwaard poetste dat hij de vorige dag had meegenomen. Ferm zette Tanis de gedachte aan wat hen vandaag allemaal kon overkomen van zich af.

Dat was geen eenvoudige opgave, met name voor de elf in Tanis. Elfen vereren immers het leven, en hoewel ze geloven dat de dood niet meer is dan een overgang naar een hoger plan, vinden ze ook dat de dood van elk levend wezen afbreuk doet aan het leven in deze werkelijkheid. Tanis dwong zijn menselijke kant vandaag de leiding te nemen. Hij zou moeten doden, en mogelijk zou hij zelfs de dood moeten accepteren van een of meer van deze mensen van wie hij hield. Het stond hem nog helder voor ogen hoe hij zich een dag eerder had gevoeld, toen hij dacht dat ze Waterwind zouden verliezen. Opeens ging de halfelf weer rechtop zitten, met het gevoel dat hij was ontwaakt uit een boze droom.

‘Is iedereen wakker?’ vroeg hij, krabbend aan zijn baard.

Flint kwam stampend op hem af om hem een stuk brood en een paar repen gedroogd hertenvlees te geven. ‘Dat niet alleen, we hebben al ontbeten,’ bromde hij. ‘Al was er een nieuwe Catastrofe gekomen, dan was jij er dwars doorheen geslapen, halfelf.’

Zonder veel eetlust nam Tanis een hap van het hertenvlees. Toen snoof hij en trok zijn neus op. ‘Wat is dat voor een stank?’

‘Een of ander brouwsel van de magiër.’ Met een grimas liet de dwerg zich naast Tanis op de grond vallen. Hij haalde een houtblok tevoorschijn en begon er woest in te snijden, zodat de houtsnippers alle kanten op vlogen. ‘Hij heeft een of ander poedertje in een beker fijngemalen en er water doorheen geroerd. Hij heeft het al opgedronken, maar niet voordat het die strontgeulstank verspreidde. Ik wil liever niet weten wat het was.’

Dat was Tanis met hem eens. Hij kauwde op het hertenvlees. Raistlin zat nu in zijn spreukenboek te lezen en keer op keer dezelfde woorden te mompelen, tot hij ze uit zijn hoofd kende. Tanis vroeg zich af wat voor spreuk Raistlin had gevonden die tegen een draak van nut kon zijn. Afgaand op het weinige wat hij wist van drakenleer — en alles wat hij wist, had hij geleerd van de elfenbard Quivalen Soth — mochten alleen de aller machtigste magiërs hopen dat hun spreuken enig effect zouden hebben op een draak, aangezien die zelf ook magie konden gebruiken. Dat hadden ze met eigen ogen kunnen aanschouwen.